Retour paramaribo (2)

12 JUNI 1998 - Het nieuws meldt dat president Wijdenbosch gisteravond in Suriname is teruggekeerd. Hij heeft in Amerika een drugsconferentie bijgewoond. Op het vliegveld Zanderij gooit hij olie op de golven door te verklaren dat hij ‘niets weet’ van een ‘nationale crisis’ in het land. Prompt volgt vandaag de reactie uit de oppositionele hoek. De algemene staking wordt met een dag verlengd en er wordt een ultimatum gesteld aan de President. Hierop reageert de President door tot ieders verrassing een televisietoespraak voor vanavond aan te kondigen.

Als het zover is zit ik natuurlijk gekluisterd aan het televisietoestel. De President leest een ambtelijk geformuleerde tekst voor aan het einde waarvan hij aankondigt reeds de volgende dag ‘consultaties’ met alle functionele groepen (lees: maatschappelijke groeperingen) te zullen beginnen.
Door de politieke stroomversnelling die nu op gang is gekomen zie ik niets meer terechtkomen van mijn 'beleefdheidsbezoek’ aan de President en van de 'reünie’ met Desi Bouterse. Deze beide zaken moeten dan maar worden verschoven naar een volgend bezoek.
De rest van de dag ga ik de buitenwijken van Paramaribo verkennen. De stad, valt mij op, breidt zich almaar uit. Paramaribo is qua oppervlakte nu al zeker groter dan Amsterdam. Zowel de oude binnenstad als de buitenwijken zien er behoorlijk onderhouden uit.
13 JUNI - Voor deze dag staat alleen een bespreking met mr. R. op het programma. Mr. R. is advocaat, en via een contactpersoon staan wij al enige tijd met elkaar in contact. In verband met mijn voornemen mij op termijn en gefaseerd in Suriname te vestigen, is het contact met mr. R. gelegd.
Wij bereiken vlot een principeovereenstemming en zullen nu al een volledige samenwerking tussen onze beide kantoren aangaan. Ik zal een gedeelte van mijn werkzaamheden naar zijn kantoor verleggen en periodiek aldaar spreekuur houden.
14 JUNI - Als ik ontspannen op het terras van het hotel zit, staren twee verbaasde, bruine ogen mij aan. Ik doe of ik niets merk, maar ik weet zeker dat die reebruine ogen Ronnie Brunswijk toebehoren. Dan weet ook hij het zeker: 'Meester, hoe gaat het met u?’
Hij stormt op mij af en ook van hem krijg ik een 'brasa’. Plus een nadrukkelijke uitnodiging hem in Moengo te komen bezoeken. Nee, niet 'voor even’ of voor 'een dag’ - 'minstens twee dagen’ moet ik komen slapen in zijn woning.
Ik hoor zijn klacht aan over het verloop van de strafzaak die het Haarlemse parket tegen hem aanhangig heeft gemaakt. Hij wordt van invoer van cocaïne in Nederland beschuldigd en moet ergens in oktober van dit jaar terechtstaan. Brunswijk vertelt mij in kleuren en geuren het verhaal waaruit zijn blanke onschuld moet blijken.
15 JUNI - Deze dag had ik bestemd om een bezoek te brengen aan een van de departementen waaraan ik zeventien jaar geleden als minister leiding heb gegeven en van waaruit ik destijds de scepter zwaaide over drie andere departementen: het ministerie van Justitie. Minister op dit departement is thans de bijna zeventigjarige voormalige advocaat-generaal mr. Paul Sjak Shie.
Als ik hem bel voor het maken van de afspraak en mijn naam noem, hoor ik een geëxalteerde reactie aan de andere kant: 'Wat? Haakmat? De grote Haakmat? Maar die zit toch in Amsterdam? Wat? Je bent in Suriname? Je was me baas, weet je dat nog?’
De minister betreurt het dat hij mij vandaag wegens lopende afspraken, waaronder een kabinetsberaad, helaas niet kan ontvangen. 'Maar morgenochtend vroeg, om half negen, kan beslist wel.’ De afspraak wordt gemaakt.
