De volksschrijver herlezen

Reve en werken

Herlezing van de romans van Gerard Reve laat niets heel van het gangbare beeld van een homoseksuele grappenmaker die na een indrukwekkende entree in de letteren alleen nog minderwaardig geouwehoer heeft uitgegeven.

Ik was zestien en plukte, voor één keer gestuurd door een welwillend lot, De avonden (1947) van Gerard Reve van de planken van de stadsbibliotheek. Op weg naar huis sloeg ik het boek open, verveeld door het onveranderlijke tram traject, en smulde van de klassiek geworden openingszin: «Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste December 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.» Zoals bekend dommelt Frits even later weer in om de eerste van zijn dromen te betreden. De bliksem was intussen ingeslagen en had kortsluiting in mijn kop veroor zaakt. De tijd stokte, de aarde bleef amper in haar baan om de zon. Die avond racete ik door de roman heen en herlas hem de dagen daarop ademloos.

In De avonden sombert Frits van Egters door «de lege uren», luisterend naar het onverbiddelijke getik van de klok, zich zorgen makend om de wijkende haarlijn van half Amsterdam, oneliners als: «Waarom word ik gestraft met een geheugen vol kwellingen?» ten hemel schreiend en zich naar zijn eveneens klassiek geworden slotzin toe kankerend: «Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.» Toen ik hem acht jaar geleden interviewde, lichtte Reve, die zich voor de gelegenheid gewillig ontpopte als een olijke Frits van Egters van zeventig, het klimaat in het naoorlogse Nederland toe: «Men koesterde geweldige heilsverwachtingen vlak na de oorlog. Er zou een geheel nieuwe maatschappij komen. Men dacht dat alles anders zou zijn, maar dat was een misvatting. Nederland kwam terug uit op het punt van vlak voor de oorlog, eigenlijk was alles na de oorlog zoals het geweest was voor de oorlog.» In een tijd van eindeloos geloof in de toekomst zorgde de doodsangst uitkrijsende Reve voor de valse noot in het optimistische koor van Vrede en Vooruitgang. Terwijl alom ijverig aan een betere wereld werd gebouwd, klaagde hij de futiliteit van het bestaan aan en noemde het leven herhaaldelijk «een tragisch gegeven, evoluerend van een onbekend begin naar een duister einde». Nederland ruimde massaal puin, maar Reve bleef hardnekkig wijzen op de waanzin, de abnormaliteit en de perversie tussen het puin.

In een paar jaar mokert Reve in één roman en drie novellen zijn trieste waarheid doeltreffend de hoofden van zijn lezers in. Onderhuidser en daarom misschien nog beklijvender zaaien dood en vergankelijkheid onrust in de novellen De ondergang van de familie Boslowits (1950), een intriest meesterwerk over deportatie en weemoed, Werther Nieland (1949), het ultieme jongensboek, en De laatste jaren van mijn grootvader (1947), Reve’s eigenlijke debuut, dat op een onbehaaglijk stemmende manier alles wat nog zou komen al in zich draagt.

Godfried Bomans noemde De avonden in december 1947 in Elsevier «in zijn soort een meesterwerk. Ik verzoek u wél acht te geven op de beperking: ‹in zijn soort›. Want de soort is eenvoudig afschuwelijk. Ik heb zelden een boek gelezen, zó naargeestig, zó zeer van iedere positiviteit verstoken, zó grauw, cynisch en volstrekt negatief, als dit. Het wurgt iemand de keel toe.»

Het dient gezegd: de confrontatie met de perspectiefloze vergeefsheid in Reve’s vroegste werk kan deprimeren, zeker in de donkerste dagen van het jaar. Het vergt heel wat over levingsinstinct om de gestaag verdorrende kerstboom niet in de fik te jagen, niet te grijpen naar het mes waarmee eerder ook al de kalkoen werd gefileerd, of geen strop te vlechten van de linten die om allerlei kerstcadeautjes zaten.

Als Reve De avonden in het Engels had geschreven, zou hij in één klap wereldberoemd én schatrijk zijn geworden. J.D. Salinger, qua levensgevoel of het gebrek daaraan een zielsverwant van Reve, zou zijn The Catcher in the Rye immers pas vier jaar na De avonden publiceren en er zo beroemd mee worden dat hij zijn mensenschuwe neigingen tot in het absurde kon cultiveren.

