KUNST

Republiek!

Koninklijk Paleis op de Dam

Bij gelegenheid van haar zilveren regeringsjubileum bood de hoofdstad koningin Beatrix een concert aan op de Dam. Burgemeester Cohen heette de majesteit toen heel ondeugend welkom ‘in de Republiek Amsterdam’. De koningin glimlachte. Achter de burgemeester kon zij het regeringscentrum van die republiek zien staan, het trotse stadhuis van Jacob van Campen; daar zit niet de burgemeester, maar haar koninklijke tochus op het kussen. Dat is zo sinds Lodewijk Napoleon het gebouw vorderde en inrichtte. Daarna wist niemand beter dan het te gebruiken als pied-à-terre voor de Oranjes. Ze kwamen er zelden. In 1936 is het gebouw aan het Rijk verkocht. Over die situatie maakt niemand zich meer druk, en dat is eigenlijk bizar.
Het stadhuis van Amsterdam is, sinds het in 1655 werd ingewijd, een Gesamtkunstwerk dat zijn gelijke in de wereld niet kent. Het stadhuis belichaamt ‘de Ware Vrijheid’ van het Stadhouderloos Tijdperk. Het demonstreert in architectuur en decoratieprogramma een klassieke opvatting over orde en harmonie in de (stads)staat, een volledig seculier en volledig republikeins ideaal. Aan de burgemeesters, schepenen en raadsleden worden in woord en beeld (schilderijen van Flinck, Bol, Lievens, Jordaens en De Wit, beeldhouwwerken van Quellien en Verhulst, epigrammen van Vondel) de grote mannen uit de Romeinse republiek ten voorbeeld gesteld. De consul Marcus Curius Dentatus, die liever rapen eet dan zich te laten omkopen. Consul Marcus Fabius, die zijn vader dwingt af te stijgen ‘voor Stads eer en achtbaarheid’, ook al was die vader een fameuze generaal, die in triomf terugkeerde uit de krijg, getooid met hermelijnen mantel. Dat was symboliek die in 1655 heel actueel was. Vijf jaar eerder had stadhouder Willem II geprobeerd de stad met geweld te overmeesteren. Dat was mislukt, maar de woede over de aanslag zat diep, bij de Amsterdammers: ‘Geen adel, maar een schelm/ heeft lust de Kroon der steden/ Te trappen met den hoef’, schreef Vondel. De republiek Amsterdam erkende daarna geen erfelijk gezag, geen hermelijn, geen dynastieke pretenties, zeker niet die van de Oranjes.
Het ideologische programma van het Stadhuis wordt door de koninklijke bewoning goeddeels aan het oog onttrokken. De grote restauratie van de laatste jaren heeft dat alleen nog maar versterkt: het stadhuis is nu nóg meer paleis geworden dan het al was. Het ziet er waanzinnig mooi uit, dat moet gezegd. De expertise van de beheerders van de collecties van het Koninklijk Huis is fenomenaal, de zorg voor meubilair en kunstwerken heeft zijn gelijke niet in het land, de restauraties zijn voorbeeldig uitgevoerd – en men heeft verdorie nog smaak ook. Het kost wat, dat Koninklijk Huis, maar dan heb je ook wat.
Koningin Juliana had nog het idee dat zij het gebouw eigenlijk in bruikleen had. Zij bepaalde dat het open moest zijn voor het publiek en dat er ’s zomers een tentoonstelling moest worden gehouden. Onder Beatrix is die toegankelijkheid verminderd. Het stadhuis is van Haar, en wij zullen dat weten. Wij krijgen Haar er niet meer uit. Vaarwel Ware Vrijheid: het paleis is verworden tot een monument voor de gestaag groeiende invloed van de Oranjes in stad en land.

Het Koninklijk Paleis op de Dam, Amsterdam, www.paleisamsterdam.nl