Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

‘Rhodes Must Fall’

Cecil Rhodes, de diamantmagnaat en zogenaamde ‘architect van apartheid’, delft het onderspit. Al eerder in Kaapstad. Nu ook in Oxford, waar een beeld van de negentiende-eeuwse Britse imperialist de façade van het gebouw siert waar ik als negentienjarige student filosofie en theologie mijn kamer had.

Onder het waakzaam oog van Rhodes beleefde ik in Oxford drie fantastische jaren. Mijn bewustzijn van zijn genereuze nalatenschap voor Oriel College (zijn, en mijn alma mater) ging gepaard met vrijwel algehele onwetendheid over zijn kwalijke erfenis in Afrika. Inmiddels zorgt zijn beeltenis voor controverse: een groep studenten eist de verwijdering van het beeld, dat volgens hen onverenigbaar is met de inzet van de universiteit om een inclusieve leeromgeving te bevorderen.

Zij volgen daarin de ‘Rhodes Must Fall’-beweging die vorig jaar in Zuid-Afrika van start ging. De student politicologie Chumani Maxwele gooide in maart een emmer met menselijke uitwerpselen over het bronzen beeld van Cecil Rhodes op de campus van de Universiteit van Kaapstad. De prominente plaatsing van het beeld weerspiegelde het dubbele karakter van Rhodes’ erfgoed in Zuid-Afrika: in zijn testament legde de ex-premier van de Kaapkolonie de basis voor de Rhodes Scholarship, ’s werelds eerste internationale studiebeurs, maar beschreef de Britten ook als het best mogelijke ras ter wereld. Als fervent imperialist droomde Rhodes van een Brits rijk dat zou strekken van de Kaap tot aan Caïro. Immers: ‘The more of the world we inhabit, the better.’

Met zijn ‘poep-protest’, zoals de actie inmiddels bekendstaat, raakte Maxwele een gevoelige snaar: drie dagen later kwamen meer dan duizend studenten bijeen. Een vijf weken durend protest eindigde met de verwijdering van het beeld. Maar het hek was van de dam: in de maanden die volgden schoten studentenprotesten in het hele land als paddenstoelen uit de grond, en verscheidene universiteiten zagen zich genoodzaakt de deuren tijdelijk te sluiten.

De studentenprotesten doorbraken de schone schijn van de zogenaamde ‘born-free’-generatie en legden de rot in de Zuid-Afrikaanse maatschappij bloot, waar de apartheid van het verleden nog altijd vorm geeft aan het heden. Maar het gevoel van onbehagen van studenten van kleur, en het systematische racisme dat het universiteitssysteem tekent, gelden niet alleen voor de Universiteit van Kaapstad.

In december kregen wij, als alumni (of Orielenses, zoals we officieel heten), een e-mail van Provoost Moira Wallace waarin zij de eisen van de ‘Rhodes Must Fall in Oxford’-beweging erkende, en mededeelde dat het college een jaarlange consultatieperiode ingaat wat betreft de toekomst van het beeld. De gemoederen laaien op: mijn Facebook-nieuwsoverzicht overstroomt met gepassioneerde betogen van oud-studiegenoten: ‘Whether good or bad, honourable or dishonourable, once you are Orielense, you are always an Orielense.’ Een ander heeft het over ‘the erasure of the past’ en betreurt de diepe hypocrisie die het verwijderen van het beeld zou tekenen als het naar Rhodes vernoemde, en door hem gefinancierde, gebouw zou blijven staan. Ook de nationale kranten mengen zich in de discussie. The Guardian vraagt: ‘Should the actions of a nineteenth century man be measured by contemporary standards?’

Educatief benefactor of racist? De vraag of we het doen en laten van Cecil Rhodes kunnen, of zouden moeten, bestempelen als goed of fout, al dan niet in elk geval conform de mores van zijn tijd, gaat voorbij aan het gegeven dat zijn beeltenis Oxonians vandaag de dag kwetst, en hun gevoel van toebehoren in de weg staat. In de reacties die mij ter ore komen, komt dit gegeven echter zelden ter sprake, of wordt gebagatelliseerd. Oud-studiegenoten, hoogleraren en nationale media doen de eis van de studenten af als zelfzuchtig, hypocriet of aanstellerij. Het snijdende karakter van deze uitspraken overrompelt me enigszins, al zijn de emoties die erachter liggen me niet vreemd.

In mijn eerste jaar in Oxford was ik tijdens een sinterklaasviering van Nederlandse studenten geschminkt als Zwarte Piet. Een studiegenoot die mij aan het eind van het heerlijk avondje Oriel College binnen zag lopen vond mijn verschijning aanstootgevend, en noemde me een racist. Verontwaardigd eiste ik een excuus. Hoe kon hij, zonder enige weet van Nederlandse tradities, zijn oordeel over mij klaar hebben? Jaren later, en in het licht van het pietendebat in Nederland, maakt mijn verontwaardiging plaats voor begrip, en inzicht in de instinctieve aard van mijn reactie. Als progressieve Nederlander was ik gekrenkt in mijn zelfbeeld. Ik trok een defensieve muur op, kaatste zijn beschuldiging terug, en sloot daarmee elke mogelijkheid tot wederzijds begrip uit.

Eenzelfde dynamiek kenmerkt de gemoederen in Oxford vandaag. Het intellectuele neusje van de zalm voelt zich onjuist gerepresenteerd, en drijft in een panische en impulsieve reactie de discussie weg van de erbarmelijke staat van dienst van de universiteit op het gebied van etnische inclusie en diversiteit: bijna zestig procent van de studenten uit minderheidsgroepen voelt zich in Oxford namelijk onwelkom, volgens een studie van de universiteitskrant. In plaats daarvan lamenteert ditzelfde neusje bombastisch de gevaren die loeren achter het zogenaamd wissen van geschiedenis. Deze verontwaardigde reactie moet plaatsmaken voor bewustwording van een betreurenswaardige status-quo, en heroverweging van de eis, niet als een aanval, maar als een uitnodiging tot dialoog.

Het argument dat de geschiedenis zou worden gewist met het verwijderen van het beeld is overigens overtrokken. Het verleden is altijd slechts selectief aanwezig in het heden. Gebeurtenissen worden bejubeld, bekritiseerd, genegeerd of gewoonweg vergeten. Een monument wordt ontworpen, geplaatst, en weer afgebroken, of eindigt achter glas in een museum. Hoe wij het verleden benoemen, welke gebeurtenissen we uitlichten, wie wij op een voetstuk plaatsen, en wie wij daarvan neerhalen, verschilt van generatie tot generatie, en zegt daarom niet zozeer iets over het verleden, of het morele karakter van de persoon in kwestie, als wel over wie wij als maatschappij willen zijn, en waar we naartoe willen. Monumenten gedenken niet alleen, maar zijn de publieke markers van onze visie voor de toekomst. Het betwisten, of mogelijk zelfs verwijderen, van het beeld Rhodes – hier wordt de geschiedenis niet gewist, hier wordt geschiedenis geschreven.


Beeld: De verwijdering van het beeld van Cecile John Rhodes aan de Universiteit van Kaapstad. Foto: Tony Carr -http://bit.ly/1Ooq7cG