Requiem voor ruigoord in de zestiende eeuw staat ‘t ruyghe oort, toen nog een in het ijmeer ronddrijvend veeneiland, al bekend als een vrijplaats voor misdadigers en watergeuzen

Het gekraakte dorp Ruigoord moet plaatsmaken voor een Amsterdams havencomplex. En voor een depot waar zestig miljard liter giftig baggerslib in zal worden gedumpt. Ondertussen steken de twee kampen binnen Ruigoord - ‘hippies’ en ‘boeren’ - de koppen in het zand. Of vliegen elkaar in de haren. De verstoorde mythe van Ruigoord.
‘AL VIJFENTWINTIG jaar lees ik in de krant dat die Afrikahaven er nu toch écht komt.’ Hans Plomp is dichter te Ruigoord, het tien kilometer oostelijk van Amsterdam gelegen natuurgebied. Hij plukt een stofje van zijn versleten Palestijnensjaal. ‘Nou, dan gooien wij weer wat kooltjes op ons tovervuur. En dan gebeurt er weer iets mafs waardoor we voorlopig toch weer mogen blijven.’

Zijn woorden worden onderstreept door het oorverdovende geraas van een laag overvliegende jumbojet. Plomp trekt nog eens aan zijn hasjpijp. ‘Wij doen hier aan magie, weet je wel. Op het schenden van Ruigoord rusten in principe genoeg vloeken om de hele Amsterdamse ambtenarij tot het derde geslacht in het verderf te storten. Alleen…’ - hij valt opeens boos uit - 'in dit dorp wonen een aantal stoorzenders, op het land parasiterende boeren die slechts aan hun eigenbelang denken. Dáár gaat Ruigoord aan ten onder.’
Donkere wolken pakken zich samen boven Ruigoord. Het in 1973 door boeren en kunstenaars gekraakte gehucht is echter niet anders gewend, zo blijkt uit zijn roerige geschiedenis. In de zestiende eeuw staat ’t Ruyghe Oort, toen nog een in het IJmeer ronddrijvend veeneiland, al bekend als een vrijplaats voor misdadigers en watergeuzen. Het Hoogheemraadschap Rijnland, dat het eiland twee eeuwen later in haar bezit krijgt, is er ook niet echt blij mee. De kosten van de aanhoudende dijkdoorbraken wegen niet op tegen de opbrengst van de schrale veengrond. Slechts af en toe levert het eiland wat op door de slinkse verpachting aan onwetende keuterboertjes, arme zielen die steevast na een jaar failliet worden verklaard of ’s winters simpelweg van het eiland afspoelen.
Pas in 1835, na verzwaring van de dijk rondom het eiland, waagt een ondernemende landbouwer het om er een huisje neer te zetten. Dat wordt een jaar later door een storm verwoest.
NA DE DROOGLEGGING van het IJmeer in 1872 breken er nieuwe tijden aan voor het terrein, dat nu als een terp boven de Houtrakpolder uitsteekt. Eerst wordt overwogen om er een steenfabriek neer te zetten. De omliggende kleigrond blijkt echter veel te poreus. Vervolgens besluit men er een dorpje te bouwen voor ongeveer honderd uit Zeeland en West-Friesland afkomstige paupers, die als goedkope arbeidskrachten zijn aangetrokken door de boeren in de Houtrakpolder. De onderlinge verhoudingen zijn ronduit feodaal: terwijl de Ruigoorders op het land zwoegen, laten de landbezitters zich in sjieke koetsjes rondrijden.
Een burgemeester of zelfs maar een plaatsnaambord zal Ruigoord nooit krijgen. Wel wordt er in 1892 een echt stenen kerkje gebouwd. Het wordt opgedragen aan de Heilige Geertrui, patrones van de ratten.
BEGIN JAREN zestig telt het dorpje ongeveer tweehonderd inwoners en beschikt het over een schooltje, een Boerenleenbank, twee kruidenierswinkels en een bloeiende wielerclub. Veel Ruigoorders zijn inmiddels een eigen boerenbedrijfje begonnen en het plaatsje begint zowaar een soort streekfunctie te krijgen. Over een gasnet, een riolering en een eigen bushalte beschikt het echter nog steeds niet.
