Retour paramaribo

7 JUNI 1998 - Als het SLM/KLM toestel PY717 om precies twaalf uur op Schiphol het luchtruim kiest besef ik dat voor mij geen terug meer mogelijk is. Over acht uur zal er een eind komen aan mijn ballingschap in Nederland, die ruim zestien jaren heeft geduurd.

De reis is zorgvuldig voorbereid. Tweemaal eerder dit jaar heb ik beloofd naar Suriname te zullen afreizen om in het kader van de ‘nationale verzoening’ Bouterse de hand te drukken. Telkens zag ik op het laatste nippertje af van de reis. Ik kon niet over mijn morele bezwaren tegen de man die ik verantwoordelijk houd voor de moord op mijn twee vrienden Cyrill Daal en Eddie Hoost heenstappen.
De laatste keer was ik al op weg naar Schiphol. Maar toen ik de Schipholtunnel was uitgereden, besloot ik rechtsomkeert te maken.
Lang was de gedachte aan een 'verzoening’ met Bouterse een horribel idee. Wraak voor die moorden was het enige dat mij dreef. Maar de jaren verstreken en Bouterse bleek op meer vergevingszindheid van het Surinaamse volk te kunnen rekenen dan ik voor mogelijk had gehouden. Een mens wordt met het klimmen der jaren ook wijzer en contemplatiever. Wraak mag dan zoet zijn, maar als het steeds onbereikbaarder wordt is het een zoetheid waar je niets aan hebt.
Niet alleen de kwestie van de morele bezwaren speelde een rol. Ook angst, een diepe onverklaarbare angst. Telkens als ik aan terugkeer dacht, kreeg ik de beelden weer op mijn netvlies van de aanslag die in de nacht van 7 op 8 november 1982 op mij werd gepleegd. Uren heb ik die nacht voor dood op de grond gelegen nadat met zwaar mitrailleurvuur dwars door een raam was geschoten waarachter ik werd vermoed en ook werkelijk lag. Een binnenmuur werd finaal aan flarden. Het was Cyrill Daal die mij in de vroege ochtend van 8 november 1982 op de grond aantrof. Hij wekte mij en maakte mij duidelijk dat ik mij nog in het 'rijk der levenden’ bevond.
Halsoverkop heb ik toen om het vege lijf te redden Suriname moeten ontvluchten en sindsdien leef ik in Nederland in ballingschap. Precies een maand na die aanslag behoorde Daal tot de vijftien personen die te Fort Zeelandia het leven lieten voor een vuurpeloton.
Ook toen de militaire periode met de verkiezingen van 1986 werd afgesloten, bleef de angst mijn leven beheersen. Jaren van psychotherapeutische behandeling hadden mij van die angst niet kunnen bevrijden. Nizaar, als goede vriend en huisarts, besloot daarom mij op deze reis te vergezellen.
Wij besloten zeer vroeg als eersten in te checken zodat wij ons zo lang mogelijk buiten het zicht van de medereizigers konden houden. Op deze wijze hoopte ik ook dat het bericht van mijn vertrek naar Suriname buiten de publiciteit zou blijven.
Als het toestel het Surinaamse luchtruim binnenvliegt, merkt Nizaar op dat ik opvallend stil ben. Omstreeks 17.00 uur Surinaamse tijd landt het toestel op de Johan Adolf Pengel Luchthaven te Zanderij. Als ik naar buiten kijk zie ik een dertigtal brandweermannen in uniform zich naar het toestel begeven. Op korte afstand leggen zij een cordon om het toestel. Mijn ongerustheid neemt toe als Nizaar, die vrijwel jaarlijks Suriname bezoekt, zegt zoiets nooit eerder te hebben meegemaakt. Zouden het 'verklede’ militairen zijn? Ben ik er dan toch ingetuind? In 1984 hebben in heel Paramaribo plakkaten gehangen waarin om mijn 'opsporing, aanhouding en voorgeleiding’ werd verzocht. Zulks in verband met een misdrijf dat in het Surinaamse Wetboek van Strafrecht opgenomen is onder de rubriek 'Misdrijven tegen de veiligheid van de Staat’. Het misdrijf luidt: het aanzetten tot een gewapende opstand tegen het wettig gezag in Suriname. In die tijd voerde het junglecommando onder leiding van Ronnie Brunswijk acties uit in Oost-Suriname en over dat hele gebied had Paramaribo geen controle meer. De acties hadden tot gevolg dat de gehele economie van Oost-Suriname volledig vernield werd en dat het grootste gedeelte van de bevolking van dat gebied op de vlucht sloeg.
