H.J.A. Hofland

Reus met groeistuipen

Eind november kreeg ik een mailtje uit Sjanghai, van iemand die daar was wegens handelsbelangen. Terrorisme is in deze brandschone hoofdstraten totaal afwezig, schreef hij. Ik moet er alleen niet aan denken wat er gebeurt bij een aardbeving of als er een vliegtuig neerstort. In de afgelopen tien jaar zijn er vijfduizend wolkenkrabbers bij gekomen. Iedere minuut is hier opwindend, aldus mijn mailman. Neem van mij aan dat hij een kosmopoliet is, iemand die zich niet snel laat verbazen.

Met enige regelmaat wordt bij ons in het Westen China opnieuw ontdekt. Na de oorlog voor het eerst toen we het in 1949 «aan de communisten verloren». Mao Zedong pakte de hervormingen grondig aan, waarbij hij buitenlandse pottenkijkers weerde. In de Koreaanse oorlog vochten Chinese «vrijwilligers» aan de kant van het Noorden. Ze werden door het Zuiden en de Amerikanen gevreesd om hun fanatisme. In 1955 kreeg een verslaggever van Le Monde, Robert Guillain, toestemming om hier en daar een kijkje te nemen. Hij schreef een serie waarin hij meldde dat «zeshonderd miljoen mieren» aan het werk waren om het land een ander aanzien te geven. We zouden er nog meer van horen. Het maoïsme, het Rode Boekje, de Culturele Revolutie. Hongersnood.

De enige zekerheid was en is dat er steeds meer Chinezen worden geboren. Ik eet iedere dag chinees, zei Wim Kan, maar het eet niet weg. Ieder jaar komen er ongeveer anderhalf miljoen bij. Tegen het einde van dit jaar zullen er 1,4 miljard Chinezen zijn.

Na Mao heeft zich onder Deng Xiaoping een hybride maatschappij ontwikkeld waarin, bij een snel toenemende economische groei, de communistische partij de baas is gebleven. Voor het Westen is China de aankomende supermacht in de nieuwe groei, de grote concurrent op de arbeidsmarkt en de potentiële bron van binnenlandse conflicten. Drie factoren in dezelfde vergelijking. De werkzaamheid van deze drie veroorzaakt de nieuwe herontdekking.

Groei vergt meer energie. China is daardoor een van de oorzaken van het stijgen van de olieprijs. Dat treft ongelukkig. Het was beter geweest als de opkomst van het terrorisme zich wat later had voltrokken, als de neoconservatieven in Washington minder haast hadden gehad met de democratisering van het Midden-Oosten, of dat kalmer hadden aangepakt. Door recente overproductie van de Opec zijn de olieprijzen weer wat gedaald.

Overproductie is een incidentele factor. De Chinese groei en het terrorisme zijn op het ogenblik structureel. Permanente factoren in het bepalen van de olieprijs. Het is dus denkbaar dat China zich, door de stijgende energiebehoeften, ertoe aangespoord zal voelen een markantere rol in de wereldpolitiek op te eisen, met in de eerste plaats meer invloed in het Midden-Oosten, dat nu het chaotische terrein van de Arabieren en het Westen is.

China dankt zijn snelle groei voor het grootste deel aan de export. Koop je in het Westen een wekker, een zakmes, een radio, elektronisch gereedschap, een horloge, dan is er een zeer grote kans dat er Made in China op staat. Het kost de helft tot een kwart van wat je ervoor zou moeten betalen als er Made in the USA op stond. Het is een van de landen met de laagste lonen.

Dat maakt niet alleen de exportproducten goedkoop. Daardoor wordt ook de export van arbeidsplaatsen uit het Westen naar China bevorderd. Juist deze week heeft het Nederlandse chemieconcern DSM bekendgemaakt dat het twee fabrieken, in Delft en Geleen, sluit. De productie wordt overgeplaatst naar China en India. Dat kost in Nederland 250 arbeidsplaatsen. DSM werkt sinds 1996 samen met de Chinezen. FNV Bondgenoten vreest nu voor het voort bestaan van andere fabrieken van DSM in Nederland. Deze vakbond is in zijn angst de enige niet. Export van arbeidsplaatsen was een van de strijdpunten in de Amerikaanse verkiezingen. Het is een probleem voor de hele westerse economie. Politieke concurrentie op het gebied van arbeidslonen is aan deze kant van de planeet uitgesloten. China en India zijn de wereldmachten van lage lonen en zullen dat voorlopig steeds meer worden.

Economische groei bestaat bij de gratie van politieke stabiliteit. Bij snelle groei zijn er onvermijdelijk sectoren die achterblijven. In China is dat vooral de kolenindustrie, waarin elk jaar een paar duizend mijnwerkers sterven. De metropolen aan de kust liggen ver voor op het platteland. Bij de nieuwe welvaart van de stadscultuur hoort een hoger gemiddelde van opleiding, een wijdere horizon, en onvermijdelijk ook meer media voor een veeleisend publiek van miljoenen. De regering handhaaft de censuur. Schotelantennes, waarmee naar buitenlandse zenders kan worden gekeken, zijn populair maar officieel verboden.

The Economist van 20 november geeft een overzicht van de verhoudingen in de Chinese mediawereld. Daaruit kunnen we opmaken dat in de grote steden de klassieke basis voor het verzet groeit. Wel meer verscheidenheid, meer welvaart, maar niet de vervulling die steeds dichter in het bereikbare verschiet ligt. Revoluties ontstaan niet uit bittere armoede maar uit situaties waarin een groot deel van het volk onverminderd aanspraak gaat maken op al zijn rechten.

Het Westen is bezig China opnieuw te ontdekken, voor de vierde keer binnen een halve eeuw. Nu als een reus met groeistuipen. In de gemondialiseerde economie proberen we ervan te profiteren, zonder er enige voorstelling van te hebben hoe dit enorme complex in voortdurende staat van wording ons straks zou kunnen raken. Dat weten ze in Peking ook niet.

«Wij waarschuwen China voor de laatste maal», heeft lang geleden een commentator van de Arnhemse Courant in zijn hoofdartikel geschreven. Dat is opnieuw het beste wat we ervan kunnen zeggen.