Kanttekeningen bij Blair

Revolutionair zonder ideologie

Tony Blair treedt in juni af als premier van Groot-Brittannië. Vooral in het buitenland kwam hij tot grootse daden. Maar voordat hij de wereld zou gaan redden stond een verjongingskuur van het eigen koninkrijk op de agenda. De kuur had matig succes.

LONDEN – Graag komt hij er niet, maar als Tony Blair het Britse Lagerhuis met een bezoek vereert, ontstaat er doorgaans aan oppositionele zijde een bloedblad. Op vragen over onderwijs, zijn rivaliteit met ’s lands penningmeester Gordon Brown en de laatste onheilstijding uit Irak reageert de Britse premier met retorica, een vleugje zelfspot en dodelijk venijn. In tien jaar tijd heeft Blair slechts één keer met de mond vol tanden gestaan. Dat gebeurde toen partijgenoot Tony McWalter hem vroeg naar z’n politieke filosofie.

Anthony Charles Lynton Blair heeft nooit veel interesse gehad in ideologie. De doelstelling van zijn New Labour-project werd eerder dit jaar kort verwoord in een uitgelekte Downing Street-notitie. ‘Zijn ware nalatenschap is niet het uitgevoerde beleid, hoewel dat ook wel belangrijk is, maar de heerschappij van New Labour-ideeën… van Blairism.’

Tien jaar geleden heette dat de Derde Weg, een eufemisme voor ‘blatcherisme’, waarbij een neoliberale economische politiek wordt behangen met modieuze trefwoorden als ‘transformatie’, ‘vernieuwing’, ‘vooruitgang’, ‘modernisering’ en ‘transparantie’. Het motto was ‘forward, not back’, een wijsheid van ruimtewezen Kodos uit The Simpsons. De ‘things’ konden alleen maar beter worden. Anders dan Margaret Thatcher, die geen drang had om populair te zijn, ging het Blair om het creëren van een goed gevoel, iets waar ‘Tone’ meesterlijk in bleek te zijn. Hij kende zijn Van Agt: politiek is optiek en akoestiek.

Er is geen premier geweest die een gehoor zo kon animeren als Blair.

Legendarisch is zijn geïmproviseerde toespraak na de aanslagen in New York. Ook de manier waarop hij tijdens zijn laatste conferentietoespraak een rel onschadelijk maakte, was magistraal. Een dag eerder had vrouwlief in de nabijheid van een journalist ‘Dat is een leugen’ gemompeld tijdens een toespraak van Brown, de bewoner van 11 Downing Street. ‘Ik hoef er in ieder geval niet bang voor te zijn dat Cherie er met die gozer van hiernaast vandoor gaat’, grapte Blair.

Blairs voornaamste politieke wapen is zijn ontwapenende houding. Deze ‘Great Communicator’ is gezegend met het vermogen gesprekspartners het gevoel te geven dat hij het met ze eens is. Zelden verliest hij zijn decorum. Dat merkte ook een van zijn trouwe critici, voormalig kamerlid en _Times-_journalist Matthew Parris. Nadat hij op een partijconferentie weer eens een azijnstukje over Blair had geschreven, zat hij aan de hotelbar toen het object van hoon op hem af kwam. ‘Hoi, Matthew! Hoe gaat het? Vermaak je je een beetje?’ groette de premier joviaal. De bejaarde, oerconservatieve commentator Paul Johnson moest toegeven dat Blair de best gemanierde premier was die hij ooit had ontmoet. ‘Hij denkt altijd aan andere mensen en dat is een karakteristiek die zeer zeldzaam is in de politieke top.’

Die attentheid trof ook de flamboyante Conservatief Alan Clark nadat bij hem kanker was gediagnosticeerd. Daags na de onheilstijding lag er een handgeschreven briefje van Blair bij de post waarin deze de hoop uitsprak dat Clark weer snel terug in het Lagerhuis zou zijn om hem een harde tijd te geven. Persoonlijke, handgeschreven briefjes tekenden de nieuwe informaliteit op Downing Street. Waar Harold Wilson met Mick Jagger dineerde in een restaurant, daar mochten Ginger Spice, Bono en Oasis’ Noel Gallagher langskomen op Downing Street. Waar de garderobe van Thatcher geen vrijetijdskleren bevatte, daar loopt Blair (‘Zeg maar Tony’) het liefst rond in chino’s. Waar John Major thee dronk uit een kopje met bijbehorend schoteltje, daar nipte Blair uit een mok, liefst eentje waarop alle positieve karaktertrekken staan die horen bij zijn roepnaam. Het icoon van Blairs informele revolutie was natuurlijk de sofa waarop hij met zijn adviseurs de politieke verslaggeving pleegt door te nemen.