De rebellie van Brunswijk heeft aan enige duizenden mensen het leven gekost. Ik heb Brunswijk indertijd in Nederland opgevangen en daarom werd ik door het militaire regime voor die acties verantwoordelijk gesteld. Ik realiseer mij dat het 'opsporingsbevel’ tegen mij nooit is ingetrokken.
Maar waarom zou alleen ik op grond van dat bevel moeten worden aangehouden? Ook Henk Chin A Sen, Paul Somohardjo en de Nederlandse militaire attaché Bas van Tussenbroek (hij zou zelfs acties van het junglecommando hebben geleid) hebben op die lijst gestaan. De eerste twee bewegen zich nu als vrij man in Suriname.
Als ik weer uit het raam kijk, neem ik in de verte het silhouet van 'de Chinees’ waar. 'De Chinees’ heeft een zeer belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding van de reis die ik nu maak. Dat ik het uiteindelijk toch heb aangedurfd naar Suriname af te reizen, is aan hem te danken. 'De Chinees’ is een vertrouweling van Bouterse, ze kennen elkaar van het rk-internaat Bonifacius. Al sinds zestien jaar zijn ook wij vrienden van elkaar.
Toen Riek (een andere goede vriend) met Desi Bouterse de periode van mijn bezoek was overeengekomen, zond Bouterse 'de Chinees’ naar Nederland voor de voorbereidingen. Deze wist hoe groot mijn bezorgdheid over mijn veiligheid was, dus heeft hij bij Bouterse een aantal zekerheden bedongen. Pas toen hij ervan overtuigd was dat de gedane toezeggingen solide waren, wilde hij instaan voor mijn veiligheid.
Bouterse wilde mij zelfs persoonlijk komen afhalen. Dat leek mij overbodig.
Vier dagen voor mijn vertrek vertrok 'de Chinees’ naar Suriname om mijn veilige binnenkomst en verblijf te organiseren. Pas toen ik hem uit het vliegtuigraam waarnam, keerde de rust in mij terug. Ik durfde de vliegtuigtrap af te dalen. Onderaan de trap werd ik in de armen gesloten door V., de veiligheidsman die voor Bouterse alles wat er op het vliegveld gebeurt in de gaten houdt. Hem had ik niet eerder opgemerkt.
Ik ken V. als een fijne vent die niet kan huichelen. Dus toen hij mij omarmde en welkom heette in Suriname, wist ik dat het met mijn veiligheid in orde was. Ik werd overgedragen aan 'de Chinees’, die mij onmiddellijk voorstelde aan ene Iwan N. 'De Chinees’ zei dat de ondervoorzitter van de NDP (de voorzitter is Bouterse) op het laatste moment verhinderd was, maar dat Iwan, behorende tot het topkader van de NDP, was aangewezen om er zorg voor te dragen dat mijn verblijf in Suriname vlekkeloos zou verlopen. Nadat Iwan de formaliteiten had afgewikkeld konden wij de reis naar Paramaribo in een uiterst luxueuze Mercedes aanvangen.
8 JUNI - Na half vijf ’s morgens kunnen wij niet meer slapen. Door de jetlag is ons slaapschema danig in de war. Nizaar en ik maken gebruik van de fitnessruimte van het hotel. Wij bevinden ons in het zwembad als om acht uur wordt omgeroepen dat er telefoon is voor Nizaar. Ik sta niet onder eigen naam maar op die van Nizaar geregistreerd. Ik blijf rustig doorzwemmen. Plotseling zie ik Nizaar heftige gebaren in mijn richting maken. Ik spoed mij naar de telefoon, neem de hoorn over en zeg: 'Met André Haakmat.’ Luide, breed lachende stem aan de andere kant: 'Andreiko! Eindelijk ben je in het land! Kom je de boel hier weer op stelten zetten en heb je weer een legertje journalisten meegenomen?’
