Thierry Baudet en het nederconservatisme

Revolutionairen van deze tijd

Met de opkomst van Forum voor Democratie heeft Nederland sinds tijden weer een echte conservatieve partij. Wat velen verbaast, is dat dit conservatisme meer lijkt op te hebben met revolutiedrang dan met behoudzucht. Maar radicalisme is niet uitzonderlijk in de conservatieve traditie.

Het is een van die vele Hollandse eigenaardigheden waar historici en politicologen zich al langer het hoofd over breken: in tegenstelling tot veel omringende landen heeft Nederland nooit een vooraanstaande conservatieve traditie gekend. In veel politieke stelsels is het conservatisme een hoofdstroom van de moderne politiek. In Nederland werd het conservatisme echter in grote delen van de twintigste eeuw bovenal geassocieerd met bekrompenheid en achterlijkheid. Niemand wilde zich tooien met die naam.

Johan Huizinga, ’s lands beroemdste historicus, stelde in 1934 dat ‘deze vrees om ouderwets te schijnen’ het land schade had toegebracht. Huizinga betreurde het feit dat er geen conservatieve stroming was, ‘conservatief in de waardige zin van het goede willen behouden en die traditie niet roekeloos te willen prijsgeven voor de mode van de dag’. Toen de socioloog Jacques van Doorn in 1977 een lans brak voor het conservatisme, moest hij tot zijn spijt constateren dat dit gedachtegoed in de verdringing was geraakt. Hij beschreef het Nederlandse conservatisme op kleurige wijze als een ‘door progressieve aanwending van milieuvijandige besproeiingsmiddelen uitgeroeide moerasplant’.

Alhoewel het nooit heeft ontbroken aan behoudend sentiment in Nederland, vertaalde dat zich nimmer in een eigen conservatieve stroming. ‘We kennen in onze eeuw geen partij of stroming in Nederland die vrijwillig het adjectief “conservatief” draagt’, schreef de historicus Hermann von der Dunk in een historisch essay uit 1973. ‘De term lijkt een gore, versleten hoed, waar niemand het hoofd mee wenst te bedekken. Hoogstens probeert men hem tegenstanders onverhoeds over de oren te drukken.’

Het is nog vroeg om oordelen te vellen over de 21ste eeuw. Maar het lijdt geen twijfel dat de eerste twee decennia zich lenen voor een ander verhaal. We zijn getuige geweest van de opkomst van een conservatisme van eigen bodem, dat ik voor het gemak ‘nederconservatisme’ noem. Met de recente verkiezingsoverwinning van Forum voor Democratie is een partij doorgebroken die zich expliciet en geheel vrijwillig met het conservatisme afficheert. Vandaar de noodzaak om te begrijpen wat dit conservatisme nu eigenlijk behelst. Wat drijft de nederconservatief?

De stormachtige opkomst van Thierry Baudet staat natuurlijk niet op zichzelf, maar vormt feitelijk de tweede etappe van een langere conservatieve campagne. Baudet is het kind van een eerdere conservatieve doorbraak, die zich voordeed ten tijde van de opkomst van Pim Fortuyn. In december 2000 werd de Edmund Burke Stichting opgericht, een conservatieve denktank die een belangrijk stempel zou drukken op het Nederlandse debat. Oprichters en leden als Joshua Livestro, Andreas Kinneging, Bart Jan Spruyt, Paul Cliteur en Michiel Visser kwamen daarmee uit de kast als conservatieven. Zij stelden vol bravoure dat het conservatieve moment was gekomen en proclameerden een ‘conservatieve revolutie’ tegen de babyboomers en de geest van ’68. Deze ‘nedercons’ waren een belangrijke intellectuele inspirator van de Fortuyn-revolte en speelden een prominente rol bij de oprichting van de pvv.

Ook toen al verwonderden velen zich over het rusteloze radicalisme van deze conservatieve intellectuelen. We zijn het gewend om conservatisme met behoedzaamheid en behoudzucht te associëren. De conservatieven die rond de eeuwwisseling ten tonele kwamen, riepen zichzelf uit tot de ‘revolutionairen van deze tijd’ en stelden een ‘radicale mentaliteitsverandering’ voor, ‘op alle niveaus’.