Een lustig voortwoekerend idee-fixe wil dat Reve een wonderkind zou zijn en na zijn adembenemende entree in de letteren met de heilige drievuldigheid De avonden, De ondergang van de familie Boslowits en Werther Nieland alleen nog minderwaardig geouwehoer in druk zou hebben gegeven.

Het laat zich aanzien dat Reve deels zelf schuld heeft aan dat gebrek aan waardering. Zijn verlangen naar klandizie won het bij momenten van zijn verlangen naar kwaliteit. Om te beginnen heeft hij, vooral in de jaren tachtig, de markt overvoerd en de recensenten verveeld met een reeks niet allemaal even briljante brievenboeken. Verder heeft de volksschrijver velen tegen zich in het harnas gejaagd door de stroom provocaties waarmee hij zijn literaire winkeltje draaiende probeerde te houden.

Reve’s financiële en provocatieve preoccupaties klitten al vroeg in zijn carrière samen. In 1952 trok Reve met zijn toenmalige echtgenote, de dichteres Hanny Michaelis, naar Londen. Daar verscheen, in het Engels, de berucht geworden novelle Melancholia (1951), die de toenmalige staats secretaris Cals in strijd achtte «met de normen van openbare orde en goede zeden». In Melancholia beroert een personage zichzelf ontuchtig, en wel terwijl hij zich boven op een kast verschuilt voor soldaten die zijn huis doorzoeken: «He started masturbating slowly. ‹The Beetle has pinching nippers› he mumbled. ‹With them He can tie up His prisoners, that’s what He can do with them very well. Then slowly He pinches off pieces of their skin, their pricks and their balls. And they are wailing violently.› » De lucratieve doorbraak naar het Engelstalige publiek kwam er niet, maar Reve had wel maatschappelijk tumult als marketingtechniek ontdekt.

Terwijl Reve middels provocaties zijn aanwezigheid in het maatschappelijk debat leep regisseerde, lag er voor de geïntrigeerde burger in de boekhandel altijd wel een nieuw (brieven)boek klaar. De mercantiele techniek zorgde voor een behoorlijke afname van Reve’s literaire producten door het grote publiek, maar ook voor een minstens zo behoorlijke afname in de appreciatie van Reve door de culturele goe gemeente. Dat is misschien niet helemaal onbegrijpelijk, maar toch blijft het merkwaardig dat enkele generaties recensenten er niet in zijn geslaagd Reve’s romans los te zien van het maatschappelijk tumult en de cabareteske uitschuivers in zijn brievenboeken.

Het lijkt erop dat het denken over literatuur in literaire kringen de waardering van Reve in de weg heeft gezeten. De literatuur is op een piëdestal geplaatst, hoog verheven boven de banaliteit van het leven van elke dag. De literatuur is een reservaat voor het Schone, het Ware en het Goede. Het is het domein voor verheven abstracte discussies, mijlenver verwijderd van de concrete ellende van het ware leven. Reve heeft die dictatuur van het schone en het verhevene nooit willen dienen; zowel in zijn werk als in zijn omgang met dat werk heeft hij olijk het hoge en het lage gemixt. Maar het aan de man brengen van boeken met promotietechnieken die verkopers van zeep met jaloezie vervulden, paste helemaal niet in het literaire klimaat. Die onderliggende clash tussen literatuuropvattingen verklaart de agressieve reacties op Reve’s zogezegde economische collaboratie. In de tempel van de literatuur worden koopmannen nauwelijks geduld.

Ook in zijn werk hield Reve de alledaagse werkelijkheid niet bepaald op afstand, hij verkende ze integendeel tot in de banaalste uithoeken. De hoog in de wolken zetelende literaire goegemeente moet gegruwd hebben van alles wat te vangen is onder de door Reve zelf geformuleerde noemer «geouwehoer waar Gods zegen op rust», van zijn belang stelling voor feces tot zijn homo-erotisch getob. Door het banale in zijn werk binnen te halen, breekt Reve het aloude romantische ideaal van het Schone, het Goede en het Ware open. Het Lelijke komt in de plaats van het Schone, de Waan vervangt het Ware, het Kwade neemt de plaats in van het Goede, kortom: de romantiek van het schone en het ver hevene wordt verdrongen door zwarte romantiek. Reve heeft niet toevallig weleens verwezen naar Lust, dood en duivel in de literatuur van de romantiek, de baanbrekende studie van Mario Praz. Door de ontkenning van het zuivere en de verwerping van het enkelvoudige ontstaat een veld van tegenstellingen. Die hebben Reve een carrière lang met vrucht literair voortgestuwd, want elk decennium van zijn schrijverschap is minstens één meesterwerk rijk.