Het is, daar hoef ik geen seconde over na te denken, de stem van Desi Delano Bouterse. Ik ben totaal overrompeld door deze aanpak. Ik kan nog net 'Dag Desi’ uitbrengen. Op dezelfde vrolijke toon vertelt hij dat hem de vorige avond is bericht dat mijn aankomst 'volgens schema’ is verlopen en dat hij mij per se als eerste daad van de dag wilde opbellen. Desi zegt dat hij 'erg blij is’ met mijn komst en dat hij mij 'zo spoedig mogelijk’ wil spreken. 'Laat me even kijken. Kan je morgenochtend om acht uur? Ik maak het je dan gemakkelijk. We spreken dan niet af op mijn kantoor, maar op het Kabinet van de President. Dat is maar vijf minuten lopen van je hotel. Is dat goed?’ 'Ja’, zeg ik, en voordat ik nog wat kan zeggen antwoordt Desi: 'Goed, dan zie ik je morgenochtend en dan praten we verder.’ Hij legt de hoorn neer.
Voor het eerst na zestien jaar heb ik direct telefonisch contact met de ex-bevelhebber, nu Adviseur van Staat, gehad. Verdwaasd sta ik met de telefoon in de hand, mij afvragend of ik het droom of dat het allemaal werkelijkheid is.
Van zwemmen komt natuurlijk niets meer. Op het terras van het zwembad kom ik bij en lees ik het enige Surinaams ochtendblad, De Ware Tijd.
Nu pas begrijp ik wat Bouterse bedoelt met 'Kom je het land weer op stelten zetten’. Er heerst onrust in Suriname. De gezamenlijke vakbeweging minus de Moederbond en de oppositiepartijen (waaronder het Front) voeren al enige tijd acties tegen het beleid van de regering-Wijdenbosch. Voor morgen hebben ze een grote protestdemonstratie aangekondigd. Iedereen blijkt ernaar uit te kijken hoe massaal de actie dan zal zijn.
Als ik de krant heb uitgelezen, dienen zich 'de Chinees’ en Iwan aan. Dat zullen ze vrijwel dagelijks blijven doen.
Op deze eerste dag van mijn verblijf in Suriname is via 'de Chinees’ een verzoek van Paul Somohardjo binnengekomen om met mij te spreken. Somohardjo is leider van de Javaanse politieke partij Pendawalima. Ik heb geen bezwaar tegen een ontmoeting met Somohardjo, maar vraag me intussen wel af hoe hij ervan op de hoogte is dat ik in het land ben.
Somohardjo blijkt niet ver van de universiteit een eethuis annex broodjeszaak te exploiteren. Als wij het terrein van de zaak op rijden, komt Somo mij al tegemoet lopen. Wij geven elkaar een brasa, een stevige omhelzing, de typische Surinaamse manier om goede vrienden te begroeten.
Na de brasa zorgt Somo voor een ontspannen sfeer met een grapje. 'Als de pers doorkrijgt’, zegt hij, 'dat jij in het land bent, zal meteen een verband gelegd worden met de onrust die nu gaande is.’ En hij zegt dat het me moeilijk zal vallen de pers te doen geloven dat ik niets met die onrust te maken heb. 'Maar jij weet toch dat het niet zo is’, repliceer ik. 'Ik wel’, antwoordt Somo, 'want ik weet dat je reis al gepland was voordat de acties hier werden gepland.’
Dan stevent Somo rechtstreeks op zijn doel af. Hij blijkt te weten dat ik morgen een gesprek heb met de Adviseur van Staat, Desi Bouterse. Nu wordt het tijd dat ik informeer hoe hij aan zijn wetenschap is gekomen. Het blijkt dat Somo al enige tijd in gesprek is met de NDP over zijn steunverlening aan de coalitie. Door het uittreden van twee kleine partijen uit de regering en ten gevolge van een breuk in een van de regeringspartijen, de BVD, is er in het parlement een patstelling ontstaan.
Al enige tijd kan het parlement namelijk niet meer vergaderen omdat er geen quorum is. Aan de andere kant kan de oppositie geen motie van wantrouwen tegen de regering aannemen omdat ze niet over de meerderheid blijkt te beschikken.
