Ger Groot

Ressentiment

In een wereld van winnaars en verliezers hebben de eersten altijd gelijk. Zij bezitten de macht om hun waarheid te doen triomferen. De verliezer – zo is in de afgelopen decennia veelvuldig vastgesteld – is altijd een boef, of erger.

Dat is ongetwijfeld waar, en toch zit er in die vaststelling iets raars. Ze weerlegt zelf het mechanisme dat ze blootlegt en maakt haar bewering dus tegelijk onwaar. Door haar onthulling is de overwinnaar plotseling niet meer de vanzelfsprekende gelijkhebber en wordt de loser een slachtoffer in zijn voordeel. Nietzsche was de eerste die deze omkering van waarden beschreef. Maar hij deed dat, als partijganger van de sterken, wel om haar te veroordelen. Het gelijk van het slachtoffer is dat van de slavenmoraal die van zwakheid haar kracht maakt, zo meende hij, en hij noemde dat ressentiment.

Het Duitse tijdschrift Merkur heeft aan het ressentiment zojuist een dubbelnummer gewijd, waarin harde noten worden gekraakt over de Europese cultuurkritiek. Kop van Jut is in veel bijdragen de filosoof Theodor W. Adorno, wiens kritiek op de westerse (vooral de Amerikaanse) beschaving beschreven wordt als een schoolvoorbeeld van ressentiment, ontplooid jegens een overwinnaar die niet alleen militair maar ook cultureel en moreel superieur bleek.

Dat doet de subtiliteit van Adorno’s bedenkingen geen recht, maar steekt wel een angel in het vlees van de cultuurkritiek. Of het nu gaat om het verzet tegen de globalisering of de zelfhaat van de Duitse Bondsrepubliek, elke kritische distantie jegens een zegevierend bestel krijgt al snel iets van ressentiment. En dat laatste, zo merkt de inleiding van het Merkur-nummer terecht op, is misschien wel het pijnlijkste verwijt dat iemand gemaakt kan worden.

Maar kunnen intellectuelen en filosofen iets anders doen? Denken is hun taak, en die wortelt nu juist in de «priesteropstand» die volgens Nietzsche de westerse waarden revolutioneerde. Daarna gaf niet langer de macht maar de logica de doorslag en werd de cultuur wetenschappelijk en rationeel. Belangrijker nog dan het ressentiment dat Nietzsche daarin aantrof, was zijn ontdekking dat het ressentiment kon denken. Het ontwikkelde tegen het onmiddellijke gelijk van het geweld het langzame gelijk van de argumentatie. Ressentiment was denken, en omgekeerd.

Er is inderdaad achterdocht voor nodig om te vermoeden dat de dingen anders zijn dan ze lijken en daarom denkend te gaan snuffelen achter de schijn. Volgens de filosoof Paul Ricoeur ontleent de moderne filosofie haar richtingskracht aan een wantrouwen waarvan uitgerekend Nietzsche een van de meesters is geweest. Maar juist die argwaan is met het ressentiment de allerbeste maatjes, en ook daarvan – zo stelt Merkur vast – was Nietzsche een van de uitnemende vertegenwoordigers. Hij bewonderde de kracht, maar dan wel als denker. Hij sprong in de bres voor de overwinnaar, maar deed dat als een «priesterlijke» schrijver die zag dat de heer het kon stellen zonder de hulp van de slaaf.

Die paradox is de westerse cultuurkritiek niet meer te boven gekomen. Ze neemt een fronsende houding aan tegenover een samenleving die haar tegelijkertijd mogelijk maakt. En op hetzelfde moment bewijst ze daarmee de superioriteit van de beschaving die ze zo sceptisch bekijkt. Nooit kan ze dat volmondig toegeven zonder verraad te plegen aan haar kritische opdracht. De gulheid van de affirmatie strookt niet met het ressentiment dat haar denken de stoot gegeven heeft.

Zo wortelen cultuur en cultuurkritiek in dezelfde ondeugd, die tegelijk hun grootste deugd is. Beide houden dat angstvallig verborgen, beschaamd te berusten op het ressentiment dat het denken zelf pas mogelijk maakt – en tegelijk beschaamd om hun schaamte. Op te biechten is ressentiment nu eenmaal nooit, maar juist in die benepenheid verraadt het zich. Zelfs als de culturele triomf van het denken blijft het een loser die het moet stellen zonder victim appeal.