Reserve

Je moet er eentje achter de hand hebben, zei Marja. Of misschien twee, voor de zekerheid. Zelf nam ze het zich altijd voor: een reservecolumn voor noodgevallen. Je weet nooit wanneer en in welke vorm ze zich aandienen. Niet dat ze er ooit toe was gekomen er daadwerkelijk een te schrijven. Hierover waren we het principieel eens: schrijven is persen, al dan niet met tegenzin. Het moet allemaal onder absolute druk gebeuren en niet zomaar even ‘voor de zekerheid’. Dit is een romantische levenshouding. En eentje waarvan je elke keer opnieuw niets leert: steeds weer op het nippertje, afspraken toch maar verzetten, mails onbeantwoord laten, wekker om zes uur ’s ochtends. Om voor mezelf te spreken, dan.

Maar goed, schrijven tijdens een bevalling zou wel erg ingewikkeld worden, en mijn nummer-één-regel is toch dat men van mij op aan kan, hoe dan ook. Dat was ook de belangrijkste reden dat ik niet met verlof wilde hier. Ik had, zo voorvoelde ik, een plek nodig waar het leven verliep zoals het al die jaren daarvoor ook was verlopen. Ik moest aanwezig blijven, om de simpele reden dat ik het me niet kon veroorloven afwezig te zijn. Ik zag al voor me hoe mijn tijdelijke vervanger geniaal bleek, sprankelend, fris, jong! Dat ik bij nader inzien niet meer terug hoefde te komen.

Vrouwen verdwijnen, het is een oud cliché; huwelijk, moederschap. Je klauwt je een weg omhoog naar abstractie, sublimeert een leven lang het denken, het is je belangrijkste bezit geworden, precies zoals het je altijd is aangeleerd. En dan ineens! Luiers, tepelzalf, zachte doeken in okergeel en pastelgroen, rompers van zijdewol en biologisch katoen. Alles waar je met je geest niet bij kunt wordt vertaald in materie. Een klomp cellen verandert in een stel ledematen dat tegen je buikwand duwt, je ribben uit elkaar drijft, je organen verdrukt. Iets tussen vreemdeling en dierbare. Online: tips over contact maken met je handen tegen je buik, praten, zingen, groenten eten, op een bal zitten, wiebelen, kwispelen, lopen, niet verstarren! Een abonnement op yogavideo’s, probeer drie minuten achter elkaar met gestrekte armen cirkels te draaien, niet opgeven, als er een wee komt moet je ook gewoon blijven ademen.

Zoals van alles waar ik op enig moment in mijn leven geen weet had – middelbare school, seks, universiteit, verkering, debuteren, xtc, schrijven voor De Groene Amsterdammer, autorijden – stelde ik me zwangerschap voor als een parallel universum waar anderen zich op mysterieuze wijze toegang toe wisten te verschaffen. Omdat ik in principe uitging van onbereikbaarheid was ik per definitie verbaasd wanneer ik me ineens aan de binnenkant van het universum bleek te bevinden.

Ik zweef niet, denk niet over wezenlijk andere dingen na, ben vooralsnog niet gestopt met denken

Op sommige soorten drugs na bleek weinig de vorm aan te nemen van de plotselinge openbaring die ik me daarbij had voorgesteld. Ik was niet aan een overkant beland, de meeste mensen waren niet geniaal, niet eens slimmer dan ikzelf. Men bleek over het algemeen maar wat te doen, al konden sommigen wel beter vrijen dan anderen, beter navigeren, beter pretenderen.

Ook wat dit betreft, deze toestand, ben ik niet op een andere planeet terechtgekomen. Ik zweef niet, denk niet over wezenlijk andere dingen na, ben vooralsnog niet gestopt met denken. Er gloeit geen heilig aureool boven mijn hoofd, ik beschik niet over geheime informatie, heb geen gelukzalige, onbereikbare blik in mijn ogen (geloof ik). Ik weet dat mijn lichaam een hybride is geworden van eigen en ander, maar dit voelt niet al te vreemd, het is mijn eigen lichaam dat ik in de spiegel zie, aangepast maar eigen.

Dan de – toegegeven, confronterende – vraag: had ik dat dan allemaal verwacht en gewild? Ben ik niet simpelweg opgelucht dat ik er nog ben? (Op de achtergrond de verzuchting van een redacteur, mij via via ter ore gekomen, nu gaat ze zeker alleen nog maar over dat moederschap schrijven.) Ik ben er nog, en ten dele is het een teleurstelling. Een mens hoopt toch altijd op transformaties van schokkende, donderslag-bij-heldere-hemel, alomvattende aard. Op onmiddellijke inzichten die al het andere overbodig maken.

Dat verlangen, naar het éne dat de rest overbodig maakt, zou je misschien eerder onder doodsdrift kunnen scharen dan onder levenslust. Het is een verlangen om opgeslokt te worden, verzwolgen te raken. Om alle ruis uit je leven te bannen zodat er niets overblijft dan eenvoudig minimalisme (een houten wieg, de kleinste wollen sokjes ooit gemaakt). Nog heel even kan ik zulke imaginaire eenvoud koesteren. Nog heel even is er mijn lichaam, met een donkere plas vanbinnen waar een mij onbekend, zuiver wezen ligt te wachten om een veelheid te worden.