Er is een 'zwevend lid’, de ex-NDP'er ir. Frank Playfair. Playfair stelt zich de ene keer op achter de regering, de andere keer achter de oppositie. In ieder geval wil Playfair niet dat het Front weer aan de macht komt omdat de twee regeerperiodes van het Front zich volgens hem hebben gekenmerkt door absolute inertie en bestuurlijke impotentie.
De NDP probeert nu de regeerbasis te verbreden door Somo ertoe te bewegen met zijn twee resterende parlementsleden tot de coalitie toe te treden. 'De Chinees’ blijkt een informele sleutelrol te spelen bij het overhalen van Somo.
Somo echter wil alvorens enig besluit te nemen eerst dat de twee overgelopen leden van zijn partij (die hem zowel zijn gewone als zijn politieke leven erg zuur maken, waardoor nu een aantal juridische procedures lopen) worden 'gestraft’, aan welke wens de NDP weer niet kan tegemoetkomen.
Als ik bij Somo informeer hoe de vork precies in de steel zit, legt hij de schuld voor het niet vlotten van de besprekingen bij de NDP. Bouterse heeft niet de juiste personen gestuurd en die personen komen bovendien hun afspraken niet na. Somo wil besprekingen op basis van gelijkwaardigheid, geen baas-knechtverhouding.
Somo legt mij uit wat de bedoeling is van de protestmanifestatie van morgen en wat de, althans, zijn eisen zijn. Hij pleit voor vervroegde verkiezingen over twee jaar en een 'reshuffeling’ van het kabinet-Wijdenbosch. Dan wil hij tot aan de vervroegde verkiezingen de coalitie wel steunen. 'Maar wat verlang je dan van mij’, vraag ik. 'Ik denk dat jij Desi kunt uitleggen wat mijn standpunt is en dat er geen andere weg is om uit de crisis te komen. Naar jou zal hij zeker luisteren’, zegt Somo.
Ik vraag Somo wat hij denkt dat morgen op de protestdemonstratie zal gebeuren en waaraan hij het succes van die demonstratie zal afmeten. Somo denkt dat 'minstens vijftienduizend mensen’ op de been zullen worden gebracht, 'anders is de manifestatie tegen de regering mislukt’. Aan de Pendawalima zal het niet liggen, zegt hij, want 'wij zijn al sinds het weekend bezig met de mobilisatie van onze mensen.’
Ik neem afscheid van Somo en beloof hem na het gesprek met Bouterse weer op te zoeken, als de tijd het toelaat.
9 JUNI - Dit wordt dus de grote dag, het hoogtepunt, het doel van mijn bezoek aan Suriname.
Formeel had ik mij in een interview met Gerard van Westerloo in De Groene Amsterdammer al met de politieke machtspositie van de ex-legerbevelhebber verzoend. Nu gaat het om de materiële verzoening en of in dit persoonlijk gesprek nog meer hieraan kan worden toegevoegd. Worden wij weer vrienden als vroeger?
Ik moet fit en helder van geest het gesprek aangaan, dus begin ik de dag met een uurtje in het fitnesscentrum. Terug van fitness loop ik in de hotelkamer te ijsberen. 'Je bent supernerveus’, constateert Nizaar.
Iwan komt me halen om me naar het Kabinet van de President te begeleiden. Op weg daarheen leest hij kennelijk de spanning van mijn gezicht af en hij probeert met wat grapjes die spanning te breken. Dat lukt niet. Iedere stap die ik zet brengt mij immers dichter bij het moment dat ik oog in oog zal staan met Desi. De vriend van vroeger, de man met wie ik vele conspiratieve momenten heb doorgebracht, momenten die van beslissende invloed zijn geweest voor het Suriname van na 1980. Maar ook de man die ik verantwoordelijk moet houden voor de dood van mijn goede vrienden Cyrill Daal en Eddie Hoost; zij gingen ten onder in het geweld van 8 december 1982. En ook de man die volgens sommigen (ik weet het niet, ik heb die beschuldiging daarom zelf nooit geuit) de moordaanslag op mij in elkaar had gezet. Hoe zal de verhouding tussen ons zijn na deze ontmoeting? En hoe zal het gesprek verlopen, wat zal er aan de orde komen?