De rest van de dag is daardoor vrij en die benut ik door mij verder weg van hartje Paramaribo te gaan oriënteren. Waar ik ook kom, ik voel ogen in mijn rug prikken. De mensen vermoeden wel wie ik ben, maar ze weten het niet zeker.
16 JUNI - Na gefitnessd te hebben begeef ik mij in gezelschap van Nizaar naar mijn derde (of vierde?) opvolger op het ministerie van Justitie. Wij nemen een taxi en komen zodoende tien minuten eerder aan dan afgesproken. Als de minister arriveert en mij ziet zitten, wil hij zich duizendmaal verontschuldigen voor zijn te laat komen. Ik wijs hem er tijdig op dat niet hij te laat is, maar dat wij te vroeg waren.
Van Sjak Shie kom ik onzettend veel te weten over hoe de strafzaak tegen Bouterse vanuit Nederland is georganiseerd. Ik heb kunnen controleren of mededelingen die minister Winnie Sorgdrager in de Nederlandse Tweede Kamer heeft gedaan op juistheid berusten.
17 JUNI - Ik sta vroeg op, want om zeven uur is het vertrek naar het uiterst westelijk gelegen district (lees: provincie) Nickerie gepland. Ik ben gewaarschuwd voor de slechte weg, maar die blijkt de beste die ik in Suriname heb bereden.
In die zestien jaar bleek in Nickerie niets te zijn veranderd, de tijd is gewoon stil blijven staan. Overal onafgemaakte ontwikkelingsprojecten, die in verval raken. Zonder uitzondering staat op borden bij 'financiering’, vermeld: 'uit verdragsmiddelen’. Dat wil in Suriname zeggen: uit Nederlandse ontwikkelingsgelden.
Terug in Paramaribo maak ik mij klaar voor een gesprek met drs. Hans B. Hij is een politieke prominent van de oppositiepartij NPS, die deel uitmaakt van het Front. In de vorige regering leverde deze partij in de persoon van drs. Ronald Venetiaan de president van het land. Wijdenbosch heeft Venetiaan dus onttroond.
Hans is een moreel hoogstaand persoon, ook in Suriname een snel uitstervend ras. Waarom Nederlandse journalisten bij hun bezoek aan Suriname nooit deze mensen vinden om te interviewen, blijft voor mij een raadsel.
Vanavond heb ik met Hans te bespreken: de interne partijpolitieke situatie van de diverse partijen; wat er nu gaande is in Suriname; en hoe het nu werkelijk gesteld is met de cocaïne in Suriname. Is Suriname een narcostaat (geworden)? De visie van Hans op dit laatste punt is verrassend.
In de afgelopen dagen had ik namelijk vele personen gesproken en allen waren de overtuiging toegedaan dat het 'wemelt van cocaïnegelden’ in Suriname. De bewijsvoering verloopt grosso modo langs de volgende lijnen: Kijk, Suriname produceert zelf niets. Toch wordt er overal gebouwd. De ene woning nog groter dan de andere. Paleizen verrijzen als paddestoelen uit de grond, voorzien van enorme schotelantennes. Het moeten toch cocaïnegelden zijn die op deze wijze witgewassen worden?
Hans echter maant tot uiterste voorzichtigheid. Niemand heeft ooit onderzoek naar deze situatie ingesteld. Alle beweringen op dit punt zijn op gissingen gebaseerd, zegt hij.
18 JUNI - Op advies van de Chinees en Iwan zet ik mij ’s avonds aan het schrijven van een 'afmeld-brief’ aan Desi. Zondag vertrek ik namelijk beslist weer naar Nederland en uit te sluiten is, gelet op de verwikkelingen in het land, dat ik nog kan rekenen op een gesprek met de formeel machtigste man van het land en met de materieel machtigste man van het land.
Terwijl ik de brief schrijf komt de vraag bij mij op of ik zal ingaan op twee onderdelen uit het gesprek met Desi. Desi had namelijk, mij strak in het gezicht kijkend, twee zaken aan de orde gesteld die ik niet zo gauw in een context kon plaatsen.
