Revolutionair concert

Een jongen uit een joods arbeidersgezin die viool moest studeren, in het verzet ging en na de oorlog trotskist werd. Nu doet Maurice Ferares niet meer aan politiek. Hij schrijft: huiveringwekkende en ook poëtische boeken.

DROMEN, NACHTMERRIES en een werkelijkheid die vaak erger bleek dan de ergste nachtmerrie. Maurice Ferares heeft altijd onder druk gestaan van die dromen. Eerst de droom van zijn vader, een eenvoudige schoenmaker met muzikaal talent, die wilde dat zijn zoon naar het conservatorium zou gaan en beroepsviolist zou worden. Toen die droom eenmaal uitkwam en de joodse jongen volgens alle clichés prachtig viool kon spelen, was de vader allang in de nachtmerrie van de Duitse vernietigingskampen verdwenen.
De zoon had een andere droom: het communistisch verzet. Maar toen de oorlog eenmaal voorbij was besefte hij dat ook de werkelijkheid van het stalinisme ellende en geweld betekende. Hij gaf zijn droom van een betere wereld niet op en belandde in almaar kleiner wordende trotskistische groepjes. Zijn werkelijkheid was niet meer die van de muziekbeoefening, maar het noeste vakbondswerk in de Nederlandse Toonkunstenaars Bond om de materiële positie van de musici te verbeteren.
Nu is hij 77 jaar. Hij heeft zijn dromen niet opgegeven, maar in werkelijkheid is hij van geen enkele organisatie, hoe klein ook, nog lid. Hij is met recht, zoals I.F. Stone, een ‘minderheid van een’ geworden. Hij geeft nu zelfs geen revolutionaire blaadjes meer uit. Maar hij schrijft boeken, romans. En hij probeert daarmee al die andere dromen, nachtmerries en wilde fantasieën te temmen. De dromen van die idealistische jonge man die hij eens was, de fantasieën die z'n verzetswerk begeleidden, de nachtmerries over wat ook zijn familieleden en zijn vrienden is aangedaan, niet alleen door het nazisme, maar ook door het stalinisme.
Zijn eerste boek, Violist in het verzet, uit 1991, bevatte zijn herinneringen aan de Amsterdamse Transvaalbuurt waar hij voor de oorlog opgroeide, en aan de Tweede Wereldoorlog. Het latrinecommando is een roman die leest als een afschuwelijke angstdroom. Nathan de boekverkoper komt in een bizar kamp terecht, waar de gevangenen boeken moeten verscheuren. De ergste straf is als men tot stikkens toe onder in de latrine wordt opgesloten, niemand overleeft dit 'latrinecommando’, het lijkt een verzinsel uit een boze nachtmerrie, maar het is op werkelijke feiten gebaseerd. Nathan overleeft, maar gaat na de oorlog op zoek naar zijn ergste beul, een communist die door Stalin aan Hitler is uitgeleverd, en leert tegelijk het reëel bestaande en verbureaucratiseerde socialisme kennen.
In het zojuist verschenen boek Het avondconcert is niet wraak, maar schuldgevoel de leidraad. Moshe is een jonge jongen die zijn ouders ziet wegvoeren tijdens de oorlog en ze niet kan redden. Hij droomt zich een werkelijkheid van ridders, liefde en strijd, maar ook in zijn ultieme nachtmerrie kan hij zijn ouders niet redden en zelfs de uitgestrekte handen van zijn moeder niet grijpen.
Nadat hij een leven lang heeft gestreden voor de droom van een betere wereld in de toekomst, ziet Maurice Ferares het nu als zijn taak in zijn boeken het verschrikkelijke verleden levend te houden. Hij beroept zich op de Pools-joodse Jizchak Katzenelson, die voor hij zelf in Auschwitz werd vergast zijn in het Jiddisch geschreven epos over de uitroeiing van het joodse volk in een melkfles heeft kunnen begraven. 'O nit varhejlt soll wern in vargessnhejt die ejbike die wund’, schreef hij. 'O, hij mag niet ge nezen door vergeten, die eeuwige wond’, zo citeert Maurice Ferares in zijn laatste boek Katzenelson.
