De nieuwe feministische leeslijst in TivoliVredenburg

Renate Dorrestein opnieuw gelezen

In september presenteerden wij ons boek De nieuwe feministitische leeslijst in TivoliVredenburg in Utrecht. Wat kunnen we leren van boegbeelden uit het verleden als Renate Dorrestein, Marlen Haushofer, Nancy Friday en Maryse Condé? Saskia Pieterse over het herlezen van Renate Dorrestein.

‘Met wat minder feministisch gedram had uit dezelfde stof een beter boek dan dit kunnen ontstaan.’ Aan het woord is gezaghebbend criticus Hans Warren, die in 1989 een kritiek schreef over het nieuwe boek van Renate Dorrestein, Het perpetuum mobile van de liefde. Ook voor de lezer vandaag breekt Dorresteins boek nog altijd met vertrouwde genrecategorieën. Het is geen roman, geen autobiografie, geen betoog, en tegelijkertijd is het dat allemaal wel. Dorrestein zocht duidelijk naar een nieuwe vorm om onder meer over haar zusje te kunnen schrijven, die lang leed aan een eetziekte en aan zelfdoding zou overlijden. Ze slaagt in dat boek in iets heel moeilijks. Dorrestein eigent zich het verhaal van haar zus niet toe om er een feministisch punt mee te maken. Het ultiem particuliere en uiteindelijk ondoorgrondelijke verhaal van die ene mens wordt intact gelaten. En toch lukt het Dorrestein tegelijkertijd de lezer in te laten zien dat je eetziektes ook weer niet los kan zien van een verhaal over seksueel geweld, ouderlijke verwaarlozing, een destructief schoonheidsideaal.

Ik denk, kortom, dat Hans Warren nauwelijks oog had voor welke ingewikkelde kwestie Dorrestein hiermee openbrak, en hoe nodig het was te schrijven op een manier die haaks stond op de toen heersende normen over wat goede literatuur zou zijn. Die uitspraak van Warren over feministisch gedram is intussen typerend voor een houding die in Nederland heel lang dominant was. Wie nu de recensies over Dorrestein doorleest, valt het op hoe vaak en vooral hoe makkelijk termen als ‘mannenhaat’ en ‘bitter’ vielen.

Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om na te gaan in welke omstandigheden Renate Dorrestein zich uitsprak over literatuur en feminisme. Wat kunnen de inspanningen van haar generatie nu nog betekenen, nu het literaire landschap er totaal anders uitziet en ook het feminisme zelf een andere plaats en inhoud heeft gekregen? Ik zal een recent essay van Manon Uphoff kort bespreken als een mogelijke manier om na te denken over literatuur en feminisme vandaag.

Maar dan eerst de literaire wereld waarin Dorrestein haar feministische kritiek naar voren bracht. Ze had in de jaren tachtig een column in Viva en Opzij. Respectabele media, maar het is veelzeggend dat zo’n belangrijke feministische stem als die van Dorrestein geen vaste plek had op de mainstream krantenpagina’s. Daar waren het toch hoofdzakelijk mannen die zich in columns waar de sigaarlucht vanaf sloeg geringschattend uitlieten over het feminisme.

Een voorbeeld. In de jaren negentig namen vrouwen het initiatief tot Bureau Beeldvorming, een ludiek initiatief om eens te turven hoeveel mannen en hoeveel vrouwen er op televisie kwamen. Daarover zei Volkskrant-columnist Jan Blokker dat het ‘de emancipatiebeweging van drammende tuttelaars’ was. De vrouwen waren ‘turvende mulomeisjes’. Dat alledaagse seksisme van Blokker was nog kinderspel vergeleken bij de columns van Gerrit Komrij. Die laatste bundelde zijn stukken over het feministisch activisme onder de titel De onwelriekende gleuvenbrigade. Veel inhoudelijker dan dat werd hij niet.