Daarbij worden de Ruigoorders zelf door de boeren uit de omgeving nog steeds beschouwd als 'vreemd volk’. Veel buurtprotest klinkt er dan ook niet als Joop den Uyl, de toenmalige Amsterdamse wethouder, in 1964 het plan lanceert om het dorpje geheel van de kaart te vegen. Het moet plaatsmaken voor de Afrikahaven, een langs een strakke liniaal getrokken zeehavenindustriecomplex waarmee Amsterdam de concurrentie wil aangaan met Rotterdam.
Terwijl het landbezittende deel van de Ruigoorders zich voor veel geld laat uitkopen en even later in een dikke Mercedes vol trots door de Houtrakpolder sjeest, voltrekt zich een drama voor de pachters en de huurhuisbewoners. Nadat hun boerderijtjes met de grond gelijk zijn gemaakt, kwijnen veel van deze fiere poldermensen opeens werkloos weg in de hun toegewezen grootsteedse nieuwbouwwoninkjes. Een enkeling pleegt naar verluidt zelfmoord 'door de sloot in te gaan’.
Begin 1973 is Ruigoord veranderd in een spookdorp. Slechts de kerk en elf huizen staan er nog. De rest van het gebied is bedekt door een metersdikke laag zeezand. Dat is de voorgaande jaren opgespoten om potentiële Japanse en Amerikaanse projectontwikkelaars de geruststellende gedachte te geven dat hun investeringen zich boven de zeespiegel zullen bevinden. Alleen de pastoor en drie gezinnen weigeren dan nog hun woning te verkopen. Ze blijven zich, als waren ze Asterix en Obelix, halsstarrig verzetten tegen het technocratische machtsvertoon. Hun voornaamste troef bestaat uit juffrouw Els, de huishoudster van de pastoor, die vrijwel dag en nacht gebeden zend tot de Heilige Geertrui.
HAAR INSPANNINGEN lijken echter vergeefs. Op 23 juli 1973 rijdt een langgevreesde, met een ijzeren bal uitgeruste hijskraan het dorpje tegemoet om het kerkje en de laatste huizen van Ruigoord voorgoed in puin te slaan. Deze wordt gevolgd door een busje vol communistische havenarbeiders, gewapend met sloophamers en collectief dromend van de geweldige vloten die zij hier eens zullen mogen lossen.
Dan gebeurt er een godswonder. De kolonne wordt vlak voor het dorp tegengehouden door een paar dwars over de weg gezette kevertjes, met daarachter een vijftigtal Amsterdamse oud-provo’s, kabouters en hippies. De informeel door de schrijvers Hans Plomp en Gerben Hellinga geleide groep was al langere tijd op zoek naar een geschikte, vlak buiten Amsterdam gelegen plek om daar een kunstenaarskolonie te stichten en was een paar maanden tevoren bij toeval op Ruigoord gestuit.
Er volgt een handgemeen met de communisten, dat de hippies door hun numerieke overwicht in hun voordeel weten te beslechten. Ondertussen wordt er verwoed gebeld met een aantal Amsterdamse gemeenteraadsleden die de hippiezaak gunstig gezind zijn. Ze worden bewerkt met het argument dat er sinds de net losgebarste oliecrisis bepaald geen behoefte meer lijkt te zijn aan nòg een havencomplex. Bovendien begint de bescherming van het milieu net een beetje in de mode raken.
Het opzetje slaagt wonderwel. De sloopvergunning wordt dezelfde dag nog voorlopig ingetrokken en de groep hippies kraakt het dorp. Die kraak was het begin van de Ruigoord-mythe: het geloof aan de mogelijkheid van een gratis en regelloos niemandsland, waar vrije geesten in harmonie met elkaar en met de natuur kunnen leven, en waar woonruimte, ateliers en landbouwgrond als vanzelfsprekend onderling worden gedeeld. Een plek kortom, zoals een in 1973 verschenen brochure van de Werkgroep Ruigoord het uitdrukt, 'waar een aantal min of meer kunstzinnige lieden, tot waanzin gedreven door identiteitscrises en stadsfrustratie, langzaam weer in een normale leef- en werkgemeenschap opgenomen worden, alwaar hun plannen en mogelijkheden geëvalueerd in plaats van gefrustreerd zullen worden.’
