CHRIS VAN ESTERIK, NO SATISFACTION: HOE WE WERDEN WIE WE ZIJN

Revolutie in Tiel

Chris van Esterik, No satisfaction. Hoe we werden wie we zijn, € 19,90

In 1958 klaagde een jonge vrouw in het damesblad Margriet dat haar ouders nooit toestonden dat zij en haar verloofde alleen thuis waren. Het orakel van de rubriek ‘Margriet weet raad’ vond het maar gezeur: 'Dit is de fout van veel ouders, het gebeurt vaak - al te vaak zelfs - dat ouders hun kinderen te vroeg en te veel vrijheid schenken, waardoor ze de kinderen maar laten dobberen op de wilde zee van hun eigen verlangens.’ Diezelfde zee zou in het volgende decennium nog heel wat onstuimiger worden, sterker nog, die zou de oude, beproefde dijken van traditie en fatsoen, van geloofszekerheid en hiërarchie, grotendeels wegvagen.
Hoe werd die zee zo wild? En waren die dijken wel zo stevig als men lang had aangenomen, of waren ze misschien al ondermijnd? Vragen die vanzelf opkomen als we beseffen hoe sterk het Nederland van 1970 verschilde van dat van 1960. Over de jaren zestig is al veel geschreven, maar ik heb over dit zowel bejubelde als verguisde tijdvak niet eerder een zo mooi, boeiend en af en toe ontroerend boek gelezen als No Satisfaction van Chris van Esterik.
Acht jaar geleden publiceerde Van Esterik (1949) Een jongen van het dorp, waarin hij beschreef hoe zijn geboortedorp, het in de Betuwe gelegen Ingen, in de loop van de twintigste eeuw onherkenbaar veranderde. Centraal in dat boek stond het door zijn familie uitgebate café van Ingen. Ook No Satisfaction is gedeeltelijk autobiografisch, al speelt dit boek zich grotendeels af in het nabijgelegen stadje Tiel. Daar bezocht Van Esterik tussen 1962 en 1970 het gymnasium. Door de lotgevallen van zijn medescholieren van het gymnasium als uitgangspunt te nemen, is Van Esterik in staat een prachtig beeld te schetsen van de enorme revolutie die zich in deze jaren in Tiel, op school, in de huiskamers en in de hoofden van velen voltrok.
Uiteraard kwam deze omwenteling niet uit de lucht vallen, en omdat je een geschiedenis van de Franse Revolutie ook niet begint in 1789, besteedt Van Esterik uitgebreid aandacht aan het ancien régime in het kleinsteedse Tiel, dat tijdens de oorlog in de frontlinie had gelegen en zwaar was beschadigd. Hij beschrijft de moeizame wederopbouwperiode, waarin zelfredzaamheid en gemeenschapszin centraal stonden en de landelijke overheid nog flink op afstand bleef. Ook brengt Van Esterik nauwgezet de maatschappelijke scheidslijnen - tussen de protestantse meerderheid en de grote katholieke minderheid, tussen de elite en het mindere volk, tussen het stadje en de omringende dorpen - in kaart.
Het is een wereld die anno 2011 heel vreemd overkomt. Een wereld waarin het normaal was dat een ambtenaar een arts aansprak met 'u’, terwijl hij door hem getutoyeerd werd, waarin het vanzelfsprekend was dat een hyperintelligent arbeiderskind naar de ambachts- of huishoudschool ging, en waarvan de persoonlijke hygiëne ons doet kokhalzen. Niettemin begon er langzaamaan iets te veranderen, en rond 1960 kwam het steeds vaker voor dat kinderen uit de lagere klassen mochten 'doorleren’. Enkelen konden zelfs naar het gymnasium, het bolwerk van de Tielse elite.
Niet alleen die elite moest daaraan wennen, ook de nieuwe gymnasiasten en zeker hun ouders. Sommige ouders zeiden tegen hun kinderen dat ze zich niet gek moesten laten maken door die deftige lui, omdat die 'ook maar gewoon een gleuf in de kont hebben’. Anderen hadden door dat hun kinderen door deze opleiding zouden vervreemden van hun eigen familie. Ook Van Esterik ervoer dit: 'Beschroomd zette ik zelf mijn verleden bij het vuilnis.’
Toch hoorde hij er, als zoon van een kroegbaas uit een dorp, niet echt bij, en 45 jaar later ontdekte hij in de notulen van het gymnasium dat een zoon uit een voorname Tielse familie wél een herexamen kreeg, terwijl hij met betere cijfers gewoon bleef zitten. En tegelijkertijd werd de kloof met zijn ouders breder en dieper. Door de razendsnel stijgende welvaart floreerde het café-restaurant, waardoor de spanningen toenamen en er minder tijd en aandacht voor de kinderen was, wat weer werd afgekocht met dure cadeaus, zoals een hypermoderne bandrecorder.
Met die bandrecorder kon Chris op een klassenavond optreden als diskjockey, waarbij hij met het Stones-nummer Satisfaction de meute uit zijn dak liet gaan - totdat de rector verscheen en een einde aan het feest maakte. De rector - die thuis voor zijn invalide vrouw zorgde en, heel zeldzaam in die tijd, het huishouden bestierde - was op school een ouderwetse tiran, die deze tempel van Bildung met hand en tand verdedigde tegen de opstand der horden, die immers de ondergang van het Avondland beoogden.
Fraai beschrijft Van Esterik de opkomst van een echte jeugdcultuur, die aanvankelijk passief en apolitiek was maar waardoor wel het verzet tegen de oudere generatie en het ancien régime werd aangewakkerd. De 'wilde zee van het eigen verlangen’ begon over de dijken van de oude, vermolmde orde te slaan. Van dat ancien régime was de rector het symbool, en hoewel Van Esterik als gymnasiast geen uitblinker was, heeft hij voldoende klassieke vorming genoten om van de uiteindelijke ondergang van deze rector een Grieks drama te maken.