Tegenwoordig leven we in de gelukkige omstandigheid dat stemmen zo uiteenlopend als Sheila Sitalsing, Carolien Roelants, Elma Drayer, Asha ten Broeke, Clarice Gargard, Margriet Oostveen, Marja Pruis en Seada Nourhussen een platform hebben. Uiteraard zijn er ook anno 2019 nog altijd ingewikkelde processen van marginalisering: die bestaan zonder meer en treffen ook lang niet iedereen op dezelfde manier. Maar toch. Het is in ons land echt een relatief nieuw fenomeen dat vrouwen op centrale plekken in de media zelf het hoogste woord kunnen voeren in het debat over het feminisme.

In Dorresteins tijd waren niet alleen in de kranten de mannen dominant. Op alle belangrijke machtsposities in de literatuur zaten mannen. Uitgeverijen waren bijna uitsluitend in handen van mannen. Het waren ook de hoogtijdagen van de letterkundige neerlandistiek, waar, zoals Charlotte Mutsaers het in de VPRO Gids ooit stelde, de mythe van de grote drie uit de lucht werd gegrepen. Je zou het bijna vergeten, maar er was toen in heel Nederland geen vrouwelijke hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde te bespeuren. (Marita Mathijsen werd in het jaar 2000 hoogleraar en was toen de eerste vrouwelijke hoogleraar in dat vakgebied.)

Het is in deze context van een moeilijk te doorbreken mannenbolwerk dat de Anna Bijns Prijs in 1985 werd opgericht door Renate Dorrestein, Elly de Waard, Anja Meulenbelt en Caroline van Tuyll. De prijs werd tot 2005 om de twee jaar toegekend aan proza en poëzie. Het was een oeuvreprijs ‘waarbij het oeuvre zowel in stijl, vorm, aanpak als in thematiek uiting moest geven aan de realiteit en de verbeeldingswereld van vrouwen’. De prijs ging er dus vanuit dat er zoiets was als een ‘vrouwelijke stem’ in de literatuur, en dat die stem veel nadrukkelijker gehoord mocht worden. Het idee was dus dat er niet gestreefd werd naar waardering vanuit het dominante systeem. Vrouwen konden elkaar onderling legitimeren, vanuit het besef dat er een respectabele traditie van vrouwelijk schrijverschap is. Een traditie die geëerd kan en mag worden.

Een belangrijk verschil tussen de jaren tachtig en nu is denk ik dat het veel moeilijker is geworden om het literair feminisme te definiëren als een tegenbeweging, omdat het afzetpunt veel diffuser is geworden. Het economische systeem van de literaire wereld is daarvoor te veel veranderd, en de genderverhoudingen zijn daarvoor te veel aan het schuiven gegaan.

We leven nu in een tijd waarin zo ongeveer álles onderworpen is aan een kwantitatieve logica. Het is een aanbeveling als er van een roman veel exemplaren verkocht zijn: honderdduizend lezers gingen u voor. Columnisten die regelmatig stukken schrijven die viraal gaan, worden hooggewaardeerd – en kranten houden nauwkeurig bij welke stukken veelgelezen zijn. Boekenkaternen staan om die reden veelal onder druk, want het is bijzonder moeilijk een literaire kritiek te schrijven die veel clicks krijgt. De studie neerlandistiek staat onder druk vanwege teruglopende studentenaantallen: alweer die kwantitatieve logica.

In de jaren tachtig gold literatuur nog altijd als iets dat inherent belangrijk was, alsof er geen economische dwang bestond. En omdat het mannen onderling waren die er het hoogste woord over voerden, was het niet zomaar belangrijk, het was zelfs gewichtig. Weer een voorbeeld. Ook in de jaren tachtig voerden de schrijver W.F. Hermans en de criticus Hugo Brandt Corstius een lange strijd over de betekenis van één woord bij Multatuli. Daar schreven ze dus lange stukken over, waarin ze elkaar met de grond gelijk maakten. En dat ging dan over één woord, bij Multatuli. De kranten drukten dat af, en de krantenlezers lazen die stukken. Nemen we dan maar aan.