De mythe krijgt veel publiciteit. Wat in al die media-aandacht verdwijnt is dat de stadse idealisten Ruigoord moeten delen met een ongeveer even grote groep mensen die collectief wordt aangeduid als 'de boeren’: vaak jonge, conservatief levende oud-Ruigoorders die vlak na de hippiekraak naar Ruigoord terugkeerden om een aantal van hun oude huizen weer in bezit te nemen.
De toon in Ruigoord wordt echter door de hippiekunstenaars gezet. Terwijl die boeren zich meester maken van de gratis landbouwgrond, storten de hippies zich op nieuwerwetsere zaken als de astrologie, transcendente meditatie, het werpen van de I Ching en het leggen van de Tarot, het nuttigen van macrobiotisch voedsel en het gebruiken van allerhande al dan niet geestverruimende drugs. Bovendien vertonen ze een niet te stuiten voorliefde voor het houden van nachtelijke, met kampvuren en luid getrommel opgeluisterde feesten op de zandvlakte naast het dorp. In 1994 verklaart een hippiebewoner een beetje schuldbewust aan Het Parool: 'We waren gewoon een stelletje woeste dropouts uit de stad toen we hier kwamen. De een was aan de junk, de ander aan de speed en een derde aan de drank. Seksueel was het allemaal één grote kluwen. Langzamerhand is dat wel tot rust gekomen.’
IN DE EERSTE jaren zijn de onderlinge conflicten echter aan de orde van de dag. 'Ik gunde het die smerige krakers eigenlijk niet’, vertelt bijvoorbeeld een anonieme boer eind 1973 aan het Haarlems Dagblad. 'Het is daar een rommeltje. Hun kinderen liepen van de zomer naakt rond, het leek wel een nudistenkamp.’ In het Parool vertelt een hippie hoe een boer zich bij hem introduceerde door te vertellen 'dat hij een geweer in huis had en dat ze vooral niet moesten proberen om rare dingen met z'n vrouw te doen.’
Datzelfde jaar besluit een getergde oud-Ruigoorder om alsnog weg te gaan. Om te voorkomen dat zijn huis in handen valt van krakers, breekt hij het eerst eigenhandig af. Veel maakt dat niet uit. Op de fundamenten van de gesloopte huizen bouwen de hippies van oude planken hun eigen woningen. De irritatie loopt zo hoog op dat er zelfs een 'Werkgroep Tegenstanders van de Werkgroep Ruigoord’ wordt opgericht, die er voor pleit om het hele dorp alsnog tot gort te stampen en onder het zand te spuiten.
Op hun beurt storen de kunstenaars zich aan de neiging van de boeren om het landschap rond Ruigoord op te delen in met prikkeldraad afgezette perceeltjes, waarop vervolgens alles dat niet op gras lijkt wordt verdelgd met landbouwgif. Waarom zou je immers onderscheid maken tussen natuur en natuur? Valt er van bijvoorbeeld een paar brandnetels niet een heerlijk potje thee te trekken? Op een dag merkt een hippie dat zelfs de 'prachtige vlierbessenstruik’ in zijn achtertuintje zomaar uit de grond is gerukt. Hij staat voor een raadsel. Totdat hij hoort dat de boeren vlierbes beschouwen als een uiterst kwalijk onkruid dat, voordat het overwaaid naar elders, rücksichtslos dient te worden uitgeroeid.
Vijfentwintig jaar later lijken de meningsverschillen goeddeels opgelost. 'Met het ouder worden is iedereen ook wat bezadigder geworden’, vertelt huidig Ruigoord-woordvoerder Rob van Tour in zijn met overdadige wildgroei gevulde tuintje. 'Onze kinderen, die nooit onderscheid hebben gemaakt tussen boeren en hippies, zijn samen opgegroeid. Dat schept een band. Een ander verbindend element is tante Jans, onze inmiddels 97-jarige mascotte. Tante Jans is hier geboren en vindt iedereen allemaal even aardig. Maar bovenal heeft de strijd voor het behoud van Ruigoord ons nader tot elkaar gebracht. Want juist omdat we samen sterk staan, kan iedereen blijven doen en laten wat hij of zij wil. Die vrijheid wil niemand opgegeven.’
