TONEEL

Repertoire

De kersentuin

Wat gebleven is: de mannen gaan vlak voor de voorstelling op het toneel in bad, in grote zinken kuipen. In eerdere versies van de voorstelling gingen in mijn herinnering alleen Gajev en zijn oude knecht Fiers (Jan Joris Lamers en Matthias de Koning) de tobbes in, maar misschien klopt dat niet, de herinnering speelt immers méé in de voorstelling. Hoe het ook zij, alle jongens worden gebaaien, behalve de jongen die geen jongen speelt maar een meisje.
Wat ook gebleven is: de toonhoogte waarop het centrale personage van Tsjechovs Kersentuin, Ljoebov Ranjewskaja, (Annet Kouwenhoven) zichzelf corrigeert: meestal fladdert haar ijle dictie in de hoge toonsoorten van het naïeve meisje dat zij - zo houdt ze zichzelf én ons steeds voor - altijd, heus waar, echt wel, gebleven is. Maar als het verzenuwde klimaat op haar in staat van ondergang verkerende landgoed Ljoebov noopt tot zeldzame uitbarstingen van zelfkennis (‘ja, wij hebben het hier ook erg leuk’), dan zakt haar stem octaven naar dat van een bevroren alt. De dictie wordt ook snijdend. Ze kan uitvallen als een vals secreet, maar in de doorgecomponeerde delen van haar taalgebruik is iedereen 'schatje-voor’ en 'lieverdje-achter’. Het is het type comédienne waar Tsjechov dol op moet zijn geweest en dat hij tegelijkertijd hoofdschuddend kon observeren.
Door de zuiverheid van het spel in deze Kersentuin van de Belgisch-Nederlandse Repertoire Vereniging De Vere (Maatschappij Discordia, ’t Barre Land en De Roovers in deze aflevering) wordt op de eigenaardigheden van de situaties en personages uit het stuk een kristalhelder licht geworpen, zodat details zichtbaar worden die je anders ontgaan. Het dédain bijvoorbeeld waarmee de babbelende would-be aristocraat Gajev de omhooggevallen koopman en kersentuinversnipperaar Lopachin (Jorn Heijdenrijk) bekijkt en van commentaar voorziet. Meteen in de eerste acte is het raak. Gajev: 'Wat ruikt het hier naar patchouli’, wat ongeveer neerkomt op: kan die meneer met die foute deodorant de kamer uit? Maar dan net even sjieker. Als Gajev ons mededeelt dat hij op een bank gaat werken, ben je meteen geneigd te denken: ach gossie, lieve man, doe dat nou niet!
Ik beken het ruiterlijk: aangedaan heb ik naar De kersentuin zitten kijken, geraakt ook in de meervoudige betekenis van dat woord. Dit gave en op ijle hoogten dansende toneelspel is ons door boekhoudersgespuis, dat de volgelingen van de Geblondeerde Gedoger van Grauw I tegenwoordig aanduiden als 'cultuurbobo’s’, zo'n elf jaar lang onthouden. Ironisch en hoopgevend is het dat dit herlevende repertoire juist in barre tijden weer kan. Het is zo'n ongekend godsgeschenk dit werk terug te zien. Het is zoals de toneelmakers zelf schrijven in hun onopgesmukte programmavel: 'U had de stukken al gezien. U kende ze, dacht U. Maar U kwam toch. En het was anders dan U dacht.’ De basis van de enscenering is immers gebleven, hier bijvoorbeeld de mise-en-scène rondom de oude kast, maar de accenten zijn veranderd, doordat de bezetting een kleine slinger de ene of de andere kant uit krijgt. Als we op de tribune aan het begin van de vierde acte een toost uitbrengen op wie blijven en wie weggaan en we krijgen na de eerste slok vanaf de speelvloer via de Tsjechov-tekst te horen dat dit écht geen echte champagne is, dan zindert dat als een in hoge mate gezamenlijke beleving, aan beide zijden van het (ditmaal) afwezige voetlicht. De napret van de avond luidt: dit wordt nog tot in lengten van jaren vervolgd. Yes!

Raadpleeg voor het repertoire van De Vere de agenda’s en websites van de participerende thea-ters, zoals Frascati in Amsterdam, Grand Theater in Groningen, Kikker in Utrecht, Toneelschuur in Haarlem, Monty in Antwerpen, Schouwburg in Rotterdam