Requiem

Luister en huiver, zo houdt Louis Andriessen zijn publiek in De laatste dag voor. Dit eerste deel uit de gelijknamige Trilogie van de laatste dag, die ter ere van de duizendste Matinee op de vrije zaterdag in première ging, doet in die zin het meest denken aan een traditioneel requiem: de dood wordt voorgesteld als een huiveringwekkende en onontkoombare kracht. In het voor hem zo typerende idioom van eenvoudige unisono-motieven, klievende akkoorden, scherp metaal in de instrumentatie en een volkomen dichtgeplamuurd klankweefsel, geeft Andriessen dit gevoel van ontzetting weer. Als luisteraar word je geconfronteerd met een reusachtig monstrum dat meedogenloos op je af dendert.

Verrassend en nieuw is daarentegen het gebruik van contrasten. Tegenover deze angstaanjagende machinerie staat een heldere kwetsbare jongenssopraan die een oud-Hollands liedje met een bizarre tekst over een pratend doodshoofd zingt. Ook Andriessen zelf erkent dat dit een nieuw fenomeen in zijn werk is. In de film Tao, die Frank Scheffer over Andriessen maakte, legt hij uit hoe hij onder invloed van het minimalisme altijd voor extremiteiten heeft gekozen. Deze trilogie is echter helemaal gebaseerd op contrasten.
Dat geldt ook voor de keuze van teksten. Vertegenwoordigt het eerste deel een vrij romantische opvatting over de dood, deel twee, Tao getiteld, benadert de dood vanuit een oosterse zienswijze. Een houding waarbij de dood niet alleen gerelativeerd maar ook geaccepteerd wordt (‘omdat we het leven overmatig in stand willen houden’).
Tao is speciaal geschreven voor de pianiste Tomoko Mukaiyama. Het hoogtepunt uit de hele trilogie is de reeks akkoorden waarmee zij haar solopartij opent. Het is een reeks kale, haast klankloze akkoorden die op een aangrijpende manier een gevoel van leegte en onthechting uitdrukken. De pianopartij is gebed in even ijle flageoletten van de strijkers, klankkleuren die doen denken aan de Symfonie voor losse snaren die Andriessen in 1978 schreef. In het tweede deel van Tao zingt Mukaiyama een Japans liedje waarbij zij zichzelf begeleidt op de koto. Het is weer zo'n moment van verstilling en breekbaarheid.
Het grappige van de drie delen van De laatste dag is dat ze drie houdingen ten opzichte van de dood weergeven die alledrie even goed bij Andriessen passen. De pathetiek uit het eerste deel wordt gevolgd door een notie van wijsheid in het tweede deel en besloten met een laconieke constatering in het derde deel. De tekst in Dancing on the Bones, gezongen door kinderkoor De Kickers, beschrijft op nuchtere toon welke kenmerken bij het intreden van de dood horen ('als het hart stilstaat verdwijnt de polslag. Je krijgt een grauwe, gele kleur, je benen en je tenen worden koud’). In deze uitbundige danse macabre buitelen de loopjes over elkaar, de tuba raakt haast aan het huppelen en hier en daar duiken jazzy motiefjes op. Het is een rechtstreekse lofzang op het leven: bruisend en beweeglijk. Maar een niet mis te verstaan klokgelui maakt duidelijk hoe laat het is.
Juist doordat de drie delen zo verschillend zijn, versterken ze elkaar en vormen ze een prachtig drieluik. En binnen het oeuvre van Andriessen is De laatste dag ongeëvenaard in expressiviteit.