Toch kent het zonnige leven in Ruigoord ook schaduwzijden. Zo is Ruigoords vroegere woordvoerder, 'Rooie’ Kees van Wolferen, jaren geleden hopeloos verslaafd geraakt aan drank en drugs. ’s Nachts dwaalt hij als een vampier rond over het kerkhof. Ook zijn zoon leidt een troosteloos bestaan als junk. Daarnaast werkt het hippie-imago van Ruigoord als een magneet op mensen met een nogal duistere levenswijze. Vooral zomers zetten deze lieden soms in groten getale hun tenten op rond het dorp, waarbij de politie er weleens aan te pas moet komen om ze weer weg te krijgen.
EEN VEEL groter probleem is dat de gemeente Amsterdam in de jaren tachtig een verbeten juridisch gevecht begon om Joop den Uyls Afrikahaven alsnog doorgang te laten vinden. De laatste jaren boekt zij hierin zelfs het ene na het andere succes. Op 30 december vorig jaar wist Amsterdam via allerlei slinkse procedures het stukje Houtrakpolder waarin Ruigoord ligt, via een grenscorrectie binnen de Amsterdamse gemeentegrens te krijgen. Sterker nog: Amsterdam is zelfs al bezig met het graven van de Afrikahaven.
Sinds 1 juli jongstleden gaapt er aan de rand van Ruigoord een gat van dramatische proporties. Ernaast staat een felgele graafmachine met het opschrift Konijn BV. Het gat is het begin van de kilometerslange, twintig meter diepe geul die het komende jaar in de vlakte naast Ruigoord zal worden gegraven. Van de uitgegraven klei wordt een aardebaan gemaakt, die de ondergrond zal vormen van de toekomstige snelweg die het dorpje zal gaan omcirkelen.
Een boven het gat rondcirkelende zwerm krijsende korhoenders maakt het drama compleet. Hier worden geen eieren meer uitgebroed. Hier wordt verwoest. Terwijl niemand in het dorpje het echt lijkt te beseffen, lijkt het einde van de Ruigoord-mythe in zicht.
Rob van Tour is nog niet wezen kijken bij het gat. 'Ik had eigenlijk nooit gedacht dat het zover zou komen’, zegt hij een beetje beduusd. 'We hebben immers bij het Europees Gerechtshof in Luxemburg bezwaar gemaakt tegen het uitvoeren van dit soort plannen zonder dat er eerst van de gevolgen een gedegen milieu-effectrapportage is gemaakt. Wat blijkt nu: Amsterdam heeft vorig jaar zelf alvast een milieuonderzoekje gedaan, dat natuurlijk zeer gunstig voor hen uitpakte, en kregen hierdoor van de Raad van State toestemming om alvast met “omkeerbare werkzaamheden” te beginnen.’
Omkeerbare werkzaamheden? 'In de praktijk betekent het dat ze de haven wel alvast mogen aanleggen, maar tot het definitieve besluit van het Europees Gerechtshof Luxemburg - en dat kan nog wel eens een paar jaar duren - nog niet in gebruik nemen. Tegelijkertijd kunnen ze er wel voor zorgen dat er zoveel stank-, stof- en geluidsoverlast ontstaat dat ze Ruigoord via een rechterlijke machtiging kunnen laten ontruimen. Want dat is immers voor onze eigen bestwil.’
Waarom eigenlijk die haven? Het halve Amsterdamse havengebied ligt toch al jaren op zijn gat?
'Dat hebben wij ons ook afgevraagd. We dachten eerst aan een “witte olifant”, zoals ze dat in derde-wereldlanden zeggen. Een witte olifant is een van belastingcenten gebouwd prestige-object dat de dictator persoonlijk een paar miljoen oplevert, terwijl hij de rest van het geld onder zijn vriendjes van de bouwmaffia verdeelt. Totdat we erachter kwamen dat het de bedoeling is die haven op termijn uit te graven tot veertig meter diep. Het idee is dan om de onderste twintig meter te benutten als depot voor de zes miljard liter zoute bagger, dat is met PCB’s en zware metalen vervuild havenslib waarmee de provincie Noord-Holland momenteel in haar maag zit. Dat wordt ook helemaal niet ontkend. Ze kunnen die bagger ook verglazen om het vervolgens te verwerken in asfalt, maar dat is vooralsnog erg duur. Verreweg de goedkoopste oplossing is om het gewoon hier in Ruigoord te dumpen.’
