Media

Reputatieschade

‘De media zijn geen waakhond meer, maar gedragen zich als jachthonden’, schreef een lezer begin januari 2010 op de website van NRC Handelsblad. Aanleiding voor haar verzuchting was een debat over de manier waarop de media de botsingen tussen Marokkaanse en Molukse jongeren in de wijk Terweijde in Culemborg hadden verslagen.

Wat begon met wat berichten in De Gelderlander over spanningen in de wijk en het voornemen van de gemeente om extra politie in te zetten, liep na een onrustige Oudejaarsavond uit op een media event van de eerste orde. Nederland was in rep en roer, er vielen termen als warzone, terreur, oorlog en rassenrellen, terwijl het Algemeen Dagblad zijn lezers de vraag voorlegde of het leger moest worden ingezet - meer dan een derde van de deelnemers aan de poll antwoordde daarop bevestigend.
Het was een typisch geval van een mediahype. Aanhoudende berichten over overlast door Marokkaanse jongeren hadden daarvoor een rijke voedingsbodem gelegd, vanaf de zwembadincidenten in de jaren negentig, de reacties in Ede op 9/11, de dood van een man op een parkeerplaats in Venlo, de moord op Theo van Gogh en het weggepeste echtpaar in de Amsterdamse Diamantbuurt tot de breed uitgemeten spanningen in Gouda, twee jaar eerder. Tegen die achtergrond bleek een incident op die bewuste Oudejaarsavond voldoende om alle signalen op rood te zetten. Een hype was geboren. Het peloton journalisten dat neerstreek in Culemborg wilde vooral antwoorden op simpele vragen, zou journalist en oud-NVJ-voorzitter Kees Schaepman later in een analyse schrijven. Om eraan toe te voegen dat veel van de antwoorden die ze gaven waren ingegeven door gemakzucht, onkunde, gretigheid en simplisme. Pas later kwamen de eerste genuanceerde verhalen.
Wat gevallen als Culemborg of Gouda, maar ook andere kwesties, zoals de incidenten rond tbs-verloven, ontuchtzaken en examenfraudes, met elkaar verbindt, is het paniekerige karakter, de neiging tot overdrijving en overschatting in de berichtgeving, al is het moeilijk daarvoor een objectieve maatstaf te geven, zoals de Amsterdamse mediasocioloog Peter Vasterman tien jaar geleden al eens scheef. Hypes zijn bovendien minder het gevolg van kwade opzet, opruiing of bewuste stemmingmakerij dan een logische uitkomst van een dynamisch proces - een proces dat rechtstreeks raakt aan de aard van de journalistiek zelf. ‘Nieuws’ is immers geen objectieve categorie; het feit dat bepaalde onderwerpen op een bepaald moment in de belangstelling staan, kan zelfs futiele details nieuwswaardig maken. Daarbij komt dat de omloopsnelheid van het nieuws de laatste jaren enorm is toegenomen.
Ontevreden werknemers, politici, concurrenten, aandachtzoekers en andere partijen die weten hoe het balletje rolt, kunnen hier gemakkelijk op inspelen. Als het proces eenmaal in gang is gezet, is het voor de partij die onder vuur ligt - een bedrijf, een ziekenhuis, een crècheleiding of een particuliere persoon - uitermate moeilijk het tij nog te keren, zelfs wanneer de berichtgeving er volledig naast zit.
Wanneer een hype woedt, schiet de waarheid als tegengif te kort, omdat niet de regel (het gaat goed) maar de uitzondering (het gaat fout) nieuwswaardig is. Een journalist die zijn werk goed doet, bronnen natrekt en er zo achterkomt dat een gehypt bericht inderdaad eenzijdig dan wel overdreven of zelfs een canard is, zal allicht besluiten de kwestie maar te laten liggen. Met als resultaat dat vervolgens alleen het foutieve of onvolledige bericht blijft circuleren, vaak in versimpelde vorm, omdat gratis kranten, radio- en televisieprogramma’s en vooral websites goeddeels verstoken zijn van een eigen professionele nieuwsredactie en vaak kritiekloos herhalen wat ze in andere media vinden. Shocklogs als GeenStijl doen er bovendien graag een schepje bovenop.
De opmars van de zo vermaledijde spindoctors en voorlichters is een natuurlijk bijproduct van deze ontwikkelingen. De logica die hypes produceert, houdt immers een permanente bedreiging in, óók voor instellingen en personen die niets te verbergen hebben en het helemaal niet verdienen om publiekelijk te worden afgebrand. Reputatieschade is vaak onherstelbaar - 'waar rook is, is vuur’ - en kan jaren werk in één klap vernietigen. Zo bezien dragen journalisten een zware verantwoordelijkheid. Uit onderzoek blijkt dat affaires, ook als ze hun oorsprong vinden op het web, pas in wisselwerking met de serieuze media uitgroeien tot echte schandalen en hypes.
De professionele journalistiek functioneert dus nog altijd als sluiswachter - om het nieuws te vrijwaren van de wraakzucht van voormalige echtgenoten en ontevreden werknemers, de afgunst van concurrenten, de kwaadaardigheid van persoonlijke tegenstanders en het raffinement van politieke groeperingen. Hoe hoog de prijs is van een onbelemmerde werking van de ijzeren logica van de hype, laten de voorverkiezingen in de Verenigde Staten zien.