Om precies tien voor acht in de ochtend van 8 juni 1998 gebeurt het. Ik kom bij de ingang van het Kabinet van de President aan, precies op het moment dat de blauwe, hoge fourwheeldrive waarin de Adviseur van Staat zich verplaatst komt aanrijden. Alsof het afgesproken werk is. De Adviseur van Staat springt uit de auto. Wij lopen recht op elkaar af. Twee, drie stappen, hij breed lachend en de beide armen uitstekend. Ik volg instinctief en wij sluiten elkaar in de armen.
Desi verwelkomt mij hartelijk en hij blijft breed lachen. Zijn lach werkt aanstekelijk - dus ik ga ook lachen. Zijn lijfwachten aanschouwen het tafereel voor het Kabinet van de President met genoegen, maar ik zie dat hun ogen de omgeving afspieden. Desi neemt mij aan de hand mee naar binnen en vervolgens twee trappen op naar boven. Militairen, in uniform of niet, springen in de houding. Als wij bij de werkkamer van de President zijn aangekomen, blijf ik discreet voor de deur staan totdat ik word uitgenodigd binnen te gaan. Maar Desi trekt mij mee naar binnen en nodigt mij uit plaats te nemen. Ik zit nauwelijks of er wordt op de deur geklopt. Desi doet open en hij zegt :'Kom binnen, commandant!’
Ik verwacht een hoge militair maar het blijkt iemand in burger. Desi stelt hem aan mij voor: 'Dit is K., de ondervoorzitter van de NDP.’ We geven elkaar een hand en hij gaat tussen mij en Desi in zitten.
Ik besef nu dat politiek schaakspel op topniveau zal worden gespeeld en dat van mij de openingszet wordt verwacht. Ik begin daarom met Desi te bedanken voor het feit dat hij deze ontmoeting mogelijk heeft gemaakt.
Desi geeft hierop een antwoord en ik heb nooit een kortere omschrijving gehoord van wat in de wetenschap genoemd wordt 'het ballingensyndroom’. 'Kijk, André, je hebt het jezelf heel moeilijk gemaakt. Je had veel eerder terug kunnen zijn. Maar ik ken dat. Je bent vertrokken met wat beelden in je hoofd over mij en over dit land en die beelden zijn blijven hangen. Die hebben zich niet aangepast aan ontwikkelingen die intussen hier zijn doorgegaan. Jij bent met die angstbeelden blijven rondlopen. Je had zo de telefoon kunnen pakken en mij kunnen bellen, dat weet je.’
Dan is Desi aan zet en hij brengt mij geheel van mijn apropos. 'Voordat wij verder gaan’, zegt hij, 'hoe is het met je gezin, met je zoon Pascal?’ Ik bedank hem voor deze, voor mij totaal onverwachte belangstelling op het menselijke vlak, die mij werkelijk diep raakt en die zeer gemeend overkomt. Ik vertel hem dat de 'kleine bevelhebber’ (zo noemde hij Pascal omdat hij ook op 13 oktober jarig is, net als Bouterse) intussen 21 jaar oud is en informatica studeert aan de Universiteit van Amsterdam.
De koffie wordt binnengebracht en daarna neemt Desi de regie in handen. Hij vertelt mij dat ik drie maanden geleden voor hevige commotie heb gezorgd doordat de radio en de televisie het bericht hadden gelanceerd dat ik in Suriname was aangekomen. Hij was toen op werkbezoek in het rijstdorp Wageningen in West-Suriname en werd door de veiligheidsdienst van deze berichten op de hoogte gebracht. Hij gaf toen opdracht mij te detecteren, omdat hij inmiddels ook door de pers werd belaagd met vragen over mijn aanwezigheid in Suriname. Zeggen dat hij van niets wist had niet geholpen. Men uitte zelfs openlijk het vermoeden dat hij mij 'opzettelijk verborgen hield’.