Dat klinkt gunstig voor de gemiddelde belastingbetaler.
'Op de korte termijn wel, natuurlijk. Maar op de lange termijn dreigt het een gigantische milieuramp te worden. Allereerst is de klei hier hartstikke poreus. Je hebt dus een levensgrote kans dat al dat gif in het grondwater terecht komt. In dat geval gaat de halve Noordhollandse natuur er geleidelijk aan.
Een tweede ramp ontstaat als ze die Afrikahaven ook nog daadwerkelijk gaan bouwen. Het plan is namelijk om naast die haven allerlei petrochemische industrie plus een gigantische cacao-overslagplaats aan te leggen. Beide industrievormen geven een fabuleuze hoeveelheid stank en stof die door de heersende westenwind direct naar Amsterdam wordt geblazen. Ik vraag me af of de gemiddelde belastingbetaler dat erg leuk gaat vinden.
Hopelijk wordt het referendum dat we hierover hebben aangevraagd niet afgewezen, want ik vind dat er over die giftige bagger en die cacaowalm maar eens een brede discussie moet worden gevoerd. We zijn het een beetje zat om in de media altijd maar weer te worden afgeschilderd als het milieubewuste, schattige maar marginale hippiedorpje. Dat beeld klopt trouwens sowieso van geen kant. De helft van Ruigoord bestaat uit boeren, en die hebben net zoveel hart voor de natuur als ons. Neem iemand als Bas de Wit - die werkt nota bene bij als kraandrijver bij het graafbedrijf Boskalis, maar is tegelijkertijd een van de grootste voorvechters voor het behoud van Ruigoord.’
OP DICHTER Hans Plomp echter werkt het noemen van Bas de Wit als een rode lap op een stier. 'Bas de Wit! Die heeft hier al het land ingepikt om daar zijn koeien op te laten grazen! Die zei laatst nog tegen mij: “Als ze hier in het dorp gaan graven, ben ik de eerste om op de kraan te gaan zitten.” Hij zei ook nog: “De eerste milieu-activist die hier in een boom klimt, sla ik er eigenhandig uit!” Weet je wat dat is, die Bas de Wit? Een parasiet! Een profiteur! Volgens mij fokt hij ook nog illegaal varkens in zijn schuur! Geloof me, die man is een indringer, die hoort niet thuis in Ruigoord.’
Plomps tirade lijkt een ontlading te zijn van de vreemde spanning die in de lucht van Ruigoord zit. Maar niet iedereen neemt het zo zwaar op als hij. Ten huize van kunstenares Wilnah Molenaar heeft zich een groepje boeren en hippies verzameld om over het ras naderende einde van Ruigoord te praten.
Molenaar: 'Wat Hans Plomp zegt moet je maar met een korreltje zout nemen, hoor. Hij heeft geloof ik wat probleempjes in de relationele sfeer en zo en dat reageert hij dan af op Bas de Wit. Hoewel ik Bas ook niet helemaal wil vrijpleiten - die houdt er nogal van om Plomp te jennen. Jongens onder mekaar, moet je maar denken.’
Bas de Wit, veehouder en kraandrijver: 'Nou ja, we hebben verschillende gedachtengangen, zal ik maar zeggen. Ik ben van de arbeidende klasse, terwijl de kunstenaars hier ’s nachts wat zitten te schrijven of te schilderen. Want dan hebben ze inspiratie. Nou geeft dat ook helemaal niet. Iedereen doet maar lekker waar-ie zelf zin in heeft. Als we mekaar maar in onze waarde laten.’
Hans Gritter, schilder: 'Hans Plomp doet een beetje alsof hij de enige is die weet hoe we met de grond hier moeten omgaan. Maar ik zou hem voor geen goud hier het land willen laten verzorgen. Dan veel liever Bas de Wit. Het land is namelijk voor degene die er verstand van heeft. Daar zijn we het trouwens al jaren over eens.’
Lia de Jong, onderwijzeres en 'boerin’: 'Bas fungeert ook gewoon als bliksemafleider. Dat is natuurlijk ook een beetje de taak van de koning van Ruigoord.’
