Klassieke muziek: Daniel Lozakovich

Retrotaart

Daniel Lozakovich © Lev Efimov / Deutsche Grammophon

2016. Een violist van vijftien mag op audiëntie bij Deutsche Grammophon, de deftigste platenmaatschappij ter wereld. Jou kunnen we gebruiken, topper, zegt de labelchef. Hoe dacht je de New York Times en de Süddeutsche te verpletteren? Met Mendelssohn, Tsjajkovski, Brahms, Saint-Saëns, Vieuxtemps?

Bach, zegt Daniel Lozakovich. Geen vuurwerk. Muziek waarin ik niets kan verbergen. Lozakovich is voorlijk voor zijn leeftijd, of iemand heeft hem ingepeperd dat hij niet als circusnummer in de krant moet. Zo debuteert hij met Bach, begeleid door het zacht wiegende Kammerorchester des Symphonieorchesters des Bayerischen Rundfunks; de concerten in E-groot en a-klein, Partita No. 2 voor viool solo.

Ik draai ze voor een gast die zijn klassieken kent. Bach, zegt de liefhebber. Mooi, en ik ken de uitvoering, wie is het ook alweer?
Kan niet, zeg ik, deze opname is nieuw. Waarom denk je hem te kennen?
Hij klinkt zo vertrouwd, zegt hij.

Daar zit iets in. Lozakovich speelt als de ouden. De kalme tempi zijn een daad van stilzwijgend verzet tegen de authentieke agitatie van de specialisten. Met een vroegrijpe innigheid en ruim van toon herkauwt hij kunstig eeuwenoude schoonheid. De langzame delen laat hij zweefvliegen op een ouderwets maar liefdevol geanimeerd legato, een beetje in het spoor van de grootmeesters die zijn DG-artiestenpagina input-behoeftige recensenten netjes voorkauwt met de inkopper dat ‘zijn bewondering voor oude vioolmeesters als Christian Ferras, Jascha Heifetz, Leonid Kogan en Yehudi Menuhin op zijn aanpak misschien een vormende invloed heeft gehad’. Dat kan inderdaad best zijn. Onweerstaanbare herinneringen aan de roodbruin gloeiende viool op de cover van een Bach-plaat uit mijn jeugd, een gonzend toverinstrument. Het zou de opname van David Oistrach of Arthur Grumiaux kunnen zijn geweest, grote oude meesters met die warme haardgloed. Ik denk aan mijn kindertijd, toen ik die plaat zag en voor het eerst die twee concerten hoorde. Daar was dus Bach, het baken dat al eeuwen niet kapot kon. Ik hoor een nestgevoel.

Het is Daniel Lozakovich, onthul ik, een Zweed van nu zeventien, net droog achter de oren. Hij speelt als de beste, zegt de vriend. Als de besten, corrigeer ik. Lozakovich geeft geschiedenisles. Hij speelt zijn luistergeschiedenis. Hij knoopt aan bij de jouwe. Hij verkoopt nostalgie. Je hebt dit honderden keren gehoord. Elke keer klinkt het als die honderden vorige keren, elke keer een beetje meer. Lozakovich is als de kers op die exquise retrotaart. Hij komt je inpakken. Wat zou een jongen van zijn leeftijd anders moeten? Hij is een groot artiest in wording, een galant vibrerende versierder. Hij eert zijn voorgangers en jouw romantische verwachtingen. Dat doet hij zonder twijfel mooi. Heel mooi. Ik moet nu diepgang zeggen. Maar ik kan het niet. Het is de imitatie van een oud geluk.

Wordt dit de zoveelste toppers-van-toen-carrière? Nu Bach, straks toch maar weer een Beethoven, Tsjajkovski, Brahms, Saint-Saëns en Berg die je vrienden dachten te herkennen, op een technisch steeds hoger niveau gestadig in herhaling vallend? Je gunt Lozakovich de breuk met die verstikkende verslaving aan tradities, dit corvee.