H.J.A. Hofland

Revoluties

In de jaren zestig werd de afgeleefde structuur van de westerse maatschappij zwaar aangetast. Een van de hoogtepunten van de revolutionaire beweging staat bekend als de gebeurtenissen in mei ’68 in Parijs. Studenten bezetten de Sorbonne, auto’s werden in brand gestoken, et cetera. Dat wordt nu herdacht. In Nederland hadden we al ruime ervaring met dergelijke sensatie, dankzij Provo, de rookbom bij de bruidsstoet in de Raadhuisstraat, de happenings op het Spui, de rellen bij De Telegraaf… Ouderwetse revoluties waren het niet. Er zijn geen staatshoofden afgezet, er is niemand onthoofd. Wel hebben ze veranderingen veroorzaakt, in de hiërarchische en seksuele verhoudingen, de politiek, het spraakgebruik, de omgangsvormen.

Aan progressieve kant worden de jaren zestig nog steeds geïdealiseerd. En in deze tijd zien we hoe (neo)conservatieven de periode beschouwen als de bron van al het kwaad dat ons nu het leven lastig maakt. Links is te slap, te tolerant geweest, links heeft de maatschappelijke discipline verwoest, door links is de nationale trots geërodeerd, links draagt de schuld van de huidige chaos en onzekerheid.

Te veel eer. De jaren zestig zijn niet als door een wonder op ons neergedaald. Afgezien van het oordeel: het decennium past in de historische ontwikkeling van oorzaak en gevolg. Wat we nu deze revolutie noemen, is eerder een ingrijpend generatieconflict met wortels in de Tweede Wereldoorlog. De opgroeiende mens wordt definitief gevormd tussen zijn tiende en twintigste jaar. Mijn generatie, geboren omstreeks het midden van de jaren twintig, heeft eerst in de oorlog de Nederlandse maatschappij in elkaar zien storten, met als apotheose de Hongerwinter, en vervolgens de restauratie meegemaakt, met de vergeefse oorlog tegen Indonesië als de grootste historische gebeurtenis.

Daarna, in 1950, dacht de bestuurlijke elite weer te kunnen overgaan tot de orde van de dag. Maar zo waren we niet getrouwd. Het document waarin de kloof het best staat beschreven is de roman Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans, geschreven toen hij 28 was. De held, Lodewijk Stegman, keert verbitterd terug uit Indonesië. Samen met de zakenman Key richt hij een politieke partij op, Voetbal Europa. Ook al een bewijs van zijn vooruitziende blik. De nekslag die de restauratie zichzelf heeft toegediend, is ‘de kwestie Nieuw Guinea’, of hoe we toen de Papoea’s de democratie wilden brengen. Ook een verpletterende mislukking, tot stand gebracht met de hartelijke medewerking van heel conservatief Nederland.

Tussen ongeveer ’50 en ’60 is het verzet ontstaan van de nieuwe generatie. Dat vindt vorm in de literatuur, de schilderkunst, de journalistiek. Op het ogenblik wordt de publieke discussie beheerst door de vrijheid van meningsuiting. Toen De Groene Amsterdammer op 26 februari 1949 een evenwichtige brief publiceerde van een reserve-officier, waarin hij door Nederlandse soldaten begane wandaden in Indonesië beschreef, barstte hier een onbeschrijflijk patriottisch gehuil los. Midden jaren vijftig bleek het onmogelijk in de gevestigde pers de waarheid over Greet Hofmans, gezondheidsbidster en vriendin van koningin Juliana, te schrijven. In het verzuilde omroepbestel was het onmogelijk programma’s te maken naar de smaak van de nieuwe generaties. In 1960 begon Veronica, illegaal op een schip, met de leuze ‘Je bent jong en je wilt wat’.

In grote trekken waren de jaren vijftig een worsteling tussen de dwang van de restauratie en de behoefte aan gewone democratische openbaarheid van de nieuwe generaties. In de loop van het volgende decennium kregen de jongeren onvermijdelijk meer invloed, en zo konden zich de jaren zestig voltrekken. In Nederland is de kiem daarvoor gelegd in 1940.

Voor de generatie die nu bestuurlijke verantwoordelijkheid begint te dragen, is het wezenlijke stadium van de vorming begonnen aan het einde van de Koude Oorlog. Ook een revolutie. Het politieke denken werd bevrijd uit het ideologische harnas waardoor het veertig jaar beperkt was geweest. Al vlug werd duidelijk dat de roaring nineties waren aangebroken, met de eeuwig groeiende Nieuwe Economie, de fun en misschien het belangrijkste: de onweerstaanbare groei van internet. Met de economie is het anders gegaan dan we tien jaar geleden dachten, maar fun en internet zijn overal, en sinds 2001 is er een nieuw element: angst voor terroristen.

Welke invloed heeft dit alles op het denken van de generatie die ons over een jaar of vijf, tien, zal besturen? Zullen we ons onder leiding van de jongeren verongelijkt terugtrekken in een gezuiverde vesting Nederland waar we dan weer trots op moeten zijn? Zullen we als klein land met succes kunnen deelnemen aan de voortgaande mondialisering? Niemand weet het. Misschien staan we voor een nieuwe ‘jaren zestig’. Maar ik zie nog geen programma.