Baudet is ten tijde van deze vorige conservatieve opmars politiek gevormd. Hij nam als student deel aan de zomerscholen van de Edmund Burke Stichting en nodigde Spruyt en Livestro uit als gastsprekers voor zijn leesgroep. Verder publiceerde Baudet twee bundels over het conservatisme, samen met Michiel Visser. Hij schreef zijn proefschrift onder begeleiding van Paul Cliteur, inmiddels voorzitter van Forums Eerste-Kamerfractie en tevens voorzitter van het Renaissance Instituut, het wetenschappelijk bureau van de partij. Het is geen wonder dat er veel overeenkomsten zijn tussen de ideeën van Baudet en die van deze eerste generatie. Met zijn pleidooi voor een ‘conservatieve revolutie’ bouwt Baudet duidelijk voort op hun radicalisme, en ondertussen speelt hij openlijk met nog extremere ideeën. Om het radicale karakter van dit conservatisme beter te begrijpen, kan het geen kwaad terug te grijpen op deze eerdere conservatieve doorbraak.

***

In februari 2001 maakte Joshua Livestro het bestaan van de Edmund Burke Stichting wereldkundig, middels een geruchtmakend opiniestuk in de NRC. Hierin verkondigde hij vol branie dat het conservatieve moment was gekomen. Volgens Livestro had ‘het ideologisch erfgoed van de jaren zestig’ geleid tot ‘een oppervlakkige politieke correctheid, en een dieper gevoelde crisis van oude zekerheden’. De uitbreiding van de verzorgingsstaat sinds de jaren zestig en de daaropvolgende individualisering hadden ‘in de praktijk geleid tot het ondermijnen van de kerninstituties: het huwelijk, de kerk, de vereniging, de school en de universiteit’. Het opiniestuk ontlokte een langlopende discussie. Later dat jaar viel Paul Cliteur hem bij. Hij liet in de NRC weten dat de Burke Stichting als doel had de dominante waarden van de babyboomers te ontmaskeren. Daarvoor was ‘niets minder dan een revolutie nodig’. ‘Het lijkt erop dat die er wel komt’, voegde hij daar minzaam aan toe.

De conservatieve denktank onderhield nauwe banden met de vvd, het cda en de ChristenUnie, en had als doel de conservatieve vleugels binnen deze partijen te versterken. ‘Het idee was om de bestaande politieke partijen te beïnvloeden. cda, vvd en de kleine christelijke partijen hadden een rechtervleugel die wel wat zelfvertrouwen kon gebruiken’, vertelde Bart Jan Spruyt in een later interview. Het streven voor de lange termijn was een ‘herschikking van het politieke landschap’. De hoop was dat er een grote conservatieve partij zou ontstaan die verschillende rechtse stromingen kon verenigen, net als in de Amerikaanse conservatieve beweging.

De profileringsdrift van de Edmund Burke Stichting stimuleerde al snel een scherp debat over de ware aard van het conservatisme. Bart Jan Spruyt en Michiel Visser publiceerden in 2003 een Conservatief Manifest in Trouw. De inzet was scherp. ‘“Links” heeft ons land oneindig veel problemen gebracht en nu is het tijd dat “Rechts” zijn wortels herontdekt om de schade te herstellen’, zo opende het manifest. ‘Alleen het conservatisme is daartoe in staat. Het conservatisme is de aartsvijand van het linkse, progressieve denken. Het verwerpt de politieke correctheid, het multiculturalisme en het waardenrelativisme die de jaren zestig ons hebben gebracht.’

De auteurs bepleitten ‘een volledige en radicale mentaliteitsverandering op alle niveaus’. Door de sociale voorzieningen van de overheid te versoberen, zullen gemeenschapszin en de gezinsstructuur worden versterkt. Zij eindigen met een oproep om ‘de eenzijdige opvoeding tot mondigheid en het opkomen voor jezelf, je “eigen mening”, gevoelens en sentimenten – de opvoeding die de erfenis vormt van de jaren zestig en zeventig’ te repareren. De militante toon van het manifest, de gestaalde retoriek van strijd en vijandelijkheid, de ideologische vergezichten; het had allemaal weinig te maken met de keurige gematigdheid die men in Nederland gewend was onder conservatisme te verstaan.