Op een persconferentie was ook president Wijdenbosch het vuur na aan de schenen gelegd. Ondanks zijn ontkenning was hem gevraagd of ik soms als 'adviseur’ was aangetrokken om te helpen bij het ontdooien van de bevroren betrekkingen met Nederland. Gepikeerd had de president geantwoord: 'Ik weet toch zelf wie ik als adviseur heb aangesteld en wie niet? Hebt u dan soms Haakmat voor mij aangesteld?’
Ik vertel hem dat ook een Nederlandse krant en een tv-station gewag hadden gemaakt van mijn vertrek naar Suriname, terwijl ik rustig op mijn kantoor zat te werken. We moeten beiden hartelijk lachen om deze canards van zowel de Surinaamse als een deel van de Nederlandse pers.
Na dit geamuseerd keuvelen, precies zoals ik dat vroeger van hem gewend was, neemt het gesprek een scherpe, ernstige wending. 'Er zijn sinds je vertrek ontzettend veel dingen voorgevallen’, zegt Desi. 'Veel mensen van het eerste uur zijn niet meer. Ook Horb (toen de tweede man in het leger, samen met Bouterse de beramer van de staatsgreep van 25 februari 1980 - ah) is niet meer in ons midden. Dat moeten we betreuren.’
En na een kort zwijgen, zijn gezicht tot K. wendend: 'Ik moet nu wat vertrouwelijke dingen meedelen, maar dat mag wel.’ Hierna krijg ik een zeer heldere, uitermate grondige analyse van de politieke ontwikkelingen sinds 1982, van de huidige politieke situatie in het land, van de machtsverhoudingen, van de subtiele verhoudingen in het machtscentrum, enzovoort.
Ik word na deze openhartige en grondige uiteenzetting in mijn mening bevestigd: er is niemand in Suriname die een vollediger overzicht heeft van wat er in Suriname gebeurt dan Bouterse. Hij is de man die alles volledig onder controle heeft en die vanuit een groot besef van verantwoordelijkheid spreekt over de toestand in Suriname. Desi blijkt ook goed te weten welke oplossingen nodig zijn en zijn politieke timing en feeling dwingen mijn bewondering af. Ik constateer (wat ook anderen mij reeds hadden bericht) dat Desi een enorme groei heeft doorgemaakt. Hij evolueert gestaag van politicus naar staatsman. Zijn 'oefenterrein’ lijkt mij zijn huidige functie van Adviseur van Staat.
Mensen die menen dat Bouterse weg te denken is uit het huidige Surinaamse politieke bestel,begaan een dwaling en weten niet waarover ze praten. Zijn wegvallen op dit moment uit het politieke machtscentrum zou een chaos creëren zoals Suriname nooit eerder heeft gekend.
Aan het einde van het gesprek word ik nog meer gesterkt in mijn opvatting dat het 'tijdperk Bouterse’ niet alleen allang is aangebroken, maar bovendien ook nog lang niet over zijn hoogtepunt heen is!
Als Desi uitgesproken is ben ik dusdanig 'bijgepraat’ dat ik mij, met de nodige bescheidenheid, voor jaren 'de best geïnformeerde man van Suriname’ mag noemen.
AAN HET SLOT van het gesprek breng ik te berde wat ik dacht dat een moeilijk punt zou zijn. Ik zeg tegen Desi dat hij weet dat Cyrill Daal en Eddie Hoost goede persoonlijke vrienden van mij waren. En dat ik nog steeds geen afscheid van hen heb kunnen nemen. En ook niet van mijn vader, die in 1992 stierf. Al die jaren heb ik, door angst bevangen, geen voet op Surinaamse bodem durven zetten.
Ik zeg dat mijn geweten daar zwaar door is belast en dat ik na die zestien jaar geen voet op Surinaamse bodem kan zetten zonder alsnog op een behoorlijke wijze van hen allen afscheid te nemen. Ik zeg erbij dat het om een strikt persoonlijke kwestie gaat en dat het niets te maken heeft met politiek. Ik wil eenvoudigweg doen wat mijn geweten mij voorschrijft te doen om daardoor zonder een bezwaard gemoed verder te kunnen leven.