Deze informele houding gaat gepaard met een hekel aan conflict. Dat blijkt onder meer uit de dagboeken van spindoctor Lance Price waarin Blair naar voren komt als iemand die dol is op in het oog springende initiatieven en inspirerende redevoeringen, maar bovenal als een consensuspoliticus. Zo was hij tegen een totaalverbod op zowel de vossenjacht als op roken in de horeca. Een cartoonist beeldde de discussie omtrent dat laatste typerend uit: in een kroeg houdt de potige vice-premier John Prescott vechtende ministers uit elkaar, terwijl kastelein Blair toekijkt met een blik van ‘Jongens, moet dit nou?’ Een zelfde ontspannen houding jegens politiek handwerk bleek eens op het Wereldeconomisch Forum, waar op Blairs notitieblaadje vooral tekeningen stonden, waaruit een door de pers ingehuurde grafoloog concludeerde dat hier een dagdromende sjamaan aan het werk was.

In The Times bracht de politiek waarnemer Simon Jenkins Blairs raison d’être sceptischer onder woorden: ‘Het lijkt erop dat Blair geen andere ambitie koestert dan een vaag verlangen om door iedereen aardig gevonden te worden, vrienden te helpen en de wereld te redden.’ Alvorens de wereld gered kon worden stond de verjongingskuur van het eigen koninkrijk op de agenda. Terwijl hij zelf de klantenbinding van Leviathan Ltd. op zich zou nemen, delegeerde Blair de uitvoering aan Brown – de klassieke taakverdeling tussen de twee. Toen ze in 1983 als jonge Turken in het Lagerhuis kwamen, zag men Brown vaak lopen met gammele stapels papieren vol memobriefjes, terwijl het huiswerk van Blair paste in een aktetas, met initialen.

Brown tracht Tonyland op de vierkante centimeter te regelen, te beginnen in onderwijs en zorg. Met de vorm, het sterke punt van New Labour, verliep het voortvarend. Kleine, oude scholen en ziekenhuizen werden vervangen door grote, nieuwe gebouwen. Maar inhoudelijk verliep het stroever. Universiteiten en bedrijven klagen steeds luider dat schoolverlaters geen zin fatsoenlijk op papier kunnen zetten, reddeloos zijn zonder rekenmug en het Victoriaanse tijdperk lokaliseren in de late Middeleeuwen. In de zorg zijn de wachtlijsten korter geworden, maar de kansen op genezing niet veel groter. Uitgerekend op de dag dat Blair zijn afscheidsdatum bekendmaakte werd een ranglijst gepubliceerd waaruit bleek dat Engelse kankerpatiënten slechter af zijn dan lotgenoten op het vasteland. Gebitsonderhoud is nog altijd onbegonnen werk. Tussen idealiteit en realiteit bleek, indachtig T.S. Eliots gedicht The Hollow Men, een schaduw te vallen.

Met Blairs economische erfenis is het beter gesteld. Ondanks gemiddeld één in het oog springend fiscaal nieuwtje per maand is vrijwel iedereen de afgelopen tien jaar welvarender geworden, van de steuntrekker in Stevenage tot de Graaf van Westminster. Deze materiële welvaart blijkt echter niet synchroon te lopen met geestelijk welbevinden, zo blijkt uit onderzoeken naar welzijn, een gat in de markt dat door Camerons Conservatieven is ontdekt. Vooral bij de traditionele plattelandsbevolking kan deze regering geen goed doen. Het mond-en-klauwzeerbeleid vonden ze een stinkende bende, het verbod op de vossenjacht grootstedelijke onnozelheid, terwijl de laatst overgebleven veeboeren worden uitgemolken door het grootkapitaal.

Ten overvloede heeft New Labour eens te meer bewezen dat de Engelsen weinig aanleg hebben voor grote projecten. De reeks mislukte IT-systemen is imponerend, het uitdelen van belastingkredieten een administratieve chaos en de Millennium Dome, de soos van New Labour, een extravagante mislukking. In het opinieblad Prospect gaf Geoff Mulgan, voormalig adviseur van Blair, een verklaring voor het niet uitkomen van de hoge verwachtingen: ‘We hadden geen ideologie of strategie voor een duidelijke verandering in de aanbieding. We waren vooral behendig in het winnen van verkiezingen.’