Het conservatisme poogt ‘ervaringen terug te roepen die niet meer op authentieke manier beleefd kunnen worden’

De kern van het conservatisme, zo stelden hoogleraren als Frank Ankersmit, wijlen J.A.A. van Doorn en Hans Achterhuis in hun reacties op het manifest, is een pleidooi voor geleidelijkheid en gematigdheid. Volgens Van Doorn stond het conservatisme bovenal voor een vorm van zelfrelativering, een idee van ‘rustig aan, dan breekt het lijntje niet’. Achterhuis noemde het Conservatief Manifest een ‘verkwanseling van het conservatisme’. De conservatieve revolutie die Spruyt en Visser voorstonden was een contradictio in terminis. Frank Ankersmit stelde dat de voorgestane politiek van de Edmund Burke Stichting strijdig was met de filosofie van hun inspirator. Uit de geschriften van Edmund Burke zou blijken dat het conservatisme zich evenzeer tegen de contrarevolutie als tegen de revolutie keert: ‘De reactionair is namelijk even revolutionair als de revolutionair zelf.’ Het is een beschuldiging die vandaag de dag eveneens tegen Baudet in stelling wordt gebracht. ‘Baudet hoort niet bij de conservatieven, maar bij de revolutionairen’, schreef Stephan Sanders onlangs nog in de Volkskrant.

Wie het werk van Baudet leest, zou zomaar tot eenzelfde conclusie kunnen komen. In de bundels Conservatieve vooruitgang (2010) en Revolutionair verval (2012) stellen Baudet en Visser dat de bepalende eigenschap van het conservatisme bovenal de afkeer van revolutie is. In tegenstelling tot het liberalisme en het socialisme is het conservatisme geen utopische filosofie met een einddoel voor ogen. Conservatisme is volgens Baudet en Visser bovenal een keuze voor een bepaalde vorm van vooruitgang, namelijk stapje voor stapje, in plaats van met grote sprongen. Het conservatisme ‘is zoiets als de met water en bloemen gevulde vaas voorzichtig willen verplaatsen’. Het roept bovenal associaties op met Mark Rutte en de recente vvd-campagne waarin Nederland werd verbeeld als een broos, breekbaar vaasje.

Als dit werkelijk de kern van het conservatisme is, rijst de vraag waarom Baudet en Visser tegelijkertijd deel uitmaken van de kring rond de Edmund Burke Stichting, waar men toch eerder van de grote sprongen is dan de kleine stapjes. Het vermoeden ontstaat dat er iets niet helemaal klopt aan het brave zelfbeeld dat conservatieven etaleren aan de buitenwereld.

***

Een vergelijkbare discussie speelt op internationaal niveau. De overwinning van Donald Trump in de VS en de dominantie van de ‘no-deal-Brexiteers’ binnen de Britse Conservatieve Partij roepen bij velen vragen op over de staat van het Anglo-Amerikaanse conservatisme. Als het conservatisme bovenal staat voor gematigdheid, zelfrelativering en behoudzucht, wat verklaart dan de huidige avonturiersdrang van het conservatisme aan beide zijden van de Atlantische Oceaan?

Neem de beroemde beschrijving van het conservatisme van de Britse conservatieve denker Michael Oakeshott: ‘Conservatief te zijn betekent het prefereren van het vertrouwde boven het onbekende, wat al beproefd is boven het nog onbeproefde, feit boven mysterie, het bestaande boven het mogelijke, het begrensde boven het ongelimiteerde, het nabije boven het afgelegene, het toereikende boven het overvloedige, het geschikte boven het perfecte, huidig plezier boven utopische gelukzaligheid.’ Het is moeilijk het huidige conservatisme in dit karakterprofiel te herkennen. Het is juist het onbekende, onbeproefde en mysterieuze dat nu geprefereerd wordt boven het vertrouwde, of het nu een no-deal-Brexit is, Trumps openlijke minachting voor de internationale instituties, of het terugverlangen van Baudet naar de heelheid van de negentiende eeuw.

Een veelgehoord argument in de Verenigde Staten is dat het conservatisme eens een nette, behoudende filosofie van de bestuurlijke klasse was. Totdat het ontspoorde, in een crisis belandde en toegaf aan de lokroep van avonturisme, populisme en ideologische scherpslijperij. Zo stelt David Farber in The Rise and Fall of Modern American Conservatism dat het conservatisme sinds George Bush jr. ten onder is gegaan aan zijn eigen contradicties, en sindsdien is overgegaan tot een ‘destructieve oppositionele politiek’. Het probleem van een dergelijke analyse is dat klachten over populisme en radicalisme zelfs tijdens de zogenaamde bloeitijd van het conservatisme te horen waren. Gematigde critici keerden zich tegen de campagne van Barry Goldwater in de jaren zestig (extremisme ter verdediging van vrijheid is geen zonde, aldus de lijfspreuk van Goldwater), tegen de populistische stijl van Ronald Reagan in de jaren tachtig, of tegen Sarah Palin en Donald Trump.

