Onderzoeker, Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT)

Rens van Tilburg

De meest dringende maatschappelijke kwestie van dit moment is hoe beleidsmakers van hun geloof in zelfregulerende markten af te brengen. De ‘ideologie’, in de woorden van Alan Greenspan (Congressional testimony, October 23, 2008), waar ze op zijn afgestudeerd en waarmee ze carrière hebben gemaakt. Een eclectisch bouwwerk van economische theorieën met de, voor wat lui aangelegde beleidsmakers, prettige conclusie dat de wereld het beste af is als de overheid de markt zo min mogelijk voor de voeten loopt. Gedreven door eigenbelang zullen marktpartijen een maatschappelijk optimaal resultaat produceren.

Nergens is deze ideologie meer in de praktijk gebracht dan bij de internationale financiële markten. Van oudsher zien economen de financiële sector als een geoliede machine, dienstbaar aan de reële economie, zich beperkend tot het maken van sommen en zich neerleggend bij de uitkomsten daarvan (Robinson (1953): 'Where enterprise leads, finance follows’). Dit beeld van een perfect werkende financiële markt is in de jaren '70 wiskundig geformaliseerd (Fama’s efficiënte markthypothese, 1970 en Sargent en Wallace’s policy ineffectiveness proposition, 1976_)._ Het gevolg was vanaf de jaren '70 het verdwijnen van wet- en regelgeving. Het gevolg is het gebrek aan bestuurlijke daadkracht van vandaag (Minister van Financiën de Jager deze week in het FD op de vraag of hij na de euro ellende nog steeds 'bijna van zijn geloof is afgevallen dat markten rationeel zijn’: 'Ik blijf bij dat “bijna”. Ik ben er nog steeds over aan het nadenken.’).

De financiële sector blijft daardoor een goudmijn, de manier om te profiteren van menselijke zwakheden als gierigheid, kortzichtigheid, angst en zelfoverschatting. Wat zijn de belangrijkste gaten in de ideologie? In de eerste plaats zijn de sommetjes geen simpele rekenkundige exercitie, maar vereisen ze tal van veronderstellingen. De onzekerheden zijn groot als het gaat om het bepalen van toekomstige kosten en cash flows. Een probleem dat des te groter is als we dingen anders gaan doen (bijvoorbeeld duurzamer) die pas op de lange termijn iets opbrengen. Shleifer en Vishny (1990) laten met hun 'costly trade theory’ zien dat het mogelijk is nu winst te maken door de toekomst te negeren (bv. risico op instorten van een huizenmarkt, of failliet gaan van een land).

Daarnaast is degene die de investeringsbeslissing neemt zelden degene van wie het geld is. Kort na de Tweede Wereldoorlog was 90% van de aandelen in de VS in handen van particulieren. Nu domineren institutionele beleggers de markt. Tussen kapitaaleigenaar en ondernemer zit een dikke en dure laag van pensioenbestuurders en (fonds)managers. De financiële sector is een web van principal-agent relaties, van aannemers die hun informatievoorsprong benutten om vooral zichzelf te bedienen (Bogle, 2006). Aan het begin en eind van die keten staat de individuele spaarder en consument. Deze lijkt in niets op de goed geïnformeerde rationele marktpartij uit de economische modellen (FSA 2009).

Het zure is dat kritiek op het theoretische fundament van de vrije marktideologie al sinds de jaren '70 volop aanwezig is. Toen werkten Nobelprijswinnaars als Sen en Kahnemann aan hun kritiek op de aanname van een rationele homo economicus. Kritiek die leidde tot de opkomst van de 'behavioural finance’ (Shiller 2003, Barberis en Thaler, 2002, Tuckett, 2009).

Het meest overschatte probleem? Dat beleidsmakers de marktpartijen teveel voor de voeten lopen.


Lees ook een artikel dat Rens van Tilburg eerder voorDe Groene Amsterdammerschreefof bekijk zijn pagina bij de Adviesraad voor het Wetenschaps en Technologiebeleid