De teloorgang van de Republiek Nauru

Republiek te koop

De Australische premier Kevin Rudd stopt met het onderbrengen van asielzoekers op Nauru. Deze piepkleine republiek kan de vergoeding die het daarvoor krijgt niet missen. Het eiland is bijna bankroet. Het enige wat nog te koop is, is zijn soevereiniteit – en stem.

Het zijn echte quizvragen: wat is de kleinste republiek ter wereld? Wat is het land met de meeste postkantoren per hoofd van de bevolking? Het antwoord is steeds: Nauru, een koraaleiland in de Stille Oceaan, gelegen pal op de evenaar. Zelden was de term middle of nowhere meer van toepassing. Het dichtstbijzijnde eiland – Ocean Island – ligt driehonderd kilometer verderop; de dichtstbijzijnde mensen wonen op Honiara (1200 km) en Suva (2300 km). Australië is drieduizend kilometer ver. De tienduizend Nauruanen zijn aangewezen op de krap 21 vierkante kilometer grond van het eiland zelf.

Op 31 januari vierde de Republiek Nauru haar veertigjarig bestaan. Een uitbundig feest was het niet. Nauru en veel andere Small Island Developing States in de Stille Oceaan zijn er slecht aan toe. De staatjes kampen met watertekort, vervuiling en gebrekkige publieke voorzieningen en ze worden bedreigd door klimatologische veranderingen.

De levensverwachting op Nauru ligt niet veel hoger dan zestig jaar. Meer dan vijftig procent van de bevolking lijdt aan diabetes en obesitas, vooral dankzij een dieet van geïmporteerde conserven, corned beef, chips en bier. Van de inheemse cultuur is niets over. De werkloosheid bedraagt negentig procent. De aanhoudende droogte wordt in direct verband gebracht met het leeg gemijnde koraal. Volgens sommigen warmt het stenige binnenland zo snel op dat de wolken boven het eiland worden verjaagd voor er regen uit kan vallen.

Het bestaan van dit soort kleine staatjes is het gevolg van de dekolonisatie. Van de laatste 24 staten die toetraden tot de Verenigde Naties – de voormalige Oostbloklanden niet meegerekend – hadden er zeventien minder dan vijfhonderdduizend inwoners, en tien zelfs minder dan honderdduizend. Volgens politicoloog Robert Jackson is in deze ministaatjes soevereiniteit vaak ‘legal fiction’. Daadwerkelijke bestuurskracht ontbreekt. Omdat ze niet in staat zijn sociale voorzieningen en welvaart voor de eigen bevolking te creëren, blijven ze afhankelijke quasi-staten, die alleen door ‘international courtesy’ overeind blijven.

Voor Nauru bestond deze international courtesy de laatste jaren uit de Australische Pacific Solution. In 2001 liet de toenmalige premier John Howard het Noorse vrachtschip Tampa, onderweg naar Australië met aan boord 438 vluchtelingen, doorvaren naar het Integration Processing Centre op Nauru, dat voor de opvang van de asielzoekers aanzienlijke financiële compensatie ontving. Nauru was daarna herhaaldelijk in het nieuws vanwege de erbarmelijke omstandigheden die in het opvangcentrum heersten. Er waren hongerstakingen, asielzoekers naaiden hun mond dicht. Met het aantreden van premier Kevin Rudd, eind 2007, is het einde van de Pacific Solution daar. Rudd kondigde vorige week de ontmanteling van de vluchtelingenkampen aan. Voor Nauru betekent dat een inkomstenbron minder. Terwijl het land vrijwel bankroet is.

Dat was ooit anders. Dertig jaar geleden had Nauru eventjes het hoogste bnp per capita van de wereld, op Saoedi-Arabië na. De trekvogels die Nauru sinds miljoenen jaren als sanitaire tussenstop gebruikten hadden het binnenste van het eiland voorzien van een dikke laag fosfaat, een belangrijke grondstof voor kunstmest. Toen de fosfaatprijzen in de jaren zeventig van de vorige eeuw explodeerden, werd Nauru schatrijk. Dat had een prijs: door de fosfaatwinning in open mijnen zou het eiland tegen het jaar 2000 in één grote krater veranderen – maar de Nauruanen zouden tegen die tijd allemaal in Australië wonen, ieder met een vermogen aan fosfaatgeld op zak, welvarende burgers van een niet meer bestaand land.

