Film: ‘El reino’

Reuzengarnalen

Antonio de la Torre (midden) als Manuel López Vidal in El reino, regie Rodrigo Sorogoyen © Cherry Pickers

Het motief van de vluchtende man, zo aanwezig in de films van Alfred Hitchcock, krijgt een opfrisbeurt in de sterke Spaanse politieke thriller El reino. De film weerspiegelt veranderende tijden: anders dan bij Hitchcock is de man in kwestie allerminst van smetteloze morele inborst, maar is hij een door en door nare vent, een ambitieuze politicus die zich wentelt in zelfverrijking. De uitdaging is vervolgens aan de kijker om zich te identificeren met deze man wanneer een anti-corruptieonderzoek hem in het nauw brengt.

Regisseur Rodrigo Sorogoyen, die een paar jaar geleden het ook uitstekende Que Dios nos perdone maakte over een seriemoordenaar die in Madrid jaagt op oudere vrouwen, behandelt de morele implicaties van het gedrag van de personages effectief via de vormgeving. In de openingsscène zien we hoofdpersoon Manuel López Vidal (Antonio de la Torre) een strandtent binnengaan, in beeld gebracht via een hommage aan Martin Scorsese’s jaren-negentiggangsterfilm Goodfellas: een steadicam tracking shot dat de acteur in een naadloze beweging ‘achtervolgt’ terwijl die naar binnen loopt. Dit is mooi, want we weten meteen met wat voor volk we van doen hebben: gangsters in de gedaante van politici.

López Vidal arriveert aldus voor de lunch met collega’s van de politieke partij waarvan hij secretaris is. En het is een bacchanaal: drank, oesters, reuzengarnalen en wat al niet meer. Het gesprek gaat over geld, over het dubieuze investeringsschema’s waar ze allemaal rijk van zijn geworden. Dan, een schitterend moment, een close-up van zo’n garnaal die in de van olie glimmende mond van een dikke man verdwijnt. Zonder dat iemand dat doorheeft (maar wij wel) zegt López Vidal tegen de man: ‘Luis, dat is je vierde al.’ Zo introduceert regisseur Sorogoyen in een paar minuten het thema van morele en geestelijke corruptie, maar ook de mogelijkheid van verlossing: López Vidal is een verwerpelijke man, maar hij is kennelijk niet volledig verloren.

Het blijft in het midden waarom hij uiteindelijk besluit mee te werken aan het ontmaskeren van de corruptie in zijn overigens niet nader genoemde politieke partij. Om zijn vrouw en dochter weer te kunnen aankijken? Om zijn eigen hachje te redden? Wat de reden ook is, in het laatste halfuur van El reino moet López Vidal er alles aan doen om te ontkomen aan zijn achtervolgers. Dat levert spannende scènes op, waarbij de visuele stijl van de soepel bewegende camera, constant dicht bij López Vidal in widescreen én in close-ups, gepaard gaat met de dwingende beat van technomuziek. De flitsende montage versterkt de frenetieke sfeer, bijvoorbeeld wanneer hij ’s nachts op de snelweg rijdt en om de zoveel seconden een blik in de achteruitkijkspiegel werpt waar de koplampen van een auto verschijnen met naar alle waarschijnlijkheid sluipmoordenaars als inzittenden.

Zo roept López Vidal de onschuldige, vluchtende mannen van Hitchcock op (Saboteur, 1942, The Man Who Knew too Much, 1956). Maar verdient Sorogoyens vluchtende man wel de vrijheid? In eerste instantie moet Manuel López Vidal zelf met een antwoord komen.


Te zien vanaf 4 juli