DAS KAPITAL, DE FILM 

Requiem voor een gemankeerde revolutie

Alexander Kluge heeft Das Kapital van Karl Marx verfilmd. De film documenteert de taal, het gedachtegoed en de esthetiek van een voorbije generatie. Slechts af en toe ontsnapt de film aan de dwingelandij van het neomarxistische vertoog. Bijvoorbeeld wanneer de piepstem van Marx zelf te horen is.

BERLIJN – In de jaren zeventig, toen Nederland nog Duits kende, werden hun geschriften op de unversiteiten gespeld: Negt & Kluge. Tussen al het linkse theoretische geweld van die jaren vormden de beide neomarxistische denkers een rustpunt, een vrije ruimte, een open plek in het woud van ideologische betweters en politieke daadmensen. Het was een duo voor de fijnproevers onder de hele en halve revolutionairen in Nederland. Hun manier van schrijven, van argumenteren, van debatteren was net even anders dan die van de recht-in-de-leer-marxisten. Open, associatief en beeldend.
Vóór mij op mijn bureau ligt het tweede van hun drie belangrijkste werken. Twaalfhonderd fraai gebonden pagina’s in sepiakleurige dundruk met een eigenzinnige opmaak en voorzien van talloze afbeeldingen en grafische voorstellingen. ‘Oskar Negt / Alexander Kluge / Geschichte / und Eigensinn’ staat op het deftige, diepblauwe voorplat. Het boek gaat over tweeduizend jaar geschiedenis van de arbeid-in-ruime-zin, dat wil zeggen ook over tweeduizend jaar liefde en oorlog. Het boek verscheen in 1981, mijn exemplaar is de zesde druk uit 1982, het heeft dus bij duizenden mensen in de boekenkast gestaan. Maar wie heeft het gelezen? Mijn leeslint ligt bij pagina 103. Ik heb tegen mijn gewoonte niets aangestreept.

En daar zijn ze weer! Negt & Kluge, 74 en 76 jaar oud, op dvd in gesprek over de vraag hoe je Das Kapital van Karl Marx moet lezen. Ze redeneren, argumenteren, associëren, theoretiseren en beleren als altijd. Geen teken van slijtage, geen kras op hun stem, geen hapering in hun woordenvloed: hun pensioen lijkt nog decennia ver weg. ‘Het is goed om te beginnen met het hoofdstuk waarin Marx de arbeidsdag van een arbeider beschrijft’, legt Negt bedaard uit. ‘Ja’, hijgt Kluge hees, ‘de strijd voor de tienurige arbeidsdag, ja, dan zit je er meteen middenin, ja, de strijd tegen de kinderarbeid.’
Echo’s uit een ver verleden, toen het lezen van Das Kapital voor velen heilige plicht was. Hele colleges, leesclubs, scholingsavonden en studiegroepen waren eraan gewijd. Ik meed ze als de pest. Ik las liever alleen. Geen lawaai van interpretaties om me heen, geen dwingelandij van dogma’s, geen terreur van ideologieën. Ik kwam in de jaren zeventig eens terecht in een debat in Duitsland. Neomarxisten à la Negt hadden het aan de stok met orthodoxen van de Mao-partij. De Mao’s hadden een hele rij in de zaal bezet, een stuk of tien Genossen, ieder met een exemplaar van Das Kapital op de knie. Eén van hen voerde het woord en wees telkens iemand aan om een citaat voor te lezen. Discussie als theaterstuk, onverbeterlijk slecht vormingstoneel.