Tussen 1963 en 1973 vindt Reve zichzelf drie keer opnieuw uit. Eerst vindt hij in de briefvorm een luchtig maar efficiënt alternatief voor de monomane opeenstapeling van angstschreeuwen uit zijn vroegste werk. In het klassiek geworden tweeluik Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966) freewheelde hij zich uit de beklemming die zijn schrijverschap verlamde door homoseksuele en religieuze associaties te vervlechten. De oorspronkelijk in Tirade gepubliceerde reisbrieven vormen de aanzet en het hoogtepunt van de golf bekentenisliteratuur die onze letteren sindsdien overspoelde.

Nadat hij de briefschrijver in zichzelf had ontdekt, ontpopte Reve zich vervolgens in het tweeluik De taal der liefde (1972) en Lieve jongens (1973) als dieproze sprookjesverteller met een neus voor provocaties. Vooral na 1975 stileerde hij met groeiend vakmanschap zijn obsessies tot grimmige fabels en geile sprookjes. Dat dreef hem weleens in de aanlokkelijke armen van de kitsch en de hyperventilerende romantiek, zoals in De circusjongen (1975), een roman die bij verschijnen vooral deining veroorzaakte door de met verve geëtaleerde vertrouwelijke omgang met de koningin van Nederland. Maar niet alleen de kroon wordt erin ontbloot, de schrijver wisselt overvloedig jeugdherinneringen en liefdesbetui gingen uit met maatje Jakhals: «Hoe kwam het, dat Jakhals heerste door zich te ontbloten, terwijl voor alle andere stervelingen gold, dat naaktheid hen weerloos maakte?» Maar evengoed wérkt de techniek: Wolf (1983) is een zeer overtuigende proeve van hoe kitscherige clichés tot een parabel geësthetiseerd kunnen worden.
Behalve een briefschrijver en sprookjesverteller blijkt in Reve’s bast ook een dichter te schuilen, wiens hart overloopt van de geestelijke en geestige liederen. Reve’s poëzie lijkt vaak in mootjes gehakt proza, maar in een indertijd revolu tionaire eenvoud wordt de uitzichtloosheid wel degelijk poëtisch vormgegeven en daardoor tijdelijk verdreven. Soms wordt de zinloosheid overstemd door de cabareteske lach (« ‹Goedkope wijn, masturbatie, bioscoop,›/ schrijft Céline./ De wijn is op, en bioscopen zijn hier niet./ Het bestaan wordt wel eenzijdig.»), soms versmoord in ontroering («Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,/ eindelijk eens goed gekleed/ Boven het woud waarin ze met de Dood wandelde/ verhief zich een sprakeloze stilte./ Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was/ en uitgerust./ Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.»), soms overbluft door iets sacraals («Nadat we bij die en die gezeten hadden,/ gingen we bij je weet wel nog wat drinken./ Dinges was er ook, en zong een lied/ over een naamloos Graf van eeuwigheid.»).

