Ressentimentmens

In de literatuur wemelt het van de gekwelde individuen die zich verongelijkt tot de wereld richten. Jeroen Brouwers doet er nog een schepje bovenop.

Jeroen Brouwers benoemt wanhoop en emotie expliciet © Jolanda Swennen

In 1864 publiceerde F.M. Dostojevski de kleine roman Aantekeningen uit het ondergrondse. Een man van een jaar of veertig richt zich vanuit de kelder van zijn huis tot de ‘kenners van de wereld’, ‘mensen met sterke zenuwen’. Eerste zinnen: ‘Ik ben een zieke man… Ik ben een boze man. Een onsympathieke man. Ik geloof dat ik een leverkwaal heb.’

Hij voelt zich zowel boven iedereen verheven als ernstig tekortgedaan, is rancuneus en kletst aan een stuk door over hem al of niet vermeend aangedaan onrecht. Vooral ‘progressiviteit’ neemt hij op de hak: de wetenschap, de rationaliteit, het kwantitatieve denken, de tellers, de industrie, de vooruitgang, de weldenkende mens. Dit alles in een gejaagde, opgewonden stijl, waar Dostojevski bijzonder goed in was. Het aardige is dat deze ressentimentmens toch serieus genomen wil worden: hij wil ergens bij horen, al verzet hij zich daar ook tegen. Dus spreekt hij zichzelf regelmatig tegen, verzandt in paradoxen. Zijn geouwehoer, want dat is het, schiet alle kanten op. Dostojevski’s roman kan model staan voor het veelbeproefde literaire genre van het gekwelde individu dat zich vanuit een kelder, een hol, een isoleercel, een gesticht, noem maar op, fluisterend of schreeuwend, in ieder geval verongelijkt, tot de wereld richt, vaak vertegenwoordigd door hogeren; artsen, kunstkenners, concurrerende beterweters. Beckett liet zijn halvegaren vanuit vuilnisbakken en zandhopen tot de wereld spreken, Kafka vanuit een hol, Thomas Bernhard vanuit koffiehuizen en museumzalen en bij ons werkte J.F. Vogelaar regelmatig met dit concept.

En nu dus Jeroen Brouwers. Je kunt zeggen dat hij er nog een schepje bovenop doet, daar kon je op wachten. Brouwers’ held is vrijwel verlamd, zit in een verzorgingstehuis (Madeleine), hij beweegt zich met moeite met hulp van anderen voort, via rollators en rolstoelen. Hij is incontinent, het gedoe met luiers en zakjes krijgt in deze soms morbide roman voortdurend de volle aandacht. Hij spreekt niet meer, zijn verzorgers en collega-zieken denken dat hij totaal dement is, al zijn er ook verzorgende psychologen die het idee hebben dat hij wel degelijk bij zinnen is en simuleert.

Ondertussen werkt deze dwarse ‘patiënt’, E. Busken, aan merkwaardige geschriften. Je kunt beter zeggen: er komen letters voorbij, ‘soms een hele zin maar zonder door aardbewoners te bevatten mededeling in enige alhier gangbare grammatica’. Dat ‘schrijven’ gaat moeizaam; potloden breken, puntenslijpers verdwijnen, ‘dan weer sputtert mijn pen door onverhoeds zomaar in tweeën te splijten en inktkladden te spuwen’.

‘Ze hebben het emmertje met potloden op de harmonica gezet’

Brouwers laat zijn antiheld er het volgende over schrijven: ‘Door het allemaal te noteren en te tekenen, poppetjes in overeind staande of liggende rechthoekjes, vogeltjes, andere dieren, boven elkaar liggende golfjes, spijkers, runen, slingers, muzieksleutels, wolken, naast woorden, delen van woorden, losse letters, combinaties van letters, ben ik bezig aan een mystiek, hoogst geheim manuscript, waartoe slechts ik ben uitverkoren het te vervaardigen, ik de uitverkorene.’ Fraai proza is dit! Maar waarom niet dit ‘mystieke’ geschrift, of delen ervan, aan de roman toegevoegd of erin verwerkt? Ik was er erg benieuwd naar. Het had de roman een groter realiteitsgehalte gegeven en bovendien hou ik van rare, mystieke, uit de bocht gierende, gestoorde teksten. Misschien vond Brouwers dat net iets te dol, zijn stijl is doelbewust al associatief genoeg, wat overigens goed past bij zijn hoofdfiguur.