Het activisme van de generatie van Dorrestein was erop gericht de kleinerende omgang met literatuur van vrouwen te bevechten. Dat activisme was nodig omdat het seksisme van de dominante orde zo evident aanwezig was. Nu is die dominante orde zélf veel meer aan het wankelen, juist ook in economisch opzicht. Wie durft te voorspellen hoe het krantenlandschap er over vijf à tien jaar voorstaat? Welk katern in welke vorm nog bestaat? Hoe het uitgeverijen en boekhandels zal vergaan? Hoe de talenstudies? Welke auteur durft erop te vertrouwen dat hij of zij op de lange termijn nog wordt uitgegeven, een column heeft, een leespubliek? Zelfs de grootste literaire macho heeft, vermoed ik althans, ’s nachts wel eens hartkloppingen over zijn toekomst.

Terwijl er over de gehele linie van meer precariteit en onzekerheid sprake is, worden perspectieven die vroeger buiten de mainstream werden gehouden daar nu veel sneller in opgenomen. Die twee dingen lijken me geen toeval. Cynisch gezegd: precies omdat alles draait om viraal gaan maar niemand kan voorspellen hoe de hazen lopen, is de angst om een belangrijke trend te missen veel groter. Bij Dorrestein was het afzetpunt helder. Maar hoe geef je activisme vorm als het hele literaire systeem in een vrije val terecht gekomen is?

Er is op het gendervlak nog iets belangrijks gebeurd: mannelijkheid is niet meer de onzichtbare, vanzelfsprekende neutrale norm. Zo las ik in NRC dat de nieuwe roman van Peter Buwalda, Otmars zonen, zou gaan over een hoofdpersoon met ‘mannelijkheids-issues’. Mannelijkheids-issues! Vroeger hadden alleen mulomeisjes mannelijkheids-issues. Opmerkelijk is ook dat Buwalda in zijn roman heel serieus ingaat op de ideeën van radicaal feminist Andrea Dworkin, tijdgenoot van Dorrestein. Zo hoorde ik ook Arnon Grunberg, in een lezing waarmee hij het academisch jaar opende, het werk van Dworkin uitgebreid bespreken. Blijkbaar hangt het in de lucht. De voorgangers van Buwalda en Grunberg lazen geen vrouwen, en als ze dat al deden constateerden ze negen van de tien keer eenvoudig dat het gedram was. Wie nu nog die houding aanneemt, loopt het risico als een fossiel over te komen.

De optimistische lezing van de grote veranderingen in onze eigen tijd zou zijn: ja, er is gewoon heel veel ten goede veranderd. Er hoeft niet meer zó onophoudelijk te worden gehamerd op genderdiversiteit in de literatuur, er is eindelijk ademruimte voor verschillende tradities, verschillende genres, verschillende kwaliteitscriteria, verschillende thematieken. Voor een deel onderschrijf ik die optimistische lezing zeker. Maar ik heb in mijn vormende jaren te veel W.F. Hermans gelezen om niet ook altijd overal de sombere kant van in te zien. Wellicht is er inderdaad voor sommige auteurs nu ‘meer ruimte’ bínnen het literaire systeem. Dat neemt tegelijkertijd niet weg dat het systeem in zijn geheel wankelt, en dat vraagt om een andere analyse.

Dat betekent wellicht: het feminisme is nu bij uitstek de plaats waar de taal zichzelf werkelijk kan vernieuwen.

Laat me die stelling illustreren aan de hand van een essay van Manon Uphoff. Ze schreef dat in De Groene Amsterdammer en het is getiteld ‘Trauma als bezit’. Ik denk dat het ’t belangrijkste essay van dit jaar is. Haar stuk is zowel een diepgravende tekst over hoe we als samenleving met trauma omgaan als een literaire beginselverklaring over haar nieuwe roman Vallen is als vliegen. Ze benoemt daarin een belangrijk misverstand over trauma: ‘We denken maar al te vaak over trauma in termen van bezit, alsof het niet gaat om ingrepen in fysiek, psychisch en zelfs sociaal weefsel, maar om bijna tastbare en ongewenste objecten die louter de getraumatiseerde(n) toebehoren. Iemand “heeft” of groepen mensen “hebben” een trauma, laat ze het houden.’