In zijn boek The Reactionary Mind komt de Amerikaanse politiek filosoof Corey Robin met een andere verklaring. Wat het bekende crisisverhaal mist, aldus Robin, is dat al deze wildere karaktertrekken van het conservatisme al aanwezig waren vanaf het vroege begin, in de achttiende en negentiende eeuw. Populair gesteld: it’s not a bug, it’s a feature. Het conservatisme is altijd al een veel wildere en extravagantere stroming geweest dan velen denken. De conservatief is een wispelturig wezen. Terwijl het conservatieve denken zich hult in de mantel van gematigdheid en behoedzaamheid, herbergt de traditie een vaak nauwelijks verhulde onderstroom van radicalisme en avonturiersdrift.

Het argument van Robin is dat het conservatisme bovenal een reactieve filosofie is, ontstaan ten tijde van de Franse Revolutie, gericht tegen revolutionaire bedreigingen van de gevestigde macht. Deze conservatieve tegenbeweging heeft in de geschiedenis soms populistische, radicale en gewelddadige vormen aangenomen. Het scharnierpunt waar de conservatieve stellingname rondom draait, is de vraag of de progressieve uitdaging gekeerd kan worden, of dat radicale ingrepen nodig zijn om de verloren gegane orde te herstellen.

Het is de januskop van de conservatieve traditie. Aan de ene kant is er de ‘hervormingsconservatief’, die revolutionaire verandering en radicale breuken met het verleden wenst te voorkomen door tijdige en gematigde hervormingen door te voeren. De hervormingsconservatief benadrukt continuïteit en tracht de progressieve politieke stellingnames in te passen in het raamwerk van bestaande tradities en instituties. Edmund Burke wordt over het algemeen gerekend tot deze hervormingsgezinde stroming, die daarom ook wel burkeaans conservatisme wordt genoemd. De hervormingsconservatief is niet gekant tegen verandering als zodanig, zolang die maar geleidelijk verloopt, volgens het motto: ‘Een staat zonder het vermogen om enigszins te veranderen heeft evenmin het vermogen om te behouden.’

Daarnaast is er de ‘herstelconservatief’, die een maatschappelijke orde uit het verleden als ideaal en natuurlijk beschouwt en dat verleden wenst te restaureren. Dit is een radicaler conservatisme. Het burkeaanse conservatisme werd geformuleerd vanuit een specifieke context: het machtige Groot-Brittannië van de late achttiende eeuw, een land dat afstand wist te bewaren tot het revolutionaire gewoel op het continent. Maar wat als de progressieven de instituties hebben overgenomen of onherkenbaar hebben veranderd? In het postrevolutionaire Frankrijk was een burkeaanse oproep tot gematigdheid onzinnig. Daar ontwikkelde zich een reactionair conservatisme, voornamelijk geassocieerd met de royalistische aristocraat Joseph de Maistre, die het revolutionaire regime omver wilde werpen en veranderingen terug wilde draaien. Deze Franse stroming van reactionair conservatisme loopt door in het werk van Maurice Barrès en Charles Maurras, waar het in het begin van de twintigste eeuw uitmondt in het fascisme. In Duitsland werd eenzelfde radicaal en reactionair geluid verkondigd door de Konservative Revolution-stroming met intellectuelen als Arthur Moeller van den Bruck, Carl Schmitt en Oswald Spengler.

Het conservatieve radicalisme is evengoed een utopisch discours, alleen wordt de utopie op het verleden geprojecteerd
***

De stelling van Corey Robin is dat conservatieven zich naar buiten toe vaak presenteren als enkel gematigde hervormers, maar dat de werkelijke grondtoon van het conservatisme stiekem dichter in de buurt ligt van het herstelconservatisme, met zijn dynamische en radicale karakter. Zelfs bij meer gematigde denkers als Burke bespeurt hij een dergelijke onderstroom.