Hoewel hij niet in dienst is geweest, beschrijft hij zijn leven nu als een opeenvolging van loopgraven waarin hij heeft gevochten en telkens weer verloor. Ferares: 'De eerste loopgraaf was het verzet, maar toen de oorlog voorbij was kwamen alle oplichters en dieven van vóór de oorlog weer terug. Er was niets veranderd. Toen er in Nederland geen revolutie mogelijk bleek, wilde ik naar Indonesië gaan, waar een bevrijdingsstrijd gaande was, dat was m'n volgende loopgraaf. Maar ook dat mislukte, ik kreeg geen toestemming om daarheen te gaan. De vakbeweging, dat was eigenlijk m'n volgende loopgraaf. Maar nu geloof ik dat romans soms meer doen voor de toekomst van de wereld dan politieke strijd. De schrijver Gárcia Marquez heeft misschien meer voor de Latijns-Amerikaanse arbeiders gedaan dan Castro en Che Guevara. De boeken die ik schrijf zie ik ook als de betaling van een soort verplichting. Om datgene wat er is gebeurd niet te doen vergeten.’
'Toen ik m'n eerste boek, Violist in het verzet, schreef heb ik iedere keer zitten grienen. Ik wilde alle mensen noemen bij wie ik had gestudeerd, bij wie ik ondergedoken was geweest. In m'n nieuwste boek, Het avondconcert, heb ik bewust geprobeerd de realiteit tot absurditeit en het absurde tot realiteit te maken, want die gaan in elkaar over. Droom en werkelijkheid kun je nauwelijks van elkaar scheiden. De hoofdpersoon is een dromerig muzikantje, een gevoelig kereltje, maar zijn dromen waren dromen die ik in werkelijkheid ook heb gehad. Hij ziet in zijn verbeelding ridders op straat. Want wat mij nog altijd verschrikkelijk dwarszit, dat is de gladheid waarmee het allemaal is gegaan. Als je dat hebt gezien, en ik heb het gezien, ik heb gezien hoe in februari 1941 de eerste joodse jongens werden opgepakt die naderhand naar Mauthausen zijn gestuurd. Ik heb midden in die razzia gestaan, in de Weesperstraat. Ik was met m'n vriendje Emile Kets de Vries in de stad, op het Jonas Daniël Meijerplein werd hij gepakt. Nee, nu schiet het me te binnen, ik was al in december 1940 lid geworden van de communistische partij en ik had in het Duits gestelde pamfletjes in m'n zak die ik in auto’s van de Duitse Wehrmacht moest gooien. Ik wist natuurlijk dat het levensgevaarlijk was, daarom bleef ik in de Weesperstraat staan kijken en glipte later bij m'n tante in de Lepelstraat naar binnen. Van haar moest ik die pamfletjes onmiddellijk verscheuren en door de wc spoelen, zij was met een Duitse vluchteling getrouwd, dus zij moest extra voorzichtig zijn.’
'IK WAS ACHTTIEN jaar toen ik lid werd van de communistische partij. Ik zat nog op het conservatorium en iemand die ik vioolles gaf vroeg me om te helpen De Waarheid te stencillen en te verspreiden.
Mijn vader was een van de eerste leden van de SDAP, hij sympathiseerde met het communisme en hij was zeer verontwaardigd over de verbanning van Trotski uit de Sovjet-Unie in 1929. Mijn ouders waren geboren in armoedige woningen in de Amsterdamse jodenbuurt. Ze konden naar een betere woning in de Transvaalbuurt verhuizen - dat was de verdienste van de sociaal-democratische stadsbestuurders. Maar m'n vader had ook contact met de communist David Wijnkoop, hij was schoenmaker en maakte z'n schoenen en we kwamen bij hem thuis. M'n vader had een heel goede stem, maar m'n grootouders hadden geen geld om hem te laten studeren. Toch heeft hij jarenlang in operakoren gezongen, voor de radio of in Carré. Hij heeft wat hij niet heeft gekund op mij geprojecteerd, daarom moest ik beroepsmusicus worden, dat heeft wel een zware hypotheek op mijn jeugd gelegd. Als de andere jongetjes aan het voetballen of sneeuwballen gooien waren moest ik viool studeren. Hoewel m'n vader vrijdenker en multatuliaan was, heeft hij bij de Portugees-joodse Gemeente aangeklopt om aan geld te komen zodat ik viool kon studeren. Daardoor kwam ik natuurlijk in een heel andere wereld.