Maken jullie je geen zorgen om Ruigoord?
Wilnah Molenaar: 'Als we daar aan waren begonnen, dan waren we twintig jaar geleden al gillend weggelopen. Je leert gewoon omgaan met de druk dat we hier misschien ooit wegmoeten.’
Lia de Jong: 'Door de rust hier kun je dat ook. Je went gewoon aan ellende. We gaan stug door, zelfs al zijn ze daar nu aan het graven. Kijk, dat is nou de rijkdom van het al jarenlang wonen in Ruigoord. Ik kan me gewoon niets voorstellen bij het idee dat we hier weg moeten.’
Bas de Wit: 'Ach, als die haven er komt, dan leggen ze die schepen maar vast aan de boom in mijn voortuin. Wat er ook gebeurt, ik blijf gewoon zitten waar ik zit.’
Hans Gritter: 'Ze komen er nog wel achter dat ze Ruigoord beter als voorbeeld kunnen nemen, in plaats van het van de aarde weg te vegen. Want het gaat toch fantastisch hier? Laten ze proberen om in Nederland meer kleine Ruigoordjes te maken, zodat mensen zonder allemaal vervelende regeltjes gezellig bij elkaar kunnen leven.’
Steken jullie nou niet de koppen in het zand?
Lia de Jong: 'Kijk eens naar de vlakte. Daar is zand genoeg toch?’
Op diezelfde vlakte heeft schilder Hans Knoppen zijn intrek genomen in de Doom, een geheel uit driehoeken opgetrokken, kunstig in elkaar geknutselde woning. 'Heb je wel eens gehoord van de vlaktekolder?’ vraagt hij zacht. 'Wanneer je niet bent opgewassen tegen de eenzaamheid van het landschap hier, krijg je dat vanzelf. Ikzelf vind het heerlijk hoor, die rust, maar ik heb genoeg mensen gillend over de vlakte zien hollen om te beseffen dat dit niet voor iedereen opgaat.’
Hij glimlacht melancholiek. 'Vooral ’s winters is het erg, dan ben je eigenlijk de hele dag bezig met survival. Hout zoeken om te stoken. Warm blijven. Iets te doen hebben. Want behalve een gigantische leegte, is er hier verder natuurlijk niets. Je moet echt een speciaal soort mens zijn als je op de vlakte wilt overleven.’
Als aanspraak heeft Knoppen een bijzonder lawaaiig hondje. Het beest cirkelt driftig keffend om iedereen heen die het waagt in de buurt te komen van het huis. Het geblaf gaat door merg en been. Even verderop op de vlakte springt er opeens iemand verontwaardigd uit een Indiaanse wigwam.
Het is Hans Plomp. 'Verdomme! Ik ben hier bezig om een meisje te troosten. Dat meisje heeft verdriet! Kan het hier nou nooit eens rustig zijn?’
Even later kalmeert Plomp weer een beetje en lanceert zichzelf in een betoog waaruit moet blijken dat Ruigoord nooit verloren zal gaan. 'Laatst nog heeft een groep Belgische heksen een ring van kracht gelegd rondom Ruigoord. En dat komt nog eens bovenop alle magie die hier al is achtergelaten door Tibetaanse monniken, Indiase heiligen, Mongoolse sjamanen en noem maar op. Dus ik bedoel…’
De klep van de wigwam slaat plotseling nogmaals open. Een ongedurig huilend meisje komt te voorschijn. Ze slaat haar handen voor de ogen en holt de vlakte op. Recht naar het daar uitgegraven gat. Hans Plomp rent achter haar aan. Ze verdwijnen langzaam uit het zicht.
Zomernacht Ruigoord voor Tante Jans
Betoverd eiland kwakend, krakend, ruisend, huilend eiland Met gesloten ogen sta ik op het kruispunt Vage stank van stad verdwijnt onder de geur van vlier- en lindebloesem
Tante Jans vertelt hoe ze haar klompje vulde om te drinken uit de sloot
Minder dan één mensenleven terug kwam er een einde aan miljoenen jaren Schone Aarde
Plotseling fluistert de eeuwige stem van de wind een duif koert en zacht loeit een koe. Alles ademt geluk - even geen vliegtuigen - Als betoverd sta ik onder de oude iepen.
Hans Plomp