De fosfaatexport kwam in 1907 onder Duitse heerschappij op gang. Na de Eerste Wereldoorlog gingen het beheer van het eiland en de fosfaatwinning over in handen van Groot-Brittannië, Australië en Nieuw-Zeeland. De British Phosphate Commission verkocht het fosfaat voor een fractie van de wereldmarktprijs aan de eigen boeren, een situatie die tot de onafhankelijkheid zou voortduren. Toen de Republiek Nauru in 1968 uiteindelijk een feit werd, waren de prijzen op wereldmarktniveau gebracht, en daarmee was Nauru meteen een rijk land. Bewoners betaalden geen belasting. Elektriciteit, onderwijs en medische zorg waren gratis. Wie serieuze medische behandeling nodig had, werd met een vliegtuig van Air Nauru gratis naar Australië gevlogen. Dankzij genereuze uitkeringen van de Nauru Phosphate Royalties Trust had de gemiddelde Nauruaan twee tot drie auto’s tot zijn beschikking om – met gratis benzine – eindeloos rondjes te rijden op de 29 kilometer asfalt die het eiland telde. Voorzover zij werkten, was dat als lid van een of ander vertegenwoordigend of bestuurlijk orgaan. Het parlement telde achttien leden, op nauwelijks tienduizend inwoners. Op den duur was meer dan een derde van de bevolking ambtenaar. Deze absurde participatiegraad ging overigens hand in hand met cliëntelisme en opmerkelijke politieke instabiliteit: Nauru telde in de afgelopen dertig jaar maar liefst 25 presidentswisselingen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de fosfaatrijkdom binnen enkele decennia verdampte. In de jaren zeventig deed Nauru op grote schaal vastgoedinvesteringen in de VS en Australië, veelal tegen buitensporige prijzen. Het kleine eiland werd slachtoffer van duistere adviseurs. Zo verdween ruim drie miljoen dollar in een geflopte Engelse musicalproductie over het liefdesleven van Leonardo Da Vinci. Toen in de jaren tachtig de fosfaatprijzen daalden, de export terugliep en return on investments uitbleef stapelden de problemen zich op. Uiteindelijk werd vrijwel de hele investeringsportefeuille beleend. Zelfs Nauru House, het kolossale kantoorpand in Melbourne waar de Nauruaanse politici trots residentie hielden (in de volksmond bekend als Birdshit Tower) moest eraan geloven.

Vervolgens ontpopte Nauru zich tot een offshore belastingparadijs. Naar verluidt werd alleen al in 1998 zo’n zeventig miljard dollar aan Russisch maffiageld witgewassen. In 2001 werd Nauru door de Financial Action Task Force on Money Laundering van de G7 (fatf) op de zwarte lijst geplaatst. Ook begon Nauru in de jaren negentig systematisch paspoorten te verkopen. De uitgifte werd uit handen gegeven aan een commercieel bedrijf, Trans Pacific Development Company. Via dit bedrijf kwamen paspoorten terecht bij witwassers, smokkelaars en terroristen. Enkelen daarvan zouden bij de aanslag in Bali betrokken zijn. Toen in 2001 de Patriot Act van kracht werd, was Nauru een van de eerste landen die als ‘schurkenstaat’ werden bestempeld.

Inmiddels heeft die schurkenstaat onder internationale druk ingebonden. President Bernard Dowiyogo zou – toen hij in februari 2003 op staatsbezoek in de Verenigde Staten tijdens het nuttigen van een overdadige Chinese maaltijd een hartaanval kreeg – op zijn doodsbed een overeenkomst hebben getekend waarin hij officieel een einde maakte aan offshore banking en de paspoortverkoop. In oktober 2005 werd Nauru afgevoerd van de zwarte lijst van de fatf. Maar daarmee waren de problemen nog niet opgelost.