Misschien was het verzet ook wel een manier om aan die druk van m'n vader te ontkomen. Voor het verzet deden we gewoon wat er te doen was: De Waarheid maken en verspreiden, bonkaarten wegbrengen. Het maakte eigenlijk deel uit van het kunstenaarsverzet. Je had het lef om dat te doen omdat je niet besefte wat er voor gevaren aan verbonden waren. Ik heb een miljoen maal geluk gehad, ik ben nooit gepakt en zelfs nooit gecontroleerd.
Aan het eind van de oorlog was ik on dergedoken bij mensen die al in de jaren dertig uit de communistische partij waren gestapt. Van een huisvriend die niet bang was kreeg ik boeken van Lenin te lezen, maar ook van de in ongenade gevallen Boecharin en Trotski. Voor een goede stalinist was het natuurlijk ondenkbaar dat je zulke boeken las. En een paar weken na de bevrijding stak ik op de allereerste vergadering voor het kader in het Instituut voor de Tropen een rede af tegen partijleider Paul de Groot. Ik vroeg hoe het kon dat communisten in de regering wilden zitten, het Wilhelmus zongen en met de rood-wit-blauwe vlag zwaaiden. Arbeiders hebben toch geen vaderland? Natuurlijk werd ik met de grond gelijk gemaakt en toen ben ik uit de partij gegaan. Dan ga je ook nadenken over de Moskouse processen uit de ja ren dertig en het Stalin-Hitlerpact uit 1939. Maar het belangrijkste voor mij was dat de CPN toen vond dat Indonesië niet onafhankelijk kon worden.
Indonesië mocht niet verloren gaan vanwege het levenspeil van de Nederlandse arbeiders en bovendien was het beter dat het Nederlands bleef dan dat het Amerikaans werd. Ik wilde graag naar Indonesië toe, als violist om sonatenavonden te geven. Maar toen ik eind 1945 lid werd van een trotskistische groepering, de Revolutionair Communistische Partij en kandidaat werd voor de gemeenteraad en de Tweede Kamer stond er op de Amsterdamse bruggeborden: “Kies Ferares Troepen weg uit Indonesië”. Dat betekende dat mijn kans verkeken was om naar Indonesië te gaan.
M'n conservatorium heb ik niet afge maakt. Toen in 1942 de joodse leerlingen van de school af moesten, studeerden we door onder leiding van de joodse leraren die al eerder waren verwijderd. We deden ook examens. Maar conservatorium-directeur Willem Andriessen wilde na de bevrijding die examens niet erkennen. Ik dacht: donder dan maar op met je conservatorium. In een rustig bestaan bij een symfonie-orkest had ik toch al geen zin. Ik wilde kamermuziek maken, maar ik kwam om mijn brood te verdienen bij de Hoofdstadoperette en revue-orkesten terecht. Het voordeel was dat ik niet hoefde te studeren. Die tijd hield ik over voor de politiek.’
