Groen

Restaureren

Het mooie van werken in een grote tuin is dat je elke keer weer iets nieuws ontdekt. Net als je denkt de tuin op je broekzak te kennen, worden er nieuwe hoeken en gaten zichtbaar. Dat laatste hangt vooral samen met de maand waarin je werkt. Ergens in Waterland ligt de grootste tuin die ik in onderhoud heb. Een complete boomgaard maakt er deel van uit en een meter of honderd aan buxushagen. In de boomgaard wordt een pad gemaaid, alles maaien zou je een slaaf van het gras maken. Het knippen van de hagen alleen al – naast buxus ook nog tientallen meters coniferenhagen – vraagt vele dagen werk. Vorige week was ik er weer een dag, tweede helft september, en ineens vermoedde ik een gat op een plek die ik tot dan toe voor ondoordringbare struikenfaçade had gehouden. Na flink wat snoeien ontstond er een nieuwe doorkijk, op de grond bleken tegels te liggen, achter de struiken een mooie roos. Diepte, dat is wat er ontstond. Daar raakte ik zo opgewonden van dat ik op een andere plek, bij een tuinschuurtje, twee enorme hortensia’s tot op de grond afknipte en een bonte kornoelje verpootte. Puike bijkomstigheid was dat de tuineigenaresse niet thuis was, dus ik kon vrijuit m’n gang gaan. Vervolgens zaagde ik nog wat takken van de elzen in de windsingel af en wéér ontstond er een nieuwe doorkijk, aan de zijkant van het schuurtje, een diepte die er al jaren niet was geweest.
Dat vind ik het allerfijnste van het hovenieren: restauratiewerk. Oude zichtlijnen en doorkijkjes herstellen, overwoekerde paden blootleggen. Een tuin is immers geen natuur, die is voor elders, kan en mag op een andere plek ongebreideld haar gang gaan. Een tuin is er om in bedwang te houden, want voor je het weet is alles je boven het hoofd gegroeid. Als ik aan het einde van zo’n werkdag met een biertje op een bankje zit en kan zíen wat het plan van een tuin ooit was, ben ik gelukkig. En zeg ik vrijwel nooit ‘nee’ als me gevraagd wordt of ik nog een biertje wil.