Reünie

Op mijn verjaardag heb ik taart gegeten van de bakker in Waxweiler, anderhalf uur door een druipnat bos gelopen met een aantal mensen en twee honden die elkaar niet uit kunnen staan, en vier uur in een auto gezeten, alleen onderbroken door het eten van een moddervet saucijzenbroodje in Nederweert. Ik werd 57 jaar oud, maar dat doet er voor deze column eigenlijk niet toe. Het kwam zo uit, die autorit, vandaar dat mijn verjaardag deels in Duitsland en deels in Nederland plaatsvond.

Een paar weken geleden kreeg ik een mail van mijn oude atletiekclub, DGLA. Dutch Gay and Lesbian Athletics, opgericht vlak na de Gay Games die in 1998 in Amsterdam plaatsvonden. Het twintigjarig jubileum werd gevierd, onder andere met een reünie. Op 28 april, na de jaarlijks door DGLA georganiseerde Roze Loop. Ik had gedacht: dat lijkt me nou een grappige afsluiting van die internationaal gevierde verjaardag en bovendien raakt daarmee de dag gevuld. Ik had me een beetje verheugd op het weerzien met mensen van toen. Toos, dacht ik, dát zou leuk zijn, en Ger en Marc en Wim en Erik Rollenberg, de voormalig meervoudig Nederlands kampioen hoogspringen. Het feest werd gehouden in polder, voorheen Anna Hoeve op het Science Park in Amsterdam. Ik fietste er broodnuchter heen. Toen ik het zaaltje binnenkwam, zat het hele gezelschap aan lange tafels. Het eten was net op. Ik zocht naar bekende gezichten, maar zag alleen onbekenden. Ik raakte kort de kluts kwijt, was er misschien nog een ander zaaltje? Was ik op het verkeerde feest? Het was te laat om om te keren: ik stond en de rest zat en hoofden werden al gedraaid.

Toen zag ik Ben en Christaan en Arie Kriebel. Aha, dacht ik, ik zit toch goed. Zij wezen me Cinta en Cisca en Vinco David en Henk. ‘Ja, maar’, zei ik, ‘waar zijn Toos en Ger en Marc en Erik en Wim?’ Het werd een vreemde avond. Ik keek steeds naar buiten, waar het langzaam begon te schemeren en dacht: ik kan nu weggaan, en met licht naar huis fietsen. Of, dacht ik dan weer, ik kan snel nog even een droge witte wijn naar binnen gieten, of twee of drie. ‘Chardonnay of Sauvignon Blanc?’ vroeg de waarschijnlijk speciaal voor de gelegenheid aangetrokken erg knappe, jonge barman. ‘Geen van beide, liever’, zei ik. ‘Maar ja, je zult wel niets anders hebben. Een Verdejo bijvoorbeeld? Of waarom schenken jullie geen Grauer Burgunder? Daar onderscheid je je mee. Die twee uitgekauwde Franse wijnen, nee, daar vind ik niks aan.’ Toch wilde hij weten welke ik wilde. ‘Doe maar iets’, zei ik. ‘Mij maakt het niks uit.’ Er kwamen onbekende mannen op me af die wilden weten wie ik was. Ik op mijn beurt vroeg: ‘Nee, de vraag is: wie zijn júllie?’ Nou, zij waren Rob of André of Kees of Paul en zij deden aan hardlopen bij DGLA. Twee ervan begonnen tegen me op te rijden, één aan de voorkant en één aan de achterkant. ‘Zulke dingen gebeurden vroeger helemaal niet!’ riep ik over de schouder van de mij van voren berijdende hardloper tegen Agnes Elling, die ik ook nog van vroeger kende. Later bleek dat de man die van achter tegen me aanreed, de enige niet-homo te zijn van de club. ‘Wat drink ik eigenlijk?’ vroeg ik aan de knappe, jonge barman. ‘Sauvignon Blanc’, zei hij.

Ik ging naar buiten om te roken en Vincent Elzinga liep met me mee. Ook zoiets vreemds: Vincent ken ik uit de boekenwereld en hij is nu secretaris van het bestuur. Nooit hebben we samen gesport bij DGLA. De bladeren van de iepen die godzijdank voor de boerderij zijn blijven staan ruisten boven onze hoofden. ‘Ik ben gevraagd voor het kerkkoor in Lasel’, zei ik tegen hem. 'Kun je goed zingen?’ vroeg hij. ‘Ja, best wel’, zei ik. 'Jij?’ Nee, Vincent had geen mooie zangstem en hij kon geen toon houden. We gingen weer naar binnen. Er klonk keiharde muziek en iedereen was bezig de feestaankleding te verwijderen. Het zaaltje was tot tien uur afgehuurd. Er werd gedanst door twee lesbiennes die ik niet kende. Ik kende inmiddels, buiten Vincent en Cinta, helemaal niemand meer. ‘Ik ga maar eens op huis aan’, zei ik tegen Vincent, die Cola Zero dronk.

Vroeger, dacht ik toen ik naar de Ringdijk fietste, vroeger was het hier mooi. Koeien en knotwilgen en wilde eenden en paardenkarren en melkmeiden en Pinksterbloemen. Vroeger fietste ik hier op de terugweg van de ijsbaan, woonden er antikraaklui in Anna Hoeve, hadden nieuwe straten geen aparte namen als Carolina MacGillavrylaan, was hier niet het National Institute for Subatomic Physics Nikhef. Ook dacht ik: als er geen vroeger was, zouden er geen reünies bestaan. Dat vond ik een erg diepe gedachte. Vervolgens dacht ik: morgen meteen Toos mailen. Vragen waarom ze er niet was. Waarom ik tussen voor het merendeel mij onbekende mensen een reünie had moeten vieren.

Toen ik thuis was, belde één van mijn oudste vrienden op om me te feliciteren. Hij en zijn vrouw lagen al lekker in bed. Ik dronk een Oude Rutte om de laffe smaak van de Sauvignon Blanc te verdrijven. Na een kwartiertje praten over tuinen en andere dingen van het leven zei ik: 'Nu drink ik trouwens rode port, want de oude Rutte is op.’ We belden bijna een uur, misschien wel tot in een nieuwe dag, een dag waarop ik niet langer jarig was. Oude vrienden, dat is fijn. En die eerste zin, daarin moet begrepen worden dat de twee honden elkaar niet uit kunnen staan. De mensen waren eveneens oude vrienden die het opperbest met elkaar kunnen vinden.