Reuzen

‘De reuzin heeft op het zaad geslapen’, verklaart de man naast mij aan het ontbijt. We dobberen in de haven van Antwerpen, in een hotelboot met zes kamers. De schippersvrouw heeft de avond ervoor al aangekondigd dat we gezellig ‘met z'n allen’ ontbijten aan de grote tafel. Ik heb me er dus, mentaal en fysiek, op voorbereid met vreemden te moeten praten op het tijdstip dat ik dat het minst graag doe, zaterdagochtend, maar hoe reageer je op zo'n opening: ‘De reuzin heeft op het zaad geslapen’?

‘De reuzin zegt u? Op…?’
‘Op ’t zaad’, herhaalt hij kalm, en smeert zijn broodje. ‘Jawel, ze heeft op ’t zaad geslapen.’ De andere gasten aan tafel knikken. Vast een Vlaams gezegde. Alhoewel ik die reuzin wel weet te plaatsen. De reuzen zijn
dit weekend talk of the town in Antwerpen.
Ik heb er gisteren al een gezien. In een straat tussen de haven en het centrum waren weerszijden met roodwit lint afgezet. Er was veel politie, een popconcertachtige herrie
en een mensenmenigte. Die stond zich te vergapen aan wat ik een gigantische carnavalswagen zou noemen, een vijf meter hoog meisje in regenjas, omringd door een circus van figuranten.
Ik bleef even staan, want ik heb een zwak voor carnavalswagens. Mijn oudoom, Louis Weijts, ontwierp zulke gevaartes in Bergen op Zoom. Sommige bronnen vermelden hem als de eerste mens op aarde die bewegende elementen introduceerde in zijn ontwerpen.
Pas op het zesuurjournaal, dat ik kijk in mijn kajuit, zie ik wat er aan de hand is. Een Franse kunstenaarsgroep voert dit weekend een spektakel op waarbij reuzen een verhaal uitbeelden in de stad, namelijk: De duiker, zijn hand en de kleine reuzin.
Niemand die vooraf weet waar de reuzen opduiken of wat hun route is. Alleen op internet verschijnen een uurtje vooraf cryptische aanwijzingen. Merkwaardig genoeg volstaat dat om duizenden mensen op de been te brengen. Dit is geen speurtochtje voor gamende nerds, Tolkien-fanaten of andere subculturen, dit is een avontuur voor het
hele volk.
Op elk terras gaan de gesprekken erover, mensen staan elkaar te bellen of ze al weten waar de reuzen uithangen, en zelfs de man die mij uitnodigde voor een Elsschot-avond, begon erover. ‘Het schijnt dat de reuzen bij jou in de buurt zijn’, zei hij door de telefoon. En toen we elkaar op een terras ontmoetten, was het meteen: ‘De reuzin is nu in mijn achtertuin. In het Zuid.’ Wacht eens even… Terwijl de man naast me zijn broodje kauwt, vraag ik: ‘In het zuid bedoelt u, de wijk?’
‘Dat zeg ik, op ’t zaad.’
‘En vandaag?’ wil een vrouw aan tafel weten. ‘Gaan ze elkaar vandaag ontmoeten? Dat zal dan wel op de Groenplaats zijn, niet?’
‘Ik weet in elk geval waar het personeel van die hele kermis het hoofdkwartier heeft’, meng ik me erin. ‘Hierachter, in de oude loodsen.’
Ik was er gisteravond langsgelopen op weg naar mijn eigen optreden. Verlaten loodsen, lege fabrieken: dan weet je dat je met de hoge cultuur van doen hebt. Mijn optreden vond plaats in De Shop, waar vroeger het havenpersoneel zichzelf voor werk aanbood, nu omgedoopt tot The Jolly Joker, naar de nooit-bestaande nachtclub waar Willem Elsschot in Het Dwaallicht melding van maakt (‘in de Zakstraat, waar goedkope meisjes zitten met zulke tieten’). Zwart-wit retroporno boven de balie. Jazzy muziek. Alternatief geklede jongeren, die in de donkere ruimte voortdurend met gebogen hoofd boven het blauwige schijnsel hangen van hun mobieltjes. Sigarettendamp. Ja, dit ziet er allemaal heel cultureel uit.
Bij de cocktailbar ontmoet ik een kennis, die ik vertel over mijn boothotel. ‘Ah, en heb je dan de Duiker uit het water zien komen?’ schreeuwt hij in mijn oor.
‘De wát?’
‘De Duiker. Die reus. Tien meter hoog. Die is daar uit het water gehesen.’
Ik vond het al verdacht druk op weg naar de haven. Die mensen waren vast niet allemaal op weg naar The Jolly Joker om te horen wat ik over Elsschot had te zeggen.
Het heeft iets fascinerends, dat reuzenproject. Het brengt een herleving van orale literatuur op gang in de hele stad, een opgewonden stroom van roddels, meningen, geruchten, speculaties.
Blijkbaar is er behoefte aan een collectief verbindend discours, zoals we dat vroeger in mythologie en volksverhalen hadden. Als er Iets Gebeurt dat de kleine particuliere anekdotes overstijgt, krijgt een gemeenschap ineens een middelpuntzoekende kracht. Je ziet het bij rampen, de vondst van babylijkjes of een politieke crisis. Maar bij dit straattheater op reuzenschaal is het juist iets vrolijks dat een gemeenschapszin mobiliseert.
Al vraag ik me wel af, op weg naar het station, waar een nieuwe lading reuzenzoekers uitwaaiert, of zoiets ook in Nederland kan. Waarschijnlijk niet. Of niet boven de grote rivieren. Want hier is een katholieke voorliefde voor folklore voor nodig, en een affectie voor carnavalswagens.