Op de drie dvd’s die cineast en televisieproducent Alexander Kluge zojuist heeft uitgebracht, echoot dat allemaal na. Bijna tien uur filmische tekst en uitleg bij Das Kapital van Karl Marx. Beeldassociaties, operafragmenten, historische opnamen, theaterscènes, komische entr’actes en vooral lange interviews over Marx’ klassieker. Het echoot met name in de interviews met sociologieprofessor Oskar Negt, dichter Hans Magnus Enzensberger, filosoof Peter Sloterdijk en germanist Joseph Vogl. Maar het meest echoot het in de dialoog met Kluge’s jongste gesprekspartner Lucy Redler, nog geen dertig, bekennende trotskiste, links van de Linkspartij. Uit ‘het mooiste gezicht van het socialisme’, zoals de Duitse kranten graag schrijven, rollen staccato de woorden ‘loonafhankelijken’, ‘kapitalistische uitbuiting’, ‘arbeidersklasse’, ‘bourgeoisie’, ‘klassentegenstellingen’ en ‘klassenbewustzijn’ – woorden die vergeten leken maar die voor Redler nog even concreet zijn als in de hoogtijdagen van het linkse vertoog. Haar politieke organisatie, de Sozialistische Alternative, telt honderd leden, ‘maar de bolsjewieken zijn ook klein begonnen’, zegt ze zonder glimlach.
Meer nog dan een echo van de ideologie is Kluge’s film een echo van de esthetiek uit vervlogen linkse jaren. Berichten uit de ideologische oudheid heet de film en dat is eraan af te zien. De beeldtaal stamt uit de ‘oudheid’ van de jaren twintig. Soms krijg je zelfs het gevoel dat je naar een stomme film zit te kijken: ellenlange sequenties met artistiek vormgegeven tekstbeelden, afgewisseld met raadselachtige filmcollages en begeleid door kleurrijke pianomuziek. Het is de esthetiek van de Russische constructivisten en van de sovjetfilmer Sergej Eisenstein, een esthetiek die in de jaren zeventig immens populair was in linkse kring.
Eisenstein is met reden heel aanwezig in de film. Hij was het immers die Kluge op het idee bracht om Das Kapital te verfilmen. Eisenstein had net de Russische Revolutie verfilmd (het monumentale epos Oktober), toen hij het plan opvatte om Das Kapital te gaan doen. In 1929, het jaar van de beurskrach, sprak hij erover in Parijs met James Joyce. Eisenstein wilde namelijk ook diens Ulysses verfilmen, waar Joyce mee instemde, omdat hij Eisenstein zag als een van de weinigen die ertoe in staat waren. Eisenstein, zo blijkt uit zijn aantekeningen, wilde beide plannen zelfs in elkaar schuiven: net als Ulysses één dag uit het leven van Leopold Bloom en zijn vrouw beschrijft, wilde Eisenstein in Das Kapital één dag uit het leven van een arbeider en zijn vrouw in beeld brengen.
Eisenstein slaagde niet in zijn opzet. In Moskou noch Parijs noch Hollywood vond hij geld voor zijn project. Nu vraag je je af waarom Kluge Eisensteins aanwijzing niet heeft opgevolgd. De wetten van het kapitaal, geïllustreerd aan de alledaagse gebeurtenissen in het leven van een arbeidersechtpaar – dat moet toch kunnen. In plaats daarvan blijft Kluge in de film eindeloos lang stilstaan bij de historische ontmoeting tussen Eisenstein en Joyce. Drie kwartier lang voert hij er een gesprek over met de jonge publicist Dietmar Dath. Geen slecht gesprek overigens, maar opnieuw een gesprek met alleen maar echo’s, deze keer van oude neomarxistische boegbeelden als Theodor W. Adorno en Walter Benjamin.
Van Eisensteins voornemen is maar één scène overgebleven: een arbeidersvrouw die de soep bereidt voor wanneer haar man na twaalf uur werken naar huis komt. Voor het overige is Kluge’s film een requiem voor een gemankeerde revolutie. Veel van de beeldmontages, Marx-citaten, ironische sketches en diepe gesprekken verwijzen naar de overal en altijd sluimerende mogelijkheid van een radicale omwenteling. Door de film waart, als een spook, het onbevredigde verlangen naar opstand, naar grote historische daden, naar revolutionaire ingrepen. Voortdurend roept Kluge de helden van de revolutie aan, om te beginnen het proletariaat, maar ook de grote leiders Marx, Lenin, Luxemburg, Liebknecht, Trotski. De film vertelt over de droom van de revolutie, het verlangen naar de utopie, het uitstel van de toekomst. Zoals Kluge ergens opmerkt: ‘De utopie werd almaar beter, hoe langer we op haar wachtten.’