'IN 1957 KON ik secretaris worden van de Nederlandse Toonkunstenaars Bond, en ik kreeg opdracht van m'n partij om dat te doen. De NTB was lid van het NVV, dus was het idee dat je zo invloed kon krijgen in de vakbeweging. Natuurlijk een belachelijke gedachte dat je via een dergelijke infiltratie de leiding van het NVV om zou kunnen krijgen. Ik heb dan ook nooit geprobeerd op basis van mijn politieke ideeën vakbondspolitiek te bedrijven. Musici hebben in Nederland altijd een moeilijke positie gehad. Ik heb in 1968 actief meegedaan aan de Notenkrakersactie en gepleit voor muzikale pools van een paar honderd man die alle muziekstijlen zouden kunnen spelen. Met trotskisme had dat allemaal niets te maken. Ik heb dat altijd streng gescheiden gehouden.
Nu zou ik me geen trotskist meer noemen. Ik hecht nu minder aan personen als Trotski of Lenin. Maar ik ben nog wel marxist en absoluut revolutionair. Ik ben van mening dat datgene wat we om ons heen zien niet het laatste woord van de beschaving is. Kijk naar de armoede en de aidsexplosie in Afrika. En al die maffiose praktijken, niet alleen in het Westen, ook in Rusland. Stalin wilde socialisme in één land, dat was waanzin. Zonder revolutie in Duitsland kon ook de Sovjet-Unie geen stand houden. Maar goed, ik weet nu ook niet meer zo zeker of het beter was gegaan als Trotski in de Sovjet-Unie aan de macht was gekomen. Hij heeft grote fouten gemaakt. Hij is op een gegeven ogenblik opgekomen voor militarisering van het economisch leven en de vakbeweging, een afschuwelijk standpunt. Maar ook onbaatzuchtige en verstandige mensen stonden in Rusland voor een onmogelijke opgave, het socialisme te vestigen in een grotendeels nog achterlijk land. Daardoor waren ze op een gegeven moment gedwongen om waanzinnige maatregelen te nemen. Toch was Trotski de enige die een correcte analyse van het stalinisme heeft gemaakt.
Het gaat slecht met links als het kleine sektes blijven. Er is wel eens als grapje gezegd: als er drie trotskisten bij elkaar zijn is er altijd een meerderheid en een minderheid. Sinds een jaar of vijftien ben ik geen lid meer van een organisatie. Wel heb ik nog een hele tijd twee blaadjes uitgegeven: Rode Oktober en Zelfbeheer. Maar ik was niet aangesloten bij de Vierde Internationale. Wel was ik nog een tijdje als trotskist lid van de PvdA. Ik was zelfs secretaris van het Sociaal-Democratisch Centrum in die partij, dat was natuurlijk ook een farce. Je kunt een partij niet op die manier naar links trekken, dat hangt af van de maatschappelijke ontwikkelingen.’
'IK BLIJF GELOVEN dat racisme en antisemitisme altijd een gevolg zijn van de maatschappelijke omstandigheden, direct of indirect, bijvoorbeeld om de aandacht van de ellende af te leiden. Ik heb een hekel aan deze maatschappij omdat het een hiërarchische en domme maatschappij is, waarin de mensen verschrikkelijke egoïsten zijn. Ik geloof in een maatschappij waarin mensen wel zorg hebben voor elkaar, ook al moet ik daar nog vijftig of honderd of vijfhonderd jaar op wachten. Maar ik geloof niet meer dat je zoiets in een of twee generaties voor elkaar krijgt. Toch geloof ik dat er op den duur een mensenmaatschappij mogelijk is waar de mensen gezamenlijk hun lot bepalen. Deze maatschappij kan toch niet het hoogste zijn wat de mensheid kan bereiken?
Maar ik schrijf nu niet meer vanuit mijn politieke overtuiging. In die boeken probeer ik het verleden te verwerken. Dit laatste boek is het meest poëtische van de drie. Eerst heette het Leve de revolutie! Maar al die politieke dingen, over Algerije en zo, heb ik er uiteindelijk uitgegooid. Het boek dat ik nu ga schrijven gaat over Socrates. Ik laat in 2010 het proces tegen Socrates nog een keer overdoen. Het gaat over de degeneratie van de democratie. Socrates wint nu. Niet omdat hij voor de oligarchie was, maar omdat hij het recht op vrijheid van meningsuiting had moeten hebben.’