Decamerone (slot)

Retrograde

Terwijl de pest op de deur klopte, vertelden de Florentijnse jongeren van Giovanni Boccaccio elkaar sterke verhalen over verliefdheid, waanzin en bedrog om de verveling van hun quarantaine te doorbreken. Nu, zevenhonderd jaar later, kunnen we die traditie voortzetten. Verteller nummer tien: H.M. van den Brink.

Er was eens een weg die nergens naartoe ging. Het was geen doodlopende weg, wie ’m volgde kwam weer op zijn uitgangspunt terecht.

Wandelen noemen ze zo’n beweging en hij had er zolang hij zich kon herinneren een intense hekel aan gehad. Zondagmiddagen met de familie, grootouders op visite, kniekousen aan onder een flanellen korte broek waarin een plooi was gestreken, nog misselijk van de taart de straat op, het park in en als toppunt van ellende je moeder een arm moeten geven, daar stond ze op, dat was verplicht, dat had ze nodig. Terwijl je elk moment een klasgenoot, of meer dan een, kon tegenkomen.

De afkeer was een herinnering geworden, achtergebleven in een verleden dat al ruim een halve eeuw achter hem lag, maar de beelden leken de laatste tijd juist dichterbij te komen en niet alleen de beelden, ook de nerveuze stem van zijn moeder, het geluid van haar hakken, de geur van een zakdoek met 4711, en, maar dat hooguit een enkele keer, de geur van tabak op de adem van zijn vader.

Nu keek hij ’s ochtends al uit naar de avondwandeling, steeds langs dezelfde route, beginnend bij hun tuinhek en daar dus ook weer eindigend, met als enige beslismoment de vraag of ze linksom of rechtsom zouden lopen, zijn vrouw en hij, wat natuurlijk de keuze voor een ander perspectief inhield maar wel op steeds dezelfde dingen.

Ze hadden het lente zien worden. De kleuren veranderden, bruin werd groen in steeds meer tinten, er hadden sneeuwklokjes in de berm gestaan, toen bloeiden er in het weiland duizenden narcissen, gevolgd door een paars kruid waarvan hij de naam niet kende, daarna klaver en boterbloemen terwijl het gras pluimen had gekregen die tot boven je knieën reikten. Ze hadden eerst nog truien en jassen gedragen, de laatste dagen alleen maar een hemd.

Over de vraag hoeveel weken de quarantaine in hun zomerhuis nu al duurde moest hij steeds langer nadenken, hij was de tel kwijtgeraakt, ze vloeiden in elkaar over, de weken, ze bestonden soms uit zeven dagen, soms uit meer of minder, ze hadden ook eigenlijk geen namen nodig, de dagen, een zonsopgang en een zonsondergang waren ruim voldoende, de provisiekast was zo goed gevuld dat hij nauwelijks leger leek te worden.

Hij kon zich inmiddels best voorstellen dat het altijd zo zou blijven, deze dromerige toestand, dat ze langzaam zouden wegglijden in een ouderdom die op haar beurt geleidelijk zou overvloeien in – ja, in wat wist hij niet, want dat weet niemand, maar het sprak voor hem vanzelf dat ze het samen zouden doen.

Ze wandelden meestal zwijgend. Een goed teken. Ze waren niet alleen met het landschap maar ook met elkaar compleet verbonden, daar twijfelde hij niet aan.

Het was niet helemaal waar dat ze met zijn tweeën waren. Zij stond elke ochtend eerder op dan hij. Dan trok ze de glimmende kleren aan die ze de avond tevoren al had klaargelegd en sloop ze op kousenvoeten de kamer uit. Voor ze de deur zo zacht mogelijk achter zich sloot keek ze nog even om naar het vertrouwde, verkreukelde hoofd op het kussen. Hij slikte, hij woelde, maar werd niet wakker.

In de bijkeuken was het kil en nog klam van de nacht. Ze zette de laptop op de vrieskist, ritste haar trainingsjack dicht, legde een rubbermatje op de betonnen vloer en startte het programma.

Op het scherm verscheen een jonge vrouw die Sita heette.

‘Hallooo…’ riep ze vanaf het scherm, alsof ze de honderden kilometers tussen het Franse platteland en de binnenstad van Amsterdam ook met haar stem moest helpen overbruggen.

Ze wandelden meestal zwijgend. Een goed teken. Met elkaar compleet verbonden

Sita droeg net zo’n jack en net zo’n legging als zij. Maar wel elke ochtend een andere, felle kleur. Ze wisselde ook vaak van decor. Nu eens stond ze in een zolderkamer waar fel zonlicht door een schuin raam naar binnen stroomde, dan weer in iets wat leek op een garage of in een park langs een spoordijk waar ze nog luider moest spreken omdat er op de achtergrond af en toe een trein voorbijkwam.

‘Hallo Sita’, antwoordde ze zacht, terwijl ze de laatste restjes slaap uit haar lichaam voelde stromen om plaats te maken voor de vrolijke energie waar ze de rest van de dag op kon teren.

Naast de vrieskist stonden twee grote, volle waterflessen klaar om als gewichtjes te gebruiken. Op aanwijzing van Sita maakte ze haar spieren los. Diepe kniebuigingen, naar links en naar rechts reiken boven de schouders, draaien met de heupen voor een strakke taille.