Aandachtig hoort Desi mijn verhaal aan en zegt onmiddellijk daarna: 'Natuurlijk moet je dat doen, we hebben nu eenmaal in dit land een cultuur om op een bepaalde wijze met onze doden om te gaan. Ik heb alle begrip voor wat je je voorneemt te gaan doen.’
Dit was een hevig emotioneel moment in de ontmoeting, die twee uur geduurd heeft. Aan het slot stelt Bouterse 'een reünie-ontmoeting’ voor, nog tijdens mijn korte verblijf. En hij vindt het beslist noodzakelijk dat ik 'laat ik het noemen: een beleefdheidsbezoek’ breng aan president Jules Wijdenbosch. De president is nu weliswaar uitlandig, maar wordt binnen twee dagen terug verwacht. Desi zal zien wat hij kan regelen en dan belt hij mij wel op als het allemaal gelukt is.
Na de ontmoeting ga ik met Iwan en Nizaar naar het hotel waar 'de Chinees’ op mij wacht. We besluiten naar het actiecentrum van de gezamenlijke oppositie en vakbeweging te gaan. Sinds elf uur is de manifestatie in volle gang. Onze gezamenlijke conclusie is dat op het hoogtepunt van de meeting niet meer dan drie- tot vijfduizend mensen op de been waren. Beslist niet de vijftienduizend die Somo minimaal noodzakelijk achtte om van een succes te kunnen spreken.
10 JUNI - Op het terras van het hotel kom ik ir. Edward N. tegen. Hij is mijningenieur en lid van een bekende familie waarvan alle andere leden politiek actief zijn (geweest). Als hij mij ziet schrikt hij enorm en roept hij: 'Altijd als jij in het land bent, ontstaan er problemen!’ We lachen beiden om deze opmerking, maar mijn lach is meer die van een boer met kiespijn. Edward is niet de eerste die deze samenhang suggereert en het is allerminst leuk om voortdurend als 'architect van maatschappelijke en politieke onrust’ geafficheerd te worden.
11 JUNI - Dit is de dag die ik heb uitgekozen om de graven van mijn vader, Cyrill Daal en mr. Eddie Hoost te bezoeken. Eindelijk kan ik afscheid nemen van mensen die mij zeer dierbaar waren. Het zal om meerdere redenen ook een uiterst treurige dag worden.
Van mijn vader weet ik dat hij op Marius Rust begraven ligt en van Cyrill Daal dat hij op Annettes Hof moet liggen. Bij geruchte heb ik vernomen dat Eddie Hoost op de rk-begraafplaats rust.
Als wij stilhouden voor de poort van die begraafplaats, stormt een zwerm creoolse jongemannen op ons af. Ze bezweren ons dat Hoost inderdaad op deze begraafplaats begraven ligt, dat zij zijn graf weten te vinden, maar daar moet voor betaald worden. 'De Chinees’ wil eerst het graf zien en dan pas betalen. Ze wijzen hem een graf aan waar geen steen op ligt omdat het nog vers is: dat kan dus nooit het graf van Hoost zijn.
We gaan naar Marius Rust. Daar bevindt zich gelukkig wel een register en het nummer van de grafkelder van mijn vader is zo gevonden. 'De Chinees’ vraagt tussen neus en lippen door naar het graf van Eddie Hoost. Het blijkt dat ook hij op Marius Rust begraven is!
Het is middag geworden. Na lang zoeken vinden wij het graf van Hoost. Welig tierend onkruid en een boom met overhangende takken hebben zijn graf aan het zicht onttrokken. Ik laat een hosselaar het graf van onkruid zuiveren en de takken wegkappen. Daarna leg ik een bos bloemen en kniel ik op het graf. Ik prevel een gebed voor Eddie en lees hem het volgende gedicht van Nicolaas Beets voor:
'De Moerbeitoppen ruisten/ God ging voorbij/ Neen, niet voorbij, hij toefde/ Hij wist wat ik behoefde/ En sprak tot mij;// Sprak tot mij in den stillen/ Den stillen nacht/ Gedachten, die mij kwelden/ Vervolgenden en ontstelden/ Verdreef hij zacht.// Hij liet zijn vrede dalen/ Op ziel en zin/ 'k Voelde in zijn vaderarmen/ Mij koestren en beschermen/ En sluimerde in;// Den morgen die mij wekte/ Begroette ik blij/ Ik had zo zacht geslapen/ En Gij, mijn Schild en Wapen/ Waart nog nabij.’