Onmiddellijk na het gesprek zei Iwan (die zwijgend het gesprek had bijgewoond) dat Desi een reactie van mij had verwacht en dat het jammer was dat die was uitgebleven.
Het betrof de volgende twee kwesties.
Geheel ontspannen vertelde Desi dat ik wel weet hoezeer hij aan 'sport’ gehecht is; dat hij in zijn leven onnoemelijk veel aan sport had gedaan en nog steeds veel sport. Dat de jaren nu weliswaar waren gaan klimmen, dat hij al wat grijs wordt aan de slapen, dus 'topprestaties’ moest men niet meer van hem verwachten. 'Kijk, André, hollen om een verre dieptepass te halen zal mij misschien niet meer lukken, maar met de bal tussen mijn benen scherp links en daarna rechts uitwijken lukt beslist nog wel. En nu jij, André, zou jij nog vier ministeries kunnen runnen? Zou je dat nog kunnen?’
Op deze vraag had ik geen antwoord gegeven.
En nu de opmerking waarop ik niet heb gereageerd. Het gesprek was inhoudelijk amper op gang gekomen.
Desi zei: 'Laat me je dit zeggen, André. Jij hebt veel meer in je mars dan, laat me maar wat noemen, Saddam Hoessein. Die man kun je een aantal malen in je zak steken. Toch speelt Saddam Hussein op het internationale politieke vlak een zeer belangrijke rol. Zo'n rol zou je ook hebben kunnen spelen, je hebt er de kwaliteiten voor.’
De reden waarom ik niet reageerde was dat de vergelijking met Saddam Hoessein mij volkomen in de war bracht. Vanuit welk oogpunt maakt Desi deze vergelijking, vroeg ik mij af. En wat was de bedoeling? In het Westen wordt de goede man verguisd, maar in veel derde-wereldlanden is Saddam Hoessein een held vanwege het feit dat hij de 'luis in de pels’ van het machtigste land ter wereld durft te zijn.
Volgens Iwan en ook volgens de Chinees was die vergelijking positief bedoeld en ook belangrijk. Door het uitblijven van een reactie van mijn kant had ik nu een 'onzekerheid’ gecreëerd.
Ik vraag mij dus af of ik in de 'afmeld-brief’ alsnog op de beide kwesties moet terugkomen en mogelijk gecreëerde 'onzekerheden’ moet wegwerken. Ik besluit tot een aanpak waar Desi in ieder geval mee uit de voeten zal kunnen en waardoor ik voor mezelf tot het moment dat echt keuzes gemaakt moeten worden, een vrije ruimte creëer.
We zien wel, denk ik, waar de lijnen elkaar in de toekomst zullen ontmoeten.
Desi heeft voorlopig interessant leesvoer genoeg, stel ik tevreden vast als ik de brief afsluit.
19 JUNI - Voor vanavond is een bezoek aan 'tori-oso’ (het verhalenhuis) gepland. Tori-oso is het best te vergelijken met het cultureel centrum De Balie in Amsterdam. Het is een permanent discussiecentrum waar, vooral op vrijdagavond, tout cultureel en intellectueel Paramaribo langskomt.
De enige vrouw en de enige dominee (Leendert P.) in het gezelschap beginnen met mij een tête-à-tête. De vrouw fluistert mij in het oor dat er dit jaar in Suriname veel kleine kinderen zijn vermoord. Hetzij door hun eigen moeder (vanwege een nieuwe relatie), hetzij door hun stiefvader. Volgens haar wordt dit jaar voor Suriname zeker 'het jaar van de kindermoorden’. Als ze het ongeloof in mijn ogen ziet, gooit ze de kwestie 'in de groep’. Haar verhaal wordt warempel door de anderen bevestigd. Niemand heeft een verklaring voor dit vreemde verschijnsel.
Ik breng de discussie weer op de politiek. Weliswaar is dat in Suriname ook eng terrein, maar ik voel mij er beter thuis.