We denken en spreken dus op een bijna economische manier over trauma, als iets wat een individu wel of niet kan bezitten. We hebben versleten woorden voorhanden als ‘dader’ en ‘slachtoffer’, woorden die suggereren dat trauma iets is wat zich tussen een kleine geïsoleerde groep afspeelt. Over die neiging tot compartimentalisering zegt Uphoff: ‘Er is dus een tendens om het trauma te herleiden tot het individu en het uit het gedeelde narratief van een samenleving te trekken. Daar staat dit individu, alleen, en zonder ruimte om de dialoog te voeren en anderen te betrekken bij de kwetsuren die zijn opgelopen.’

Ik begin hier ook over Uphoff omdat het opvallend is hoezeer Vallen is als vliegen dertig jaar later nog altijd in gesprek is met Dorresteins Het perpetuum mobile van de liefde. Die ingewikkelde kluwen van een eetstoornis, seksueel geweld, ouderlijke onmacht binnen het patriarchale gezinsmodel en de vraag, uiteindelijk, hoe je stem kan geven aan een zus die dat geweld niet heeft overleefd. Maar ook: dat een schrijver de literatuur eigenlijk opnieuw moet uitvinden, met genregrenzen moet gaan schuiven, nieuwe woorden moet vinden. Omdat het trauma wel degelijk behoort tot het gedeelde narratief van de samenleving.

Hier vindt een omslag plaats die belangrijk is. We komen vanuit een tijd waarin het heroïsch individualisme à la Jan Wolkers als dé norm gold: mannen die zichzelf via seks en literatuur opnieuw uitvonden. Dat model heeft nog altijd een eigen aantrekkingskracht, zeker. Maar een belangrijk deel van de intellectuele energie is nu ergens anders te vinden. Er is sprake van een razendsnelle nieuwe bewustwording van de manier waarop wij, terwijl we ons steeds meer geïsoleerd voelen in een uitrafelend economisch systeem, het nodig hebben om ons onderdeel te voelen van een geheel, een gemeenschap, een collectief. Wat Uphoff noemt: ‘het gedeelde narratief van een samenleving’.

Vandaag loopt het heroïsch individualisme het risico zichzelf vast te draaien in nostalgie: een verlangen naar een vroeger, toen dingen nog konden die nu niet meer kunnen. Die nostalgie laat niet per se ruimte over om te denken over de grote vragen van onze tijd. De vraag bijvoorbeeld hoe we een taal kunnen ontwikkelen die zichzelf niet al bij voorbaat heeft opgesloten in bezitsrelaties. Want zoals Uphoff laat zien: zolang de taal zich niet kan vernieuwen, dan kan het spreken over een taboe al snel ontaarden in een manier om het taboe in stand te houden. Dat raakt ook aan de vraag welke taal we gebruiken om na te denken over onze gewelddadige, ronduit traumatische verhoudingen met het ecosysteem van de aarde, hoe we denken en spreken over vluchtelingen, over de doorwerking van oorlogsgeweld.

De ‘vrouwelijke stem’ staat niet meer tegenover de overmacht van een stevig mannenbolwerk. Wat dat betreft leven we in paradoxale tijden. Enerzijds zien we hoe onder onze ogen de oude patriarchale machtsbolwerken uit elkaar vallen. Anderzijds biedt juist dat vacuüm ruimte voor een reactionaire beweging die zich succesvol weet te herorganiseren in een uiterst rechtse politiek. In een tijd waarin alles in vrije val lijkt te zijn, is het belangrijker dan ooit een taal te hebben die niet sleets is. Een taal die ons eraan kan herinneren hoe schadelijk een gemakzuchtig gebruik van woorden als dader en slachtoffer kan zijn. En ook hoe daar een andere taal tegenover gesteld kan worden die het wel aandurft om de dialoog met de getraumatiseerde mens te openen.

En misschien is precies het lezen van feministische klassiekers een manier om zo’n gesprek te openen. Het is niet altijd makkelijk een dialoog te onderhouden met het verleden, omdat we liever niet onder ogen willen zien dat de geschiedenis een geschiedenis van trauma is. In de tijd van Dorrestein werd het feminisme bewust in de marge gehouden, alsof het een zaak was die alleen vrouwen betrof. Maar juist door te herlezen opent zich een nieuwe ruimte, waarin ook het feminisme zélf teruggeplaatst kan worden in het geheel van de samenleving. En dat is precies de plaats waar het hoort.