Deze roman is een woedend, zeker ook rancuneus en af en toe tot op het bot megalomaan verslag van de omstandigheden waarbinnen de ‘held’ zich bevindt. Plus zijn verzet daartegen. De zinnen zijn lang, lopen soms in elkaar over, maar ze blijven altijd te volgen. Af en toe duiken herinneringen aan een nare moeder en een nare jeugd op, Brouwers-watchers herkennen daar ongetwijfeld autobiografische elementen in. Naar het einde toe beginnen de zinnen meer door elkaar te lopen, ze worden langer, er treden woordverhaspelingen op, maar het geheel blijft goed te volgen, is zeker niet mystiek. En steeds is ‘patiënt E. Busken’ zich goed bewust van wat er om hem heen gebeurt. Hij zal ze wel krijgen, maar niet heus, wat dat betreft voldoet deze roman aan de wetten van dit genre. Hyperreflectie, doordrammerij, gelijkhebberij en betweterij.

En je hoeft deze figuur gelukkig niet sympathiek te vinden. In zijn gedram over het verplegend en ondersteunend personeel in verzorgingstehuizen sluit hij zich aan bij de clichés die je de laatste jaren in dag- en weekbladen leest. Daar krijg ik wel eens genoeg van. ‘Het verplegend personeel heeft het weer gedaan’, schreef ik vele keren in de kantlijn, daar hield ik maar mee op. De woordspelingen over psychologen en psychiaters zijn te flauw voor woorden: ‘psychevreetster’, ‘zielenwringster’, ‘psychiatrica rund’ ‘chiater Teurlings’, etc etc. Daar had Brouwers zijn held briljanter, geslepener en doortrapter kunnen maken. Dostojevski ging hem op dat gebied voor. Ook het ge-oh over homoseksuelen en transgenders (de held noemt ze bijvoorbeeld ‘homosuelen’ en transdingens’) ging bij mij het ene oog in en het andere uit, zoals je dat ook hebt bij matige cabaretiers die ineens dialect gaan spreken. Gemakzucht, heet dat.

Daar staat wel wat tegenover. Bijzonder fraai is de grootspraak waarin Brouwers’ figuur zwelgt. Niet alleen beschouwt hij zich als een ‘uitverkorene’, ook probeert hij ons wijs te maken dat hij bij Beatrix over de vloer komt, dat hij een succesvolle carrière als onder andere ‘paleogeneticus’, ‘robotingenieur’, ‘cryptozoöloog’ en ‘polair meteoroloog’ achter de rug heeft en ons zeer boeiende geschriften zal nalaten, ja, hij is de ‘heropstanding van Goethe’. Op die momenten krijgt deze roman een grote tragische lading.

Datzelfde geldt voor de steeds terugkerende ergernis van de held over de verplaatsing van kleurpotloden. Nooit zetten ‘ze’ die potloden op de juiste plek terug of zorgen ze ervoor dat de correcte kleurvolgorde wordt aangehouden. ‘Ze hebben het emmertje met potloden op de harmonica gezet, het maakt deel uit van mijn woede, het emmertje met de potloden moet dáár staan, rechts boven de papierstroken en nergens anders, anders raak ik buiten mijn zekerheden, zo moet ook de puntenslijper opeens zijn kwijtgeraakt (…).’ Deze ergernis (en woede) keert steeds terug en precies dan krijgt dit verhaal een ontroerende lading. Niet door de voortdurende woedebuien en expliciet geformuleerde wanhoop over ziekte en aftakeling, waarvan het bol staat, of de rancune over de verpleging – dat geloofde ik allemaal op een gegeven moment wel. Maar die kleurpotloden… dat is het.

Brouwers is geneigd wanhoop en de emotie daaromheen expliciet te benoemen (zie ’t citaat hierboven). Dat geeft deze roman soms een pathetische lading die op mij niet altijd goed uitwerkte. Ik bleef dan te veel van een afstandje toekijken hoe alles langzaam de afgrond in gleed.