Het jongste klimaatrapport is deprimerend en tegelijkertijd toch ook hoopgevend. Het IPCC noteert: ‘(…) in scenario’s met lage of zeer lage uitstoot van broeikasgassen zien we binnen twintig jaar verandering in oppervlaktetemperaturen’. We kunnen nu handelen, op zo’n manier dat binnen decennia verbetering optreedt.

De grote vraag: wie is ‘we’? Wie moet er nu meteen handelen? Hier wreekt zich onze decennialange verslaving aan het marktdenken, waarin alles gereduceerd werd tot de vraag van consumenten en het aanbod van bedrijven. Binnen die matrix moeten alle oplossingen gevonden worden, lijkt het nog steeds.

De mythe van de consumentensoevereiniteit is verleidelijk. Je kunt er mooie verhalen bij vertellen over het goede kiezen en zelf het verschil maken. Moeten we vooral doen natuurlijk, maar het is geen ‘scenario waarin lage of zeer lage uitstoot van broeikasgassen’ gaat lukken. De vrijwillige keuzes van honderden miljoenen consumenten die door bewustwording de goede kant op gemasseerd worden, gaan ons geen snelle, massale verandering opleveren. Vlees eten, massa-vliegtoerisme en ander destructief consumentisme zijn nog steeds lekker en betaalbaar, dus het gebeurt (vrijwel) onverminderd. Punt.

Bedrijven dan? Ik las vrijdag een interview met Ahold-topman Frans Muller. Mij trof de gelijkenis met Rutte’s reactie op de watersnoodrampen in juli: ‘ik hou er niet van op zo’n moment als dit sweeping statements te maken’, zei Rutte toen. Ik dacht: wanneer dan wel? Gevraagd of Ahold niet meer moet doen, antwoordde Frans Muller: ‘Ik geloof niet in een shockeffect.’ Ik wel. Het IPCC-rapport is schokkend, nu wil ik heel graag effect zien. Maar Muller lijkt vooral tegen te hangen.

‘We doen echt ons best. Maar klanten zijn gewoontedieren’

Ahold wil uitstoot in de eigen keten met slechts vijftien procent verminderen. Moet een bedrijf dat zegt voorop te lopen niet wat ambitieuzer zijn? Muller: ‘Nou, de vraag is of dit niet al ambitieus is.’ Hij voegt er vaderlijk aan toe: ‘Jullie zijn misschien nog niet tevreden met die vijftien procent.’ (‘Jullie’? Zelf is hij dus wel tevreden?) ‘Dat is ook goed, dat we activisten hebben die zeggen: dit is niet genoeg.’ Waarop de geweldige tegenvraag van de interviewers: ‘U vindt dit activistisch?’ Ligt de keuze voor seizoensvoedsel op tafel bij Ahold? ‘Natuurlijk ligt dat op tafel. Maar het is niet zo eenduidig…’ Gaat hij producten op CO2-uitstoot beoordelen? ‘We willen het vooral met klanten over dit soort dingen hebben.’ En als klapper: ‘Ik denk echt dat we ons best doen om dingen te duwen en te revolutioneren. Maar klanten zijn gewoontedieren.’

Revolutioneren. Dat is helemaal geen woord in mijn Dikke van Dale. Een revolutie is een ommekeer, een gebeurtenis. Door er een werkwoord van te knutselen, maakt Muller er iets van dat door overlegtafels opgepakt wordt en meegenomen in besluitvorming met inspraak, om dan neergelegd te worden bij desbetreffende gremia en op andere stroperige plekken. En gewoontedieren? Alsof massaconsumptie in de genen zit. Een natuurlijk gegeven, niet iets dat decennialang zorgvuldig door marketeers gecreëerd is.

Jullie, revolutioneren, gewoontedieren. Het zijn de slips of the tongue die tonen waar Ahold echt mee bezig is: evolutioneren. Kleine aanpassingen onder zware omgevingsdruk. Vooral geen leiderschap tonen, want wie weet wat de aandeelhouders ervan vinden. Die zijn immers belangrijker dan het klimaat. Zeker niet de nek uitsteken. Er mocht eens een hakblok onder geschoven worden. Iemand schreef me onlangs: een schildpad die vooruit wil, steekt eerst de nek uit. Niet om afgehakt te worden, maar om de rest in beweging te krijgen.

Muller illustreert ongewild dat binnen de logica van de markt alleen gestuurd kan worden op financiële uitkomsten. Moeten er fysieke doelen zoals CO2-reductie gehaald worden, dan heb je een ander ordeningsmechanisme nodig. Meestal is daar een ramp voor nodig. Na Pearl Harbour in december 1941 werd Amerika direct een centraal geplande productiemachine. Na de Watersnoodramp in februari 1953 waren al in mei de Deltawerken begonnen. Top-down, zonder aanbestedingsprocedures en laagste bieders. Het ging in 1941 en 1953 niet om efficiëntie en optimalisatie, maar om effectiviteit – hier, nu, snel, genoeg.

Ook nu, in 2021, moet er fysiek geleverd worden. Daarbij mogen gewoontedieren, winstcijfers en aandeelhouders niet in de weg lopen. Overheid, kom met sweeping statements en schok-effecten. Niet blijven revolutioneren. We willen nú in dat goede scenario stappen.