Toine Heijmans

Revolutie als uitstapje

Medium toineheijmans omslag

Ergens halverwege zijn nieuwe roman Pristina laat Toine Heijmans een minister uitvallen tegen zijn ambtenaren.

Hun advies over een verscholen vluchtelinge op een Nederlands eiland laat te wensen over, of bevalt hem niet als ze hem uitleggen de term ‘schrijnende gevallen’ niet meer te gebruiken: ‘Met Taïda Pasic waren jullie te laat’, zegt hij, ‘met Mauro Manuel waren jullie te laat, met Sahar waren jullie te laat, en nu is het enige wat jullie doen… zwijgen en zeuren over terminologie. Gewortelden, schrijnende gevallen, potverteerders, gelukszoekers… wat kan het mij schelen hoe jullie ze noemen. Als we de wet maar netjes uitvoeren. Als ze mijn weg maar niet blokkeren.’

De minister in kwestie wordt niet bij naam genoemd, zoals hij ook niet dusdanig wordt beschreven dat je er iemand in zou kunnen herkennen. Het is gewoon een minister, zoals ministers in voor de hand liggende thrillers en tv-series nu eenmaal zijn, machtsbeluste mannen in grijze pakken, alleen geïnteresseerd in het regeren zelf, niet in de mensen waarover zij regeren. Zijn afgezant is de hoofdpersoon van de roman, Albert Drilling, een man die weet ‘wat hij wil, no-nonsense, dat werkt voor iedereen het beste’. Het citaat gaat verder: ‘Ook vandaag zal hij geen tijd vermorsen: de opdracht is duidelijk en urgent. Hij gelooft in het belang van zijn werk en in een snelle en rechtvaardige uitvoering ervan. Hij is goed, dat heeft de tijd bewezen.’

Keer op keer, bladzijde na bladzijde, wordt dit herhaald: Albert Drilling is een man van de wet en heeft geen geduld voor alles wat daarvan afwijkt. Hij is efficiënt, he gets the job done. Het grootste gedeelte van de roman noemt Heijmans Drilling bij voor- en achternaam, Albert Drilling, alsof hij hem nog verder wil ontpersonaliseren, nog abstracter wil maken, nog minder menselijk.

‘Nu begrijpt hij de taferelen die ze beschreven in de dossiers die hij las, en die hij op inconsistenties beoordeelde’

Het andere uiteinde van het spectrum wordt ook in beeld gebracht. De illegale vluchtelinge die Albert Drilling op het Noorzee-eiland zoekt (en al snel vindt) is Cira Dosta, of Irin Past, zoals ze eigenlijk heet. Ze spreekt de Nederlandse taal zo goed dat Albert Drilling haar door haar harde tongval voor een typische eilandse aanziet, ze kent het Wilhelmus volledig uit haar hoofd, ze weet zelf ook niet waar ze oorspronkelijk vandaan komt. Ze is lief en redelijk en in al die liefheid en redelijkheid, tegenover Albert Drillings autisme en schriftgeleerdheid, zit meteen het manco van dit boek: het wil iets zeggen over de lotgevallen van vluchtelingen, over het angstvallige gemak waarmee je huis en haard kunt verliezen, maar Drilling en Irin zijn zulke zwart-wit-tegenpolen dat echte tragiek onmogelijk is. Hun werelden komen nooit echt samen.

Je moet het Toine Heijmans nageven dat hij geen genoegen heeft genomen met te weinig: de ambitie van Pristina is evident, hij probeert zowel de cultuur van de eilandbewoners als van de Haagse ambtenaren neer te zetten, hij laat zijn personages uitwaaieren van de Noordzee tot revolutionair Egypte tot post-genocidaal Kosovo. Maar het probleem van Pristina heet Albert Drilling. Het eerste hoofdstuk loopt hij met rolkoffer aan de hand de veerboot af, het eiland op. Heijmans beschrijft behendig, bijna speels, het beeld dat hij oproept bij de eilandbewoners, te jong voor een notabele, te doorsnee voor een makelaar, te bleek voor een Bekende Nederlander – maar niemand zal zich afvragen waar Albert Drilling vandaan komt, hij komt in al zijn autisme en stugheid namelijk rechtstreeks uit elk willekeurig boek van Arnon Grunberg.

Heijmans laat geen kans liggen om de stugheid van Drilling te beschrijven, zoals Grunberg dat bij zijn personages ook nooit doet. Maar bij Grunberg heb je in ieder geval het idee dat die stugheid permanent op breken staat, zonder dat hij dat daadwerkelijk toestaat. Heijmans staat het wel toe en maar al te makkelijk: hij laat Drilling op veldonderzoek naar Caïro vertrekken, net als daar de volksopstanden uitbreken. Na 140 bladzijden het karakter van Drilling te hebben beschreven is er precies één traangasgranaat voor nodig om hem overstag te laten staan. Opeens zwelt de toon, op het pathetische af: ‘Hij staat hier, voor het eerst. Alle opstanden en oorlogen die hij beroepsmatig kent, tientallen, de gezichten die erbij horen, die om hem heen hingen in zijn kantoor op het vreemdelingenkamp – nu voelt hij hun verhalen. Nu begrijpt hij de taferelen die ze beschreven in de dossiers die hij las, en die hij op inconsistenties beoordeelde. Het deed hem niks. (…) Maar nu ziet hij hoe de meest internationale en meest interessante straat van een grote stad een frontlinie is geworden – dat kan dus zomaar gebeuren –, dat kan dus ook in Den Haag gebeuren of in Rijswijk, denkt hij, en dan? Welk kamp zou hij kiezen?’

In no time staat Albert Drilling met vlaggen te zwaaien en leuzen te scanderen. Om twee hoofdstukken later weer gewoon Albert Drilling, topambtenaar, te zijn, keurig en correct. Zijn revolutie was een uitstapje: er was niets voor nodig om hem tot opstandeling te maken en er was niets voor nodig om hem weer naar de letter van de wet te laten marcheren. Door Albert van een binnenwereld te ontdoen heeft Heijmans misschien iets willen zeggen over de harteloosheid van asielbeleid – misschien, misschien, maar hij heeft zijn roman daarmee tot de kern uitgehold.


Toine Heijmans. Pristina
Atlas Contact, 352 blz., € 19,95