Nederland bleef niet alleen al te vaak blind voor die driedubbele verrijzenis van de schrijver van De avonden, net zo goed veel te veel en ten onrechte genegeerd werd het bril jante tweeluik Oud en eenzaam (1978) en Moeder en zoon (1980), waarin Reve komaf maakt met het communisme en het katholicisme omarmt. De sleutel voor Reve’s verneuke ratieve en koketterende omgang met het katholieke geloof is te vinden in de proloog bij Oud en eenzaam: «Als zo dikwijls, komt ook nu mijn eigen leven mij als onbelangrijk en zinloos voor, en zie ik nergens in dat leven iets dat groots of heldhaftig genoemd zou mogen worden of dat, in helderheid of geladenheid, de kracht zou bezitten van een symbool, dat het zin en duiding zou kunnen geven.» Eigenlijk is het vrij logisch dat de zoekende ziel van Reve soelaas vindt in het katholicisme. Waar het communisme het kronkelige pad van de condition humaine in schema’s dwingt («De marxistiese geschiedbeoefening is erg aantrekkelijk, omdat zij letterlijk alles moeiteloos weet te verklaren»), plaatst het katholicisme het raadsel centraal. Bovendien is die aandacht voor het lijden, de twijfel en het noodlot gevat in rituelen, galmend van eeuwenoude oerkracht en imponerend door gestileerde grandeur. De parallel met Reve’s taalgebruik is duidelijk: zijn hele oeuvre is een poging de wonde van het zijn met ironie te stelpen, met grappen te deppen en met stijl te omzwachtelen.

Ook in Moeder en zoon biecht hij niet rechttoe, rechtaan op waar het op staat. Hij schrijft zijn bekering tot het katholicisme toe aan de wonderlijke ontmoeting met Matroos Vosch (die ruim dertig jaar later nog altijd over de schrijver waakt als een vos over zijn jongen) en stelt ijskoud dat zijn bekering bezegeld werd door «twee identieke dromen»: «ik verkeerde in volledige lichamelijke intimiteit met de — nog zeer jonge — Moeder van God.»

Ook na dit tweeluik blijft wanhoop de motor van Reve’s schrijverschap, al verdampt het obsessieve uit zijn werk, alsof de schrijver zich verzoent met een leefbare status quo: de waardering voor zijn werk is een met prijzen bekrachtigd feit, van geldgebrek kan geen sprake meer zijn, de komst van Matroos Vosch heeft enige rust in de liefde gebracht, de bakens in zijn verhouding tot de kunst en de religie zijn uitgezet. De chaos van alledag vreet minder aan des schrijvers gemoed, zodat het gevecht met de existentiële leegte ruim baan krijgt. In dat duel gooit Reve zijn stilistische brille in de strijd, waarvan hij de bezwerende kracht syste matisch onderzoekt. In zijn laatste lezing aan de Universiteit van Leiden concludeert hij: «In ieder geval wens ik geen kwaad woord meer te horen over het Cliché en de Kitsch, zeker niet zolang er op beide Gods onontbeerlijke zegen blijft rusten.»

Met de jaren ging Reve steeds meer gebukt onder de last van het glorierijke verleden, dat bewijst het teruggrijpen op vroegere successen in zijn laatste romans: Het boek van violet en dood (1996) ontleent zijn titel aan een fragment uit Nader tot U, Bezorgde ouders (1988) verwijst naar De avonden en Het hijgend hert (1998) speelt in het landschap van Werther Nieland. Die laatste twee boeken zijn overigens verre van briljant, Het hijgend hert is zelfs een verzameling losse draadjes en doelloos rondhikkende fratsen waarvan iemand de zieke schrijver het uitgeven had moeten verhinderen.

En toch: zelfs de openingszin van Reve’s belabberdste roman — «Raphaël (‹Zeg maar Ralfje›) Wessel lag niet iedere dag op zijn knieën om God te danken dat hij landmeter was geworden, maar hij vond het al met al geen slechte keuze van beroep.» — ritselt meer van het leven en van de belofte dan de opening van de nieuwe roman van de zelf verklaarde wondergrijsaard Harry Mulisch: «Toen het landingsgestel met een dreun het beton raakte, schrok Rudolf Herter wakker uit een diepe, droomloze slaap.» Zo'n geur- en smaak loze clichéverzameling zou net zo goed een keukenmeidenromannetje, een slechte thriller of een pulpstrip kunnen openen. Reve schrijft nooit een taaltje dat leest als slecht vertaald Duits, altijd en overal voert hij de pen met de elegantie, de gratie en de zelfverzekerdheid van een door de goden op het hoge voorhoofd gezoende uitverkorene.