Robin herleidt dit tot het ontstaan van het conservatisme, dat vorm krijgt op het moment dat het idee ontstaat dat oude levenswijzen bedreigd worden. In de achttiende eeuw nam die bedreiging de vorm aan van het progressieve, rationalistische denken van de Franse Revolutie en het opkomende bourgeois kapitalisme. De oude tradities van de aristocratie, de boerenstand en de middenstand werden aangeroepen en verzameld onder het banier van de contrarevolutionaire beweging. Wat eerder een grotendeels gevoelsmatige en onuitgesproken visie was, moest nu doelbewust worden uitgedragen. ‘Het conservatisme wordt pas bewust en reflexief wanneer andere leef- en denkwijzen op het toneel verschijnen, waartegen het de wapens moet opnemen in de ideologische strijd’, schrijft Karl Mannheim in zijn beroemde studie van het conservatisme.

Op het moment dat de conservatief de strijd aangaat om de vertrouwde leefwijzen te verdedigen, is het eigenlijk al te laat: het vertrouwde is op dat moment al niet meer vanzelfsprekend. Karl Mannheim beschreef het conservatisme dan ook als een ‘weloverwogen, bewuste poging om ervaringen te behouden of terug te roepen, die niet meer op een authentieke manier beleefd kunnen worden’. Het conservatisme is kortom een doctrine van verlies. Het is een politiek die georganiseerd is rond het verlies van oude vanzelfsprekendheden en een programma tot herstel daarvan. Daarin ligt volgens Robin de vaak genegeerde aantrekkingskracht van het conservatisme: het spreekt voor mensen die het gevoel hebben privileges te verliezen.

Eenzelfde notie van de verlate conservatieve reactie vinden we in de conservatismebundels van Thierry Baudet en Michiel Visser. De conservatief is in hun ogen ‘degene die reageert, die overvallen wordt door veranderingsdrift, en probeert het bestaande te verdedigen’. Het probleem van de conservatief, aldus Baudet en Visser, is dat deze veelal te laat arriveert om de oude vanzelfsprekendheden simpelweg te kunnen behouden. Pas op het moment dat het pleit eigenlijk al verloren is, wordt de conservatief zich bewust van wat er verloren gaat. Anders gezegd: ‘Ons inzicht in de schoonheid van de wereld die ons altijd als vanzelfsprekend heeft omringd komt pas wanneer de duisternis zich al heeft aangekondigd.’

We zien het tevens terugkomen in Baudets overwinningstoespraak bij de Provinciale-Statenverkiezingen eerder dit jaar. Baudet sprak op inmiddels bekende wijze over de uil van Minerva die zijn vleugels spreidt bij het vallen van de avond. Hij refereerde daarmee heel concreet aan de ondergang van de westerse beschaving en het feit dat de conservatief pas politiek bewust wordt op het moment dat het eigenlijk al te laat is. ‘Vaak duurt het tot het moment dat het bijna voorbij is voordat we ons realiseren wat we hebben en wat we hadden moeten koesteren.’ Baudet hield zijn partijgenoten voor dat ze hier ‘te elfder ure’ stonden, ‘te midden van de brokstukken van wat ooit de grootste en mooiste beschaving was die de wereld ooit heeft gekend’.

—————

Het heden is in dit herstelconservatisme een plek van dreigende duisternis. Het vertrouwde en het goede worden daarentegen in het verleden gelokaliseerd. Noodzakelijkerwijs richt het conservatieve program zich daardoor op restauratie, wat betekent dat de conservatief vijandig staat ten opzichte van het bestaande. Dit is de paradoxale logica van het conservatieve radicalisme. Het is evengoed een utopisch discours, alleen wordt de utopie niet op de toekomst maar op het verleden geprojecteerd.

Een dergelijk conservatief radicalisme is geen randfenomeen, laat politiek filosoof Corey Robin zien. Zo citeert hij Russell Kirk, een van de aartsvaders van de Amerikaanse conservatieve beweging: ‘De denkende conservatief moet vandaag de dag enkele van de karaktertrekken aannemen van de radicaal. Hij moet rondporren tussen de wortels van de samenleving, met de hoop dat hij een oude boom die vast is komen te zitten in de ondergroei van moderne passies, haar voormalige vitaliteit kan teruggeven.’ Nog explicieter is de Amerikaanse conservatief Dinesh D’Souza: ‘De conservatief wenst te behouden, vast te houden aan de waarden van de bestaande samenleving… Maar wat als de samenleving inherent vijandelijk is ten opzichte van conservatieve waarden? De conservatief zou dwaas zijn als hij die cultuur zou proberen te behouden. Sterker nog, hij moet proberen die cultuur te ondermijnen, te doorkruisen, haar fundamenten te vernietigen. Dat betekent dat de conservatief filosofisch behoudend moet zijn maar radicaal in temperament.’

