Reprise

Mijn vorige zomer stond in het teken van het eeuwfeest van de film. Het honderdste jaar is nu gaande, met of zonder feest, en daar hoeft niet meer naar uitgekeken te worden. De zomer is er om vooruit te denken aan de komende winter en dan valt er weer iets te vieren. Het Rotterdamse filmfestival zal zijn vijfentwintigste editie beleven en daarbij zal weer worden teruggekeken op een stukje filmgeschiedenis. Als de plannen doorgaan, brengt Rotterdam naast zijn vijfentwintigste festival ook zijn volledige eerste festival in reprise. De omvang van dat eerste festival was nog heel bescheiden, zodat het als een bijprogramma in het huidige volumineuze festival kan worden opgenomen. De gedachte achter de complete reconstructie van een festival is dat hiermee ook de films die zijn vergeten weer in het zicht kunnen worden gebracht. Misschien kan een film die de tand des tijds niet heeft doorstaan nog wel beter vertellen wat er de laatste kwart eeuw binnen de filmcultuur is veranderd dan een nu nog regelmatig gezien meesterwerk.

In dat eerste festival waren vroege films te zien van Rainer Werner Fassbinder, Philippe Garrel, Steve Dwoskin, Wim Wenders, Peter Bogdanovich, Carlos Saura en Werner Schroeter. Maar dat zijn films die zich min of meer van hun tijd hebben losgemaakt. Niet dat ze zich hebben onttrokken aan de tijdgeest, maar het zijn films die zoveel in huis hebben dat ze ook nu nog aanspreken. Dat valt minder te verwachten van een film van ene John Whitmore, die geen enkel spoor in de filmgeschiedenis achterliet. Maar zijn documentaire portret van een modieuze Californische instelling voor psychotherapie, het Esalen Institute, zou wel eens een curieus tijdsdocument kunnen zijn. Bij de toenmalige filmkritiek riep de film de nodige wrevel op, maar dat zou nu heel anders kunnen liggen. Om dat met zekerheid te kunnen vaststellen, moet Whitmores Here Comes Everybody wel gelokaliseerd worden. Curieuze films worden nu eenmaal minder zorgvuldig bewaard dan verklaarde meesterwerken. Ook nog niet boven water is Guerilla’s of the Arabian Gulf van een groepje regisseurs onder aanvoering van Jimmy Vaughen. Misschien gaat het hier om een politiek pamflet dat na de waan van de dag aan ieders aandacht is ontsnapt. Maar misschien heeft het ons toch nog iets te vertellen. De activistische producent Vaughen is omgekomen bij een verkeersongeluk in Cannes tijdens het meest mondaine en minst activistische aller filmfestivals.
Zeker wel te zien en zeker ook het aanzien waard is Coup pour Coup. Ook een groepsprodukt, gemaakt met behulp van een activistische producent, in dit geval Marin Karmitz. Karmitz is momenteel een geslaagde en machtige producent en distributeur die zich ver verwijderd heeft van zijn aanvankelijke links-politieke drijfveren. Daar staat hij natuurlijk niet alleen in. Het eerste Rotterdamse festival bevatte nog veel meer politieke pamfletten en het is opmerkelijk hoe gewoon dat indertijd werd gevonden. Het Franse filmcollectief Medvedkine bracht een film over een staking bij Peugeot naar Rotterdam. Hun Weekend Sochaux werd heel goed ontvangen en niemand stoorde zich kennelijk aan de bewust anti- esthetische houding. Het idee dat arbeiders heel goed zichzelf kunnen filmen, sterker nog, dat alleen arbeiders arbeiders kunnen filmen, wekte nauwelijks weerstand. Veel filmmakers verdwenen in de anonimiteit van een groep, zoals de Amerikaanse Newsreel Group, en maakten films die snel daarna werden verwaarloosd. Vanwege hun anonimiteit verdwenen ze uit oeuvres en filmografieen. Filmarchieven hadden er niet veel oog voor en de groepen zelf vielen te snel uiteen om zich om hun erfenis te kunnen bekommeren. Misschien is dat ook niet erg, maar je weet maar nooit. Van het heel vroege filmmateriaal zijn de utilitaire documentaire beelden ook vaak het meest fascinerend. Het is niet uit te sluiten dat een haastig gemaakt politiek filmje van vlak na 1968 ooit wordt uitgeroepen tot weergaloos tijdsbeeld. Maar dan moet je het eerst wel kunnen zien. En daar kun je zo op een zomerdag je hoofd over breken.