Bovendien hebben ook de nadagen van Reve’s roman productie wel degelijk een meesterwerk opgeleverd: Het boek van violet en dood. Bij verschijnen werd de roman meesmuilend ontvangen door luitjes met een aperte ongevoeligheid voor de mythomane grapjasserij van Reve, die in Nader tot U melding had gemaakt van Het boek van het violet en de dood: «na welks voltooiing geen enkele schrijver zich meer zou behoeven af te tobben, omdat gans het mensdom, ja zelfs de gehele, thans nog in haar en angst gekluisterde natuur, verlost zou zijn». God zou het boek in één adem uitlezen en vervolgens in de gedaante van een «éénjarige, muisgrijze ezel» bij de auteur komen aanbellen om hem te bedanken met de woorden: «Gerard, dat boek van je — weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?»

Zoals het ontbreken van de lidwoorden in de titel wellicht al aangeeft, is Het boek van violet en dood ook volgens Reve zelf niet het Boek der Boeken. Maar het is wel een hoogtepunt in zijn werk, «waarin ik voortdurend pret maak en toch mijn lezers iets blijvends weet te schenken». Geen andere Reve-roman geeft immers een mooier panoramisch uitzicht over het immer bekorende revische universum.

Het boek begint met het plotse sterven van de buurjongen Jean-Luc, wat Reve niet onberoerd laat en hem dus tot het beroeren van zichzelf noodt. De begrafenis van Jean-Luc woelt herinneringen boven aan veelal vroegtijdig overleden jongens en inspireert tot revistische fantasieën: «Het waren slechts gedachten, maar ze waren goed voor mijn bloeds omloop.» Daarnaast toont Reve een gezonde belangstelling voor feces, schoffeert hij vakkundig een aartsvijand en verliest hij zich in godsdienstkundig, homo-erotisch getob en geouwehoer waarop meer dan Gods zegen rust, ook waar het iets minder is. Het boek van violet en dood verkent het onontwarbare complot tussen liefde en dood, «de tweelingbroertjes die veel van elkander hielden en heel graag alles samen deden». Maar alle somberte wordt gesmoord door de ironie, de melancholie gecounterd door de scherts.

Ik heb bij Het boek van violet en dood inderdaad de tranen in de ogen gekregen, maar dan wel van het lachen. Een stuk of wat hoofdstukken heb ik Reve kort na het voltooien ervan horen voorlezen, met vochtige ogen zat ik tegenover de schrijver op de bank in zijn huis in het Vlaamse Machelen aan de Leie. Die memorabele middagen verliepen volgens hetzelfde stramien. Bij de taart vergastte Reve ons als een rasechte entertainer op een stroom anekdotes, citaten uit eigen werk en beschouwingen over vroeger en nu. Reve sprak in publiceerbaar proza, moeiteloos reeg hij perfecte volzinnen in een gedragen taal aan elkaar. Na een geani meerde rondleiding door een deel van het huis — nooit vergeet ik zijn kale werkkamer, een kloostercel gelijk — belandden we op de bank: Matroos Vosch voorzag in manuscript en bril, en miniem gebarend las Reve een hoofdstuk voor uit Het boek van violet en dood, om ons na de slotzin tegelijk trots en dankbaar aan te kijken. Ten slotte kusten we, een stapeltje gesigneerde boeken onder de arm, de schrijver gedag.

Hebben die paar middagen op de bank in Machelen mijn visie op het werk van Reve gekleurd? Natuurlijk niet: mijn oordeelsvermogen en smaak laten zich niet omkopen door een stuk taart, een handvol grappen en een handtekening voor in een Duitse vertaling. Natuurlijk wel: behalve van de toewijding en het vakmanschap van een man voor wie schrijven een haast dwangmatige handeling is om zich staande te houden, heeft de herhaaldelijke confrontatie met dezelfde hoofdstukken me overtuigd van de noodzaak onder het gepolitoerde oppervlak van Reve’s romans te kijken. Een vluchtige, door vooroordelen bevlekte lectuur bevestigt immers al te makkelijk het beeld van Reve als ouwehoerende homoseksuele grappenmaker. Haalde Reve in Moeder en zoon al niet en passant uit naar Nederland, dat «met zijn symboolblindheid iets nooit anders dan letterlijk kan begrijpen»?

Dit jaar verschijnt bij uitgeverij Veen het zesde en laatste deel van Reve’s Verzameld werk. Uitgeverij De Bezige Bij zal vanaf het najaar de romans herdrukken.