20 JUNI, ZATERDAG - Met Nizaar en de Chinees vertrek ik naar Oost-Suriname. We moeten het veer op voor de oversteek van Paramaribo naar Meerzorg, dat aan de overzijde van Paramaribo is gelegen. Er is een file van belang en het is op het veer een drukte van belang.
De weg naar Oost-Suriname is aanmerkelijk slechter dan de weg naar West-Suriname. De gevolgen van de 'binnenlandse oorlog’ (de strijd tussen het Surinaams Nationaal Leger en het rebellenlegertje van Brunswijk) zijn zichtbaar. Op vele plaatsen werd de weg uit militair-strategisch oogpunt namelijk opzettelijk vernield.
In Moengo ontdekken we een Javaans eethuisje en doen ons tegoed aan de heerlijke gerechten. De uitbater is somber over de toekomst van Moengo. Niemand is in Suriname in lange-termijndenken geïnteresseerd, sombert hij. Hij adviseert dat wie lange-termijninvesteringen in Suriname wil doen zijn geld beter in de Surinamerivier kan gooien.
In mineurstemming verlaten wij Moengo en komen laat in Paramaribo aan. De reis was zeer vermoeiend, maar daarop volgt gemeenlijk, zoals bekend, een diepe slaap.
20 JUNI - Er is vanavond een klein afscheidje voor ons georganiseerd in de kolossale woning van de Chinees. De Chinees, bij mijn weten de enige (gelovige) Boeddhist in Suriname, was begin juni vijftig jaar geworden. Iwan koppelde de beide zaken aan elkaar. Ik sleep dominee Leendert die plotseling kwam aanwaaien mee naar het feestje bij de Chinees.
Als zowel ik als de Chinees zijn toegesproken en Leendert op zijn eigen wijze een dankdienst heeft geleid, wordt van mij verlangd dat ik ook een toespraakje hou. Dat doe ik dan.
Ik grijp natuurlijk terug naar de periode dat ik zelf deel uitmaakte van het politieke machtscentrum en ik vertel wat anekdotes. Er wordt vrolijk gelachen, ook over de wrange grappen waarmee ik mijn toespraak lardeer.
Het is al weer drie uur in de ochtend als Nizaar en ik bij het hotel worden afgeleverd.
21 JUNI - Om 12 uur checken wij uit aan de balie van het hotel. De Chinees neemt ons mee naar zijn huis. Het noenmaal hadden wij namelijk beloofd met hem te nuttigen. Riek en Iwan voegen zich bij ons.
Tussen 2 en 4 uur moeten wij op het vliegveld zijn. Iwan en de Chinees brengen ons naar het vliegveld. De organisatie blijkt perfect te zijn: iedereen die dat moest weten bleek op de hoogte van ons vertrek en de zaken worden snel afgewikkeld.
We worden de VIP-room binnengeleid en wachten, gezelschap gehouden door de Chinees en Iwan, het vertrek van het vliegtuig af. Deze vertrek-VIP-room blijkt nog moderner en gerieflijker te zijn dan de aankomst-VIP-room. Het kan internationaal alle vergelijkingen doorstaan.
Precies op tijd vertrekt het KLM/SLM-toestel, richting Schiphol.
We komen op tijd op Schiphol aan.
Als ik mijn mobiele telefoon in werking stel, is de eerste die mij belt mijn zoon Pascal. Hij heeft het mij niet gezegd, maar ik weet dat hij zich grote zorgen heeft gemaakt over mijn reis naar Suriname.
Als ik zeg dat ik een fantastische tijd in Suriname heb gehad en hem vertel over mijn ontmoeting met 'de grote bevelhebber’, is hij een ogenblikje stil, maar daarna barst hij in lachen uit. Een 'bevrijdende’ lach, stel ik vast. Mijn veilige terugkeer moet al zijn zorgen hebben doen vervliegen.
Wat mij betreft: ik realiseerde me met deze reis een historische periode in mijn leven te hebben afgesloten en dat een nieuwe op het punt staat een aanvang te nemen. Wat dat zal betekenen voor mijzelf en voor het land en volk van Suriname zal de toekomst wel uitwijzen.