Een zeer vergelijkbaar radicalisme vinden we in de kring rond de Edmund Burke Stichting. Zo maakt Paul Cliteur in een opiniestuk in de NRC uit 2001 het onderscheid tussen een procedureel (hervormings-) en een inhoudelijk (herstel-)conservatisme. Het probleem was dat sinds 1968 de instituties waren overgenomen door progressieve babyboomers, ‘voormalige revolutionairen die in hun revolutie volledig geslaagd zijn’. Cliteur stelde dat conservatieven eveneens een revolutie nodig hadden om de babyboomers te onttronen. Het gematigde procedurele conservatisme was daarom onbruikbaar. De babyboomer-generatie had volgens Cliteur namelijk ‘alles te winnen bij het procedureel conservatisme: zachtjes aan, geen revolutionaire wisseling van de wacht, geen agressieve toon tegenover de status quo van het moment. Men houdt zich stil in de hoop met rust te worden gelaten’.

Op het symposium ‘De conservatieve uitdaging’ in december 2002 zou Cliteur het hervormingsconservatisme van NRC-columnist J.L. Heldring als conformistisch en verouderd aan de kant schuiven: ‘Burkeaans gedachtegoed is het meest overtuigend wanneer men naderend onheil nog kan áfwenden. Dat ligt heel anders wanneer men schrijft en denkt in een postrevolutionaire fase waarbij de revolutie dingen heeft gebracht die niet als een verbetering zijn te beschouwen… Wij, hier in Europa, net als in de Verenigde Staten, leven ook in een postrevolutionaire fase. Mei ’68 zit op het pluche. We hebben te maken met een liberaal-progressieve elite die de toon aangeeft… En dat zou betekenen dat men over de revolutie van mei ’68 heen terug moet naar de zuivere grondslagen van de democratische rechtsstaat.’

Veel van deze oude conservatieve stellingnames zien we weer terugkomen bij Forum voor Democratie. Het zijn de inmiddels bekende conservatieve geloofsartikelen: de instituties zijn overgenomen door progressieven; de elites ondermijnen de samenleving van binnenuit; werkelijke verandering bereik je niet door praktische politiek maar door een veelomvattende ideeënstrijd; de erfenis van 1968 moet ongedaan gemaakt worden, bovenal in het onderwijs. Wel is het nederconservatisme inmiddels verder geradicaliseerd, waarbij het soms moeilijk is om serieuze politieke inbreng te onderscheiden van pesterige provocatie. De dominante ‘liberaal-progressieve elite’ is door Baudet en Cliteur inmiddels ingeruild voor een cultuurmarxistische samenzwering, waartoe zelfs de Europese Unie te herleiden zou zijn. Het negatieve ijkpunt van ’68 wordt naar believen afgewisseld met verwijzingen naar de Franse Revolutie en de dekolonisering.

De eerdere conservatieve revolte slaagde er niet in om een partijpolitiek thuishonk voor conservatieven te creëren. Als directeur van de Edmund Burke Stichting ging het Bart Jan Spruyt toentertijd niet snel genoeg. Hij ontpopte zich in 2004 tot adviseur en ideoloog van Geert Wilders in de hoop dat de pvv zou kunnen uitgroeien tot een brede conservatieve partij. Toen Wilders in 2006 voor een populistischere koers koos en het bredere conservatieve programma liet varen, verliet Spruyt teleurgesteld de partij. ‘Het conservatieve moment is voorbij’, kopte de NRC.

De electorale doorbraak van Forum voor Democratie betekent een tweede leven voor de conservatieve revolte tegen de instituties. Tekenend was het debat afgelopen week met Thierry Baudet en Bart Jan Spruyt in een kerk in Gouda. Daar bleek dat Thierry Baudet in een oud informeel berichtje Bart Jan Spruyt eens Johannes had genoemd. ‘Het duurde even voor ik begreep wat jij bedoelde’, zei Spruyt voor het verzamelde publiek. ‘Maar toen viel het kwartje. Ik was, zoals ooit Johannes de Doper, in jouw ogen de wegbereider. En jij een soort van Messias.’


Merijn Oudenampsen is socioloog en politicoloog en verbonden aan de UvA. Voor zijn promotieonderzoek bij de Universiteit van Tilburg bracht hij het gedachtegoed achter de Fortuyn-revolte in kaart. In het najaar van 2018 verscheen De conservatieve revolte (Vantilt), de Nederlandse handelseditie van zijn proefschrift