Waar Blair wél tot grootse daden kon komen, was het buitenland. Een aanzienlijk deel van zijn loopbaan bracht hij door in het regeringsvliegtuig Blairforce One, en in Ryan Air als hij het zelf moest bekostigen. De relatie tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie verbeterde, ondanks Blairs moeizame relatie met Jacques Chirac en diens liefde voor conflict. Voorbij de douane stond het blairisme wel voor iets concreets: liberaal-interventionisme. Bij zijn aantreden sprak hij de hoop uit dat hij aan het begin zal staan van een wereld zonder historische conflicten. Ironisch genoeg zal Blair met vijf oorlogen de geschiedenis ingaan als de meest belligerente premier. De adviseurs van Bill Clinton noemden Blair ‘Winston’ wanneer hij weer eens om grondtroepen voor Kosovo had gepleit. Op de Balkan, in Sierra Leone en, meer recentelijk, in Noord-Ierland boekte hij successen.

In het buitenland trof Blair ook zijn Waterloo. Vrijwel al zijn krediet verspeelde hij in Irak en door zijn vriendschap met George W. Bush, wiens ‘advocaat’ hij zou worden. Tijdens zijn op Sinatra’s My Way geënte ‘Blairwell-speech’ benadrukte Blair dat hij altijd met de beste intenties heeft gehandeld. Het probleem is dat hij niet goed wist met wíe hij handelde. Tegenover de journalist James Naughtie meldde hij eens dat hij nooit precies begreep wat mensen bedoelden met ‘that neoconservative thing’. ‘Ken je The Project for the New American Century?’ informeerde Naughtie. ‘Nee, wat staat erin?’ luidde Blairs antwoord.

De goede band met Bush rust deels op hun beider christelijke geloof, hetgeen voor de onverschrokken televisiepresentator Jeremy Paxman ooit reden was om een interview met Blair te beginnen met de vraag: ‘Bidden jullie samen?’ Een antwoord kreeg hij niet. Toch lijkt het erop dat Blair over de grens beter met zijn geloofsovertuiging uit de voeten kon – zoals bij zijn strijd tegen het Kwaad en bij het vredesproces in Ulster – dan in eigen land, waar de Schepper een figurantenrol vertolkt. Desalniettemin dook Blairs spiritualiteit soms op, bijvoorbeeld wanneer hij meezong bij Songs of Praise, het Lagerhuis toesprak met een hindoestaanse ‘nada chadhi’ om de pols of wanneer hij tijdens een toespraak openbaarde dat hij alleen weet wat hij gelooft, wat mogelijk verband houdt met zijn subjectieve, Humpty Dumpty-achtige visie op de woorden en hun betekenis.

De vertrouwensband met de Britten zou verder verslechteren door de schandalen die zijn kabinet zouden teisteren, met name de uitverkoop van adellijke titels. Dat laatste leidde ertoe dat hij de eerste premier werd die de politie op de thee kreeg. Bovendien zal Blair voor altijd worden gezien als hoofd van een regering met de reputatie van manipulatie, effectbejag en het heimelijk begraven van slecht nieuws. Het gevecht tussen Blairs spinmeester Alastair Campbell en de bbc over het opseksen van het ‘dodgy dossier’ aangaande Saddam Hoesseinss vernietigingswapens zou leiden tot de zelfmoord van wapeninspecteur David Kelly, een gebeurtenis die nog steeds als een splinter in Blairs hart zit.

Het duurde even eer Blair inzag dat zijn tijd gekomen was, dat de mensen hem niet meer zagen als de Hugh Grant maar als de David Brent van Westminster. Toen hij voor de parlementsverkiezingen van 2005 verkondigde dat dit zijn laatste verkiezing zou worden, vroegen commentatoren zich schertsend af of deze ‘master of suspense’ de zwanenzang van de democratie had aangekondigd. In vergelijking tot Blair zal de humeurige Brown minder tot de verbeelding spreken bij de kiezers, maar met zijn uitspraak, twee jaar geleden, dat hij zijn oude makker nooit meer zal vertrouwen, raakte hij een gevoelige snaar.