Ger Groot

Representatie

Op de kandidatenlijst van de pvda staan mannetjes en vrouwtjes keurig om en om en is er zelfs gewaakt over een evenredige vertegenwoordiging van de provincies. Het rechtvaardigheidsgehalte van deze representatieve volksvertegenwoordiging, waarin voor de partij de democratie pas werkelijk lijkt te zijn aangebroken, lijdt nogal onder de willekeurigheid ervan. ‘Representatief’ is de volksvertegenwoordiging immers in veel meer opzichten nauwelijks. Oud-ambtenaren zijn bovenmatig vertegenwoordigd, ondernemers met een kaarsje te zoeken, net als bejaarden en de enorme meerderheid die geen hogere opleiding heeft. De vraag waarom het geslachts- (en nu geografische) criterium wél en de andere niet van belang moeten worden geacht, is nog nooit bevredigend beantwoord. Het ‘rits-systeem’ hinkt dan ook ongemakkelijk op twee betekenissen van het woord ‘representatief’, dat het stilzwijgend opvat als een analogie van de uitdrukking ‘een representatieve steekproef’.

Daar begint het met het democratisch bestel echter meteen te wringen. Want wie een representatieve groep van 150 Nederlanders bij elkaar wil krijgen, kan beter (en goedkoper) Maurice de Hond inhuren dan verkiezingen organiseren. In die laatste is een ander soort representatie aan de orde. Wat een volksvertegenwoordiger belichaamt zijn belangen, ideeën en visies, op dezelfde wijze als een advocaat dat doet voor zijn cliënt. Een dergelijke representatie eist geen overeenkomst tussen het wezen van de een (de kiezer) en de ander (de parlementariër). De laatste moet ter wille van de eerste alleen zo goed mogelijk zijn stem verheffen.

Het Frans-republikeinse bestel, waarvan onze staatsorde de erfgenaam is, heeft tussen die twee vormen van representatie altijd scherp onderscheiden en de idee losgemaakt van de persoon. De laatste decennia is dat echter in toenemende mate ondermijnd door de gedachte dat een vertegenwoordiger de behoeften van zijn kiezer pas werkelijk kent wanneer ze ook de zijne zijn. Drijvend op de idee van groepsidentiteit en cultuurrelativisme drong zich vanaf de jaren zestig steeds meer de gedachte op dat mensen alleen door hun eigen gemeenschap en lotgenoten werkelijk begrepen worden. Blanken hebben geen gevoel voor zwarten, mannen niet voor vrouwen, jongeren niet voor ouderen en Noord niet voor Zuid: die overtuiging zette een zware domper op het verlichte vertrouwen in de universele menselijke communicatie. Ze ging gemakkelijk gepaard met apartheidsdromen, waarin elke groep zich vooral op zichzelf richtte – veelal onder progressieve vlag. In werkelijkheid wortelde die gedachte veeleer in de romantische overtuiging dat een mens onlosmakelijk verbonden is met het eigene van volk, groep en sekse dat zijn wezen vormt en stuurt.

Hoe plausibel dat ook klinkt, de implicaties ervan zijn nogal onheilspellend. Ze stellen paal en perk aan de verbeeldingskracht die de particuliere en eigen situatie nu juist overstijgen kan en daarin toegang vindt tot de ander – of tot een overkoepelend ‘gemeen’. De vrijheidsbeperking die iemand tot zijn groepskenmerken veroordeelt, leidt uiteindelijk ook nog eens tot een solipsisme, want strikt genomen vormt ieder kenmerk dat een mens bezit een barrière jegens diegenen die dat missen. Het totaal van zijn wezenstrekken dat iemand tot déze individuele persoon maakt, scheidt hem uiteindelijk dus van alle andere mensen om hem heen. Existentieel zal menige somberling zich in dat laatste wel herkennen, maar de politiek (waarin het nu eenmaal om het gemeen gaat) kan er moeilijk mee uit de voeten. Vandaar dat zij de voorkeur geeft aan een soort van romantiek-light, waarin slechts een paar particularismen ertoe mogen doen en hun keuze vooral wordt bepaald door mode en lobbywerk. Opvallend is in ieder geval dat de ‘heffe des volks’, die niet weet te lobbyen en nooit in de mode is, niettegenstaande haar numerieke overwicht nog altijd opvallend ontbreekt in de volksvertegenwoordiging. Toen zij er, in het kielzog van Fortuyn, kortstondig haar intrede maakte, zat de schrik om zoveel vulgariteit er onmiddellijk goed in – en ging het vervolgens op voorspelbare wijze fout.

De gedachte dat een kiezer zich laat vertegenwoordigen door iemand die anders is dan hijzelf – bijvoorbeeld omdat hij beter spreekt, een hogere opleiding heeft, intelligenter is of harder werkt – is voor een democratie dan ook belangrijker dan de idee van een afspiegeling van het volk in al zijn wezenskenmerken. Dat een veelkleurig, dubbelgeslachtelijk en geografisch gespreid parlement een aantrekkelijker aanblik biedt, staat buiten kijf, maar met democratie heeft dat minder te maken dan met marketing.

Conform de tijdgeest plooit de kieswetgeving zich alom echter steeds meer naar dat laatste, zelfs in Frankrijk, dat ooit het land van de staatkundige helderheid was. Dat de nieuwe regels van voorgeschreven lijstvolgorde de vrijheid van de kiezer eerder aan banden leggen dan dat zij deze eerbiedigen, is dan nauwelijks meer verwonderlijk. Wie de volksvertegenwoordiging wil omvormen tot een representatief forum, kan de leden ervan het best direct laten benoemen.