‘Oftewel tal-juh, zoals ze bij mij in de straat zeggen’, merkte Sita op. Ze praatte aan één stuk door, zonder te hijgen.

Over het opruimen van keukenkastjes en kelderboxen (‘niet alles tegelijk willen, haalbare doelen stellen’).

Over trektochten door de wildernis van Yosemite Park (‘ik kón niet meer, maar je hebt geen keus, je moet door, háál nou ook het einde van deze oefening, mensen!’)

‘En waarom dóe ik dat nou?’ vroeg ze het onzichtbare publiek aan de andere kant van haar camera. ‘Waarom praat ik zoveel? Om jullie áf te leiden! Zodat je niet denkt aan waar je mee bezig bent maar lekker aan iets heel ánders. Kom op. Hou nog even vol.’

Alles kwam aan bod: armen, benen, schouders, buikspieren, en natuurlijk the core, dat fysieke en spirituele middelpunt waar alles om draaide en waarin alles samenviel. Na krap een half uur wuifde Sita in de camera. ‘Wat leuk dat je er wás!’

In de bijkeuken werd het stil. Ze bleef nog even liggen, rug op het dunne rubberen matje, ogen afwisselend gesloten en gericht op de dubbele tl-buis aan het plafond. Als je er lang in keek leek het of hij knipperde. Pas bij het overeind komen voelde ze dat haar lichaam niet alleen warm was en tevreden maar ook niet meer zo jong. Ze dacht aan de rest van de dag, met aan het eind ervan de verplichte wandeling. Nog een uur had ze voor zichzelf. Dan zette ze koffie en bracht een kopje naar haar man – met één zoetje, niet de twee suikerklontjes waar hij om vroeg. Hij zou tergend langzaam wakker worden, terwijl de zon al hoog aan de hemel stond.

Zo kropen de dagen voorbij.

Na zijn pensionering, ook alweer bijna tien jaar geleden, hadden ze dozen vol boeken naar het zomerhuis gebracht en in kasten langs de wanden van de woonkamer bijgezet. Gesorteerd op alfabet en, zoals dat gaat, daarna dus nooit meer aangeraakt.

Tot nu. Hij was begonnen met herlezen.

Met open mond keek hij haar aan, nog steeds balancerend op het wankele krukje

Zij volgde het nieuws, digitaal, en luisterde met een half oor naar wat hij vertelde zodra hij een boek uit de rij had losgewrikt. Zijn enthousiasme evenaarde dat van Sita wanneer hij in herinnering bracht waar en wanneer hij het gekocht had, of gekregen, en van wie. Hij las passages aan haar voor, bewonderend, vertederd, door de tekst en door zijn vroegere zelf. Zij reageerde niet. Tot vandaag.

Hij stond op een krukje, in zijn hand een bestseller uit 1972 waarvan de auteursnaam met een B begon, en gaf hikkend van de lach een paar bijzonder geslaagde zinnen ten beste.

Zij keek op van haar laptop en zei: ‘Leuk voor jou dat je aan het behang begonnen bent. Maar kan het allemaal wat minder luidruchtig?’ Ze schrok er zelf van.

Hij verstijfde. Voorzichtig draaide hij zich verder naar haar toe. Hij droeg een ruimvallende korte broek over zijn witte benen en een polo met een verwassen wapen boven zijn linkertepel en daarvan was hij zich opeens pijnlijk bewust.

Met open mond keek hij haar aan, nog steeds balancerend op het wankele krukje. Toen sloeg hij het boek dicht, hernam zich en zei: ‘Al eeuwen vertellen mensen elkaar verhalen om het leven draaglijk te maken. We kunnen niet zonder. We zijn niets zonder een verhaal.’

‘Je kan natuurlijk ook wat dóen, in plaats van er alleen maar over te lezen en te praten.’

‘Het is een klassieke fout om te denken dat de hoofdpersoon van een verhaal dezelfde als de verteller is.’

‘Klopt, dus als wij een verhaal zijn, dan wil ik eruit.’

Hij stapte met een gewaagde beweging van het krukje af, dat een krijsend geluid maakte op de tegelvloer, en zodra hij zijn evenwicht hervonden had, liep hij naar het buffet waarop de sterke drank stond en schonk zichzelf een stevige Poire William in.

Zij klapte de laptop dicht. Er klonk iets triomfantelijks in haar stem toen ze zei: ‘Je weet dat er over twee weken weer gereisd mag worden, dat de grenzen opengaan?’

Die avond stond hij alleen voor het huis en probeerde hij te beslissen of hij de wandeling linksom of rechtsom zou maken. Zij stond in de achtertuin. Het waaide. Ze keek over het weiland naar een boom waarvan het enorme, uitgestrekte bladerdek scherp afgetekend stond tegen de eindeloos blauwe hemel en op zichzelf al een heel landschap leek dat voortdurend in beweging was.

Hij probeerde zich te herinneren welke politica ook weer verkondigd had dat je niet hoefde te kiezen. Je moest gewoon recht-door-zee. Maar daar was geen weg.

Voor hij het huis verliet had hij in de badkamerspiegel gekeken. Als hij zijn hoofd op een bepaalde manier schuin hield, zag hij, steeds vaker, in zijn gezicht het gezicht van zijn moeder en haar hulpeloosheid in zijn ogen.