Reve doet het weer

Wie tegen Gerard Reve zegt dat hij zich herhaalt, krijgt een mooi antwoord: wie moet ik anders herhalen?

Het antwoord van de volksschrijver is niet alleen mooi, het is ook een beetje waar. Natuurlijk heeft een schrijver, als het goed is, op den duur een eigen, onvervreemdbare stijl en thematiek. Natuurlijk zijn zijn obsessies en zijn speciale manier van verwoorden voor zijn trouwe lezer direct herkenbaar. Soms is de vraag alleen met hoeveel herhaling een auteur nog wegkomt en hoeveel herhaling een lezer nog kan verdragen.

Nu is het merkwaardige dat die vraag al zo'n 25 jaar, dat wil zeggen: zo'n boek of twintig, aan Reve wordt gesteld en dat het hem in het geheel niet lijkt te deren. Het schijnt zijn trouwe lezers ook niet heel veel uit te maken. Hoewel die trouwe lezers steeds meer weg hebben van circuspubliek dat voor de zoveelste keer hetzelfde circusnummer ziet opvoeren en bij de steeds strammere koprol van de clown onverdroten enthousiast blijft zeggen: Kijk, hij doet het weer!

De ingrediënten van Reves nieuwste roman Het hijgend hert laten zich wederom blind uittekenen. Hoofdpersoon Raphaël (‘zeg maar Ralfje’) Wessel is met zijn verlegenheid, naïviteit en ontuchtige fantasieën een typische Reve-protagonist. Hij is een gehoorzame, oppassende zoon die zijn overleden ouders op een bescheiden manier in ere houdt; het enige waar hij nog wel eens over peinst, is of hij zijn ouders niet had moeten vertellen van zijn 'tegennatuurlijke seksuele geaardheid’. Hij werkt als landmeter bij de gemeente en is een niet onverdienstelijk zondagsschilder. Het spreekt voor zich dat hij zich niet inlaat met andere kunstenaars, want hij leeft in 'een tijd waarin de kunstenaars met het geringste of zelfs geheel ontbrekend talent de dienst uitmaakten, zodat de musea vol hingen met werk dat eigenlijk in de vuilnisbak thuis behoorde’.
Wessel woont in het huis van zijn overleden ouders en hoewel het huis goedkoop is en niet duur, aan een rustige straat is gelegen en hij zelfs een aparte ingang aan de zijkant heeft gemaakt, overweegt hij toch te verhuizen. Een afgelegen huis in de natuur, dat lijkt hem wel wat. Daar kan hij zich ongehinderd overgeven aan de drift van zijn bloed en zijn dromen over jongens die geboeid worden en geslagen en gestraft en die door zijn knuppel worden onteerd in hun tweede mondje. Wessel is zogezegd de belichaming van het revisme, die speciale soort van religieus getint sadomasochisme waar Reve het patent op heeft.

De thematiek van Het hijgend hert komt kortom uit de oude doos. Het revisme wordt, zoals altijd, gevoed door het ademloos kijken naar aanbiddelijke jongens. Naar een fietsende jongen bijvoorbeeld, die een kort jasje en een nogal krap zittende pantalon draagt, 'waardoor het gebied waar de jongen zijn rug van naam veranderde zich maar al te duidelijk aftekende’. Of naar een jongen met schrammen op zijn schouders en enkels en voeten die half naakt en zonder schoeisel langs de rand van het moeras scharrelt. Wessel beroert daarbij - zoals Reves eenzame, naar de Grote Liefde verlangende personages betaamt - veelvuldig zijn liefdeswapen. Met die jongens is bovendien, zoals altijd, iets noodlottigs aan de hand. De fietsende jongen fietst opeens niet meer door de straat - naar later blijkt omdat hij aan een tragische ziekte is bezweken. De geschramde jongen is niet helemaal goed, want doofstom. En juist dat noodlottige maakt, zoals gebruikelijk, dat Wessel zich des te meer opgewonden voelt. Een mengeling van schuldgevoel en wreedheid, dat roept het op.

De stijl in Het hijgend hert is eveneens van hetzelfde laken een pak. Er wordt gedroomd in de taal van de geilheid, de slaafjes, het geselen, de boetedoening en het liefdekundig berijden van kuise jongensgleuven. Er wordt conservatief gemopperd over kunstenaarsgespuis, kansarmen, arbeiders en de moderne tijd. Over de kansarmen wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat ze 'elke dag drie keer zo veel vreten kochten als ze door hun strot konden krijgen’ en dat ze toch voorrang genieten bij de overheid, 'omdat ze meer “punten” hadden, al wist niemand waar die punten vandaan kwamen’. Over bezit heet het dat het door een groot aantal mensen dat lid is van een staatkundige partij als kwaad en zelfs als diefstal wordt gezien, 'ook al woonden velen van die mensenvrienden in kanjers van eigen huizen, en hadden ze hun kapitaal niet aan arme mensen geschonken maar het liever in goud belegd dat veilig in een bankkluis lag’. Psychiaters zijn 'gevaarlijk volk’, omdat ze iedere roofmoordenaar in bescherming nemen 'tegen de verdorven maatschappij die immers gegrondvest was op gewin, uitbuiting en het kneuzen van de ziel van het kansarme kind’.
En er wordt veelvuldig gestrooid met dooddoeners en clichés als: 'Je weet waar je zit, maar je weet niet waar je terechtkomt’; 'Als het droog blijft komt er geen regen’; 'Neen, het leven bleef moeilijk, en alle geluk was broos’; 'De tijd zoude het leren’; 'Voor niks ging de zon op, nog niet eens onder’; 'Het leven was geen gemakkelijke zaak’ en 'Komt tijd, komt raad’.

De trouwe Reve-lezer vindt dit ongetwijfeld ongelooflijk geestig. Dit zijn allemaal reviaanse stijlbloempjes; dit heet ironisch. Maar dit is geen ironie meer, dit is vijfde-hands ironie. Dit is een grijze langspeelplaat en de naald blijft niet in een groef steken; de langspeelplaat heeft maar één groef.
Het hijgend hert is geen associatieve, uitwaaierende roman. Net als in Wolf en De stille vriend wordt er tamelijk rechttoe, rechtaan een jongensboek-achtig verhaal in verteld. Dat verhaal pretendeert spannend te zijn; het is echter wezenloos. Eindeloos palavert Wessel met de gemeente en met zichzelf of hij een onontgonnen stuk grond zal kopen waar een paar bouwvallige gebouwtjes op staan. De roman staat vol zeurderige herhalingen in de trant van: 'Wessel vond zichzelve in deze ogenblikken nogal flink, maar wist hij eigenlijk wel wat hij wilde? Hij behoefde het perceel niet te kopen, want echt nodig had hij het niet. Maar wat zoude er gebeuren als hij zich terugtrok?’

En net als de roman dan toch een beetje spannend dreigt te worden - de twee politiemannen die een van de bouwvallige gebouwen willen huren om jongens te verhoren, beginnen eindelijk wat contouren te krijgen; er wordt een oud lijk opgeduikeld - net als het wat spannend wordt, houdt de roman abrupt op. 'Wessel wist zich omringd door geheimen, en dat maakte zijn leven niet eenvoudiger’, staat er halverwege de roman. Geheimzinniger dan deze formulering wordt het nauwelijks in Het hijgend hert. Het enige wat duidelijk wordt, is dat Wessel aan het eind zijn Grote Liefde gevonden heeft. Om met Reve te spreken: eind goed, al goed.