Wat te doen tijdens al dat wachten? Luisteren, reflecteren, kunst maken, filosoferen, amuseren. Dat is wat de film biedt om de oneindige tijd te overbruggen tot de utopie werkelijkheid wordt. Cultuur in plaats van revolutie. Een goed gesprek in plaats van gewapende strijd. Zie het voorbeeld van Eisenstein en Joyce. Met zijn film wil Kluge het gesprek voortzetten dat die twee op 30 november 1929 in Parijs waren begonnen. Daarin treffen een revolutionaire en een burgerlijke kunstenaar elkaar op ooghoogte. Eisenstein zet zich niet af tegen Joyce maar wil op hem voortbouwen. Daar gaat het Kluge om. Zolang er geen revolutionaire breuk is met de burgerlijke cultuur zoeken hij en zijn neomarxistische kompanen de continuïteit ermee, de voortzetting ervan met revolutionaire middelen. If you can’t beat them, join them.
De neomarxisten in Kluge’s film drukken met al hun belezenheid en welbespraaktheid vooral één ding uit: let op, wij zijn de cultuurdragers van de tweede helft van de twintigste eeuw. Als wij ons niet over de burgerlijke cultuur hadden ontfermd, haar in ons hadden opgenomen en haar verder hadden ontwikkeld, was ze voorgoed teloorgegaan. Wie had het anders moeten doen? In de jaren zestig en zeventig telde het burgerlijke kamp geen intellectuelen en kunstenaars van betekenis. Alles wat verstand en talent had, was links. Kluge’s film is een artistieke ode aan die intellectuele generatie van linkse cultuurdragers, een monument voor een zelfbenoemde linkse avant-garde.
In de film presenteert die generatie zich als nogal zelfgenoegzaam en exclusief. Dat irriteert. Iemand die zoals ik met die generatie is opgegroeid, die hun boeken kent, hun gedachtegangen volgt en hun smaken deelt, bekijkt de film met gemengde gevoelens. Aan de ene kant biedt hij een warm bad vol vertrouwde teksten en beelden. Aan de andere kant roept hij de vraag op wat anderen ermee moeten. Wat moet iemand ermee die niet die speciale mix van burgerlijke en revolutionaire cultuur, die cocktail van Homeros en Brecht, Joyce en Eisenstein, Adorno en Sloterdijk achter de kiezen heeft? Hoe verteerbaar is de film voor de onvoorbereide toeschouwer?
Die toeschouwer heeft veel geduld, inlevingsvermogen en gevoel voor humor nodig. Maar dan stuit hij toch op een paar verrassingen. Zoals het twaalf minuten durende filmpje van Tom Tykwer, die een beeld uit zijn cultfilm Lola rennt stilzet en laat zien welke verhalen alle details te vertellen hebben: Lola’s jurk, Lola’s tas, de gevel die ze passeert, de technische aanduidingen daarop, het bellenbord, de graffiti, de stoeptegels, de kauwgom op de stoep, kortom alles wat Marx als de mysterieuze wereld van het ‘ding’ en de ‘waar’ had beschreven. En als die toeschouwer zó veel geduld opbrengt dat hij zelfs het einde van de film haalt, kan hij ook nog lachen. Dan vertoont de komiek, musicus en filmer Helge Schneider zijn kunsten. Schneider is sommigen wellicht bekend als Hitler in de komische film Mein Hitler van Dani Levi, die vorig jaar even in Nederland draaide. Aan het eind van Kluge’s film doet hij Marx na. Hoe klonk Marx? Schneider heeft een grammofoonplaat opgedoken met de enige geluidsopname die er van Marx bestaat. Een plaat met veel gekraak en geruis. Zo moet Marx dus hebben geklonken, zegt Schneider en krast met hoge stem: ‘Proletarier aller Länder, vereinigt euch!’ Geen wonder dat hij geen succes had, met zo’n stem, luidt Schneiders laatste oordeel.

Alexander Kluge, Nachrichten aus der ideologischen Antike: Marx – Eisenstein – Das Kapital. Filmedition Suhrkamp, drie dvd’s, 570 minuten, € 29,90 (D)