Russische kunst in het Joods Historisch Museum

‘Renaissance’

Na de revolutie van 1917 was er in de Russische kunst sprake van een ‘joodse Renaissance’. Maar wat is er nu precies zo joods aan joodse kunst?

Lang heb ik gedacht dat vroeg-twintigste-eeuwse sovjetkunst viel op te delen in twee groepen: avant-gardisten en sociaal-realisten. De avant-gardistische kunstenaars waren vrij en ongebonden; ze schilderden zwarte vierkanten en schreven onbegrijpelijke manifesten, en vaak hadden ze een lichtelijk anarchistisch karakter. De sociaal-realisten daarentegen liepen aan de leiband van de staat en maakten dus propagandakunst. Ze schilderden taferelen waarop de Sovjet-Unie – een hysterisch gezellig oord, bevolkt door ijverige staalarbeiders en geestdriftige politici – werd bezongen. Als kunstenaar in de Sovjet-Unie, zo meende ik, was je veroordeeld tot één van deze twee kampen. Daartussen bevond zich hoegenaamd niets.

Medium altman

De tentoonstelling _Meesterwerken uit Moskou: Russisch-joodse kunstenaars, 1910-1940 in het Joods Historisch Museum in Amsterdam maakte een eind aan mijn onwetendheid. Ze is samengesteld uit schilderijen, tekeningen, collages en foto’s, afkomstig uit de zalen en kelders van de Staats Tretjakov Galerie en het A.A. Bachroesjin Centraal Nationaal Theatermuseum en geeft goed weer wat er op artistiek gebied zoal te koop was in die eerste decennia van de twintigste eeuw. Wat blijkt? Er waren niet twee soorten sovjetkunst, maar wel vier, of vijf, of tien. Het was, kortom, een hutspot van stijlen. Toegegeven, daaronder bevinden zich nogal wat kunstenbakkers van het tweede echelon (het ‘meesterwerken’ uit de titel beperkt zich tot een werkje of één, hooguit twee), maar ook enkele aangename verrassingen. Zo had ik nog nooit gehoord van het grimmige surrealisme en de burleske pentekeningen van de Oekraïense kunstenaar Solomon Nikritin, en ook de kubistische zelfportretten van Natan Altman en de mondaine schoonheden en hoekige naakten van Robert Falk, één en al wereldse schoonheid en vlezige wellust, had ik niet eerder gezien.

Medium lissitzy

De opkomst, bloei en teloorgang van de Russisch-joodse kunst vormen de rode draad van deze tentoonstelling. Het is een verhaal dat tot nu toe onderbelicht bleef, en is dus interessant. De jaren tussen 1917 (de machtsovername van de bolsjewieken en de afzetting van de laatste tsaar, Nicolaas II) en 1934 (het jaar waarin Stalin de socialistisch-realistische kunst tot officiële staatskunst uitriep) staan te boek als de ‘joodse Renaissance’. Joodse kunstenaars (eeuwen het slachtoffer van antisemitisme en lukraak geweld) kregen dezelfde rechten als niet-joodse kunstenaars en konden vrij werk maken. Ze bezetten belangrijke posten bij de Kulturliga en aan de kunstacademies en hokten samen in clubjes met tot de verbeelding sprekende namen als Machmadiem (De dierbaren) en de Projectionisten. Dilemma’s waren er ook, zij het picturaal van aard: hoe, bijvoorbeeld, konden joodse thema’s, tradities en heiligen worden verbeeld in een abstract sovjetidioom? Hoe moesten joodse kunstenaars zich überhaupt verhouden tot een regime dat zich erop liet voorstaan iedere religie als een noodzakelijk kwaad te beschouwen?

Medium brodsky

Het antwoord, zo leert de tentoonstelling, was vrij simpel. Namelijk: níet. Want anders dan de tekstbordjes en de bijgaande catalogus (die vol staat met frasen als ‘joodse melancholie’ en ‘het joodse thema’) willen doen geloven, vallen er in de geëxposeerde kunstwerken nauwelijks typisch joodse kenmerken te ontdekken. Er is geen gedeelde joodse poëtica, geen specifiek joodse iconografie, geen joodse techniek, vorm, of alomvattende symboliek. Een vioolspelende rabbi misschien? Ook niet. Wat wél in overvloed voorradig is, is dat typisch Russische mengsel van stugge ernst en megalomanie. Kijk maar naar het uit geometrische rasters opgebouwde spreekgestoelte dat El Lissitzky ontwierp voor Lenin, compleet met lift en wachtkamer. Of naar de stemmige, monumentale kruisvormen van Malevitsj’ navolger Ilja Tsjasjnik, ideaal ter opluistering van een begrafeniskist. Of naar het hyperrealistische schilderij dat Isaak Brodsky schilderde van Lenin in het Smolny Instituut (oorspronkelijk een instituut voor de opvoeding van welgestelde jongedames, maar door Lenin omgedoopt tot hoofdkwartier van de bolsjewieken). In dat laatste werk zien we de grote roerganger in een spaarzaam gemeubileerde kamer schaven aan wat ongetwijfeld weer een vlammend betoog gaat worden. Brodsky schilderde zijn magnum opus in 1931 – drie jaar voor het verbod op ‘nihilistische’ en ‘bourgeois’-kunst, zoals de communisten alle kunst die niet sociaal-realistisch was, plachten te noemen. In zijn soberheid, ascese en schraalheid verbeeldt het op sublieme wijze de artistieke kaalslag die de Sovjet-Unie de decennia daarna te wachten zou staan.

Medium falk

Meesterwerken uit Moskou: Russisch-joodse kunstenaars, 1910-1940, Joods Historisch Museum, Amsterdam, tot 10 februari

Bijschriften
Moderne meesterwerken uit Moskou. Russisch-joodse kunstenaars, 1910-1940

Naam: Altman
Natan Altman, Zelfportret, 1912. Staats Tretjakov Galerie, Moskou

Naam: Lissitzky
El Lissitzky, Ontwerp voor een spreekgestoelte voor Lenin (Lenintribune), 1920-1924. Staats Tretjakov Galerie, Moskou

Naam: Brodsky
Isaak Brodsky, Lenin in het Smolny Instituut, 1930. Staats Tretjakov Galerie, Moskou

Naam: Falk
Robert Falk, Vrouw in rode jurk, 1918. Staats Tretjakov Galerie, Moskou