Ik wens Eddie Gods vrede toe en de zielerust die hem toekomt.
Dan gaan wij op zoek naar het graf van mijn goede en dierbare vader. De begraafplaats is door de vele slagregens van de laatste dagen in een modderpoel veranderd. Openstaande grafkelders zijn volgestroomd met regenwater. Het onkruid komt soms tot kniehoogte.
Systematisch kammen wij de begraafplaats uit. Wij vinden, ook na een aantal keren de begraafplaats te zijn rondgeweest, niets. Bijna wil ik de bloemen dan maar neerleggen op het graf van een andere, mij onbekende Haakmat, die ik meermalen voorbij ben gelopen.
Ik maak nog een laatste ronde. Ik kom bij een plek waar Nizaar zich al enige tijd ophoudt. Die plek ben ik zelf twee keer voorbijgelopen. Nu zie ik het pas: het graf van mijn vader!
Ik schreeuw naar Nizaar en 'de Chinees’ dat ik het graf van mijn vader gevonden heb. Zij komen toegesneld. En dan zegt Nizaar tegen mij :'Het is de zoon die de vader moet vinden.’ Ik begrijp dat Nizaar al die tijd wist waar mijn vaders graf was. En dat hij geduldig gewacht heeft totdat ik zelf de vondst zou doen.
Ook op het graf van mijn vader leg ik een bos bloemen neer. Ik kniel op de grafsteen en bid voor hem, die als een gelovig man gestorven is, het Onze Vader. Als de tranen over mijn wangen stromen verwijderen Nizaar en 'de Chinees’ zich discreet. Er zijn nu eenmaal in het leven van die wegen die een mens alleen heeft te gaan.
Het afscheid viel zwaar en dat komt mede doordat ik niet de moed had mijn angst te trotseren om aan dit graf te kunnen staan toen hij begraven werd. Op het graf geknield vraag ik vader daarvoor vergiffenis. Uit dankbaarheid voor zijn levenslang zwoegen en ploegen om al zijn kinderen een goede opvoeding te geven, lees ik hem het gedicht voor van Karel van de Woestijne, Wijding aan mijn Vader. 'Ik, die thans ben als een die in den avond vaart/ en moe de riemen rusten laat.’
Daarna begeven wij ons naar het graf van Cyrill Daal. De Moederbond heeft als eerbetoon een opvallende zerk op en om het graf laten bouwen. Ik hoef mijn ogen dus slechts over de dodenakker te laten gaan om het graf te vinden. Het ligt midden op de begraafplaats.
Op het graf ligt een verdorde krans. Die is daar enige maanden terug door de Moederbond neergelegd. Mijn bloemen leg ik ernaast. Dan kniel ik op zijn graf neer. Ik lees Daal voor uit 2 Timotheüs 4, de verzen 7 en 8.
Nizaar staat erbij als ik, naar een zeer oude Surinaamse gewoonte, het woord richt tot Cyrill. Het Surinaamse volksgeloof wil dat de dode recht uit het hart gesproken woorden hoort. Ik verzeker Cyrill dat zijn vriendschap diep in mijn leven heeft ingegrepen dat sinds het moment dat hij er niet meer was ook een wezenlijk deel van mij is afgestorven.
Het gedicht dat ik uitgekozen heb om op het graf van Cyrill te lezen is dat van Joost van den Vondel, de Geuzenvesper of Ziekentroost.
Als ik het graf van Cyrill verlaat word ik op deze warme dag bevangen door een ijzige kou. Het zweet gutst van mijn voorhoofd en ik voel een rilling over mijn hele lichaam. Daarna moet ik diep zuchten en diep ademhalen. Een bevrijd gevoel neemt bezit van mij. Uiterst verlicht geworden van binnen blik ik recht in de stralende zon en ik merk dat ik er geen last van heb.
Ik weet nu zeker dat al degenen van wie ik vandaag afscheid heb kunnen nemen, hoog verheven staan boven het gekrakeel in het Suriname van vandaag. Geen mens kan ze meer kwaad doen!