In 2004 stelde Nauru zich in het kader van de Pacific Solution de facto onder financiële curatele van Australië. Een Australische minister stelt de Nauruaanse begroting op. Maar de mogelijkheden voor het doen herleven van de economie zijn beperkt. Sommige initiatieven waren ronduit absurd, zoals het plan van Dowiyogo om de koraalsteen uit de mijnen af te zagen, te polijsten en vervolgens in het Westen als koffietafels te verkopen. Toerisme lijkt op een tropisch eiland als Nauru een voor de hand liggende strategie, maar de bevolking staat niet bekend als uitgesproken gastvrij. Openbare dronkenschap en kleine criminaliteit zijn – als gevolg van de verveling – schering en inslag. Het desolate mijngebied in het hart van het eiland werkt ook niet mee. Het koraalrif is door de mijnbouw afgestorven en op sommige plaatsen zo scherp dat zwemmen gevaarlijk is. In arren moede is de suggestie geopperd om de mijnen zelf dan maar tot ecotoeristische trekpleister te bombarderen, een huiveringwekkend en stichtend voorbeeld van een verziekt milieu.

Uiteindelijk heeft Nauru nog één echte asset: haar soevereiniteit. De merchandising daarvan brengt nu al geld in het laatje, door de verkoop van satellietrechten, postzegels en telefoonlijnen, maar in de verschuivende machtsverhoudingen van de Pacific is vooral de stem die Nauru in internationale organisaties heeft waardevol. Zo stemde Nauru in de International Whaling Commission (iwc) vóór de uitbreiding van de walvisvangst, in ruil voor Japanse financiële steun. De republiek onderhield goede relaties met Taiwan, maar in 2002 veranderde ze van gedachten en knoopte betrekkingen aan met China – dat doorkwam met zestig miljoen dollar steun. In mei 2005 kwam Nauru op de Taiwan-beslissing terug, waarna China de relaties weer verbrak en Taiwan hulp toezegde op het gebied van landbouw, visserij en toerisme.

De Nauruanen zijn de enigen niet die hun soevereiniteit zo uitbaten. De Republiek Kiribati (105.000 inwoners) verpachtte haar visrechten aan Japan en Taiwan en verhuurde een compleet eiland, Kiritimati, aan Japan voor de bouw van een spaceport ten behoeve van Japans eigen spaceshuttleprogramma, Hope-X.

Ook het Koninkrijk Tuvalu zou zijn stem in de iwc in 2006 aan Japan hebben verpatst in ruil voor economische steun. Tuvalu is het kleinste lid van de Verenigde Naties. Qua oppervlakte is Tuvalu net iets groter dan Nauru (26 vierkante kilometer), maar na het Vaticaan is het het dunst bevolkte land ter wereld (negenduizend inwoners). De inwoners rekenden zich aanvankelijk rijk door de verkoop van hun internetdomein (.tv) aan een Canadees consortium, maar de opbrengst daarvan viel tegen. Nu overleeft Tuvalu dankzij een steunfonds dat door Australië, Nieuw-Zeeland en het Verenigd Koninkrijk werd geformeerd en door Japan en Zuid-Korea is uitgebreid tot 35 miljoen dollar.

De zeespiegelstijging zal alle eilanden van Tuvalu de komende decennia langzamerhand onbewoonbaar maken, al zegt de regering dat een besluit tot evacuatie naar Nieuw-Zeeland of Fiji voorbarig is. Twee onbewoonde eilanden in de Kiribati-archipel, Tebua Tarawa en Abanuea, zijn in 1999 al onder water verdwenen.

De toestand van Nauru blijft onverminderd penibel. Inmiddels wordt onderzocht of de fosfaatwinning opnieuw kan worden opgepakt – voortgeschreden techniek zou fosfaatwinning op grote diepte mogelijk maken. Het is een desolaat, bijna weemoedig plan.