Riaggnose

De Riaggs bestaan nu vijftien jaar. Evenals het eindeloze geklaag over hun eerste hulp bij zielepijn. Niet alleen de cliënten, ook de medewerkers worden hoorndol van de bureaucratie. ‘Werken bij de Riagg is als zand in je badpak. Het kriebelt en irriteert, overal en de hele tijd.’
JOHAN (49) WERD vorig jaar opeens overvallen door een zware depressie. Zijn huisarts aarzelde geen moment om een verwijsbriefje te geven, waarop hij zo spoedig mogelijk aanklopte bij de Riagg in zijn woonplaats Rotterdam. ‘Ik kreeg een uitgebreid intake-gesprek’, vertelt Johan, die in het echt anders heet. ‘Dat was heel formalistisch; het ging meer over mijn geboortedatum en mijn werk dan over mijn gemoedstoestand.’

Hij dacht dat zijn behandeling daarmee was begonnen, maar na afloop hoorde hij dat pas over zes weken het besluit daarover zou vallen. Een paar dagen later lag Johan op de intensive care vanwege een zelfmoordpoging. ‘Geen enkele betrokkenheid’, zegt hij terugblikkend op zijn ervaring bij de Riagg. Hij ging niet meer terug.
Maar liefst de helft van de cliënten haakt na een of enkele contacten met een Riagg af. 'De belangrijkste klacht van cliënten die met de Riagg te maken krijgen, is dat ze te veel moeite moeten doen hun vraag beantwoord te krijgen’, schrijven de onderzoekers Vink en Van Haaster in een vorig jaar verschenen rapport. En ze citeren een cliënte: 'Je moet gillen of schreeuwen of jezelf eerst afmaken voor er wat gebeurt.’
DE REGIONALE Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg is niet meer weg te denken uit Nederland. Zelfs in Madurodam staat een Riaggje. Daarnaast telt ons land er nog zestig, met in totaal 8500 medewerkers. Aan hen de niet geringe taak om de toestromende hulpzoekenden op te vangen en van hun zielepijn af te helpen. Het aantal aanmeldingen is sinds de oprichting in 1982 verdubbeld, zodat nu 500.000 Nederlanders bij een Riagg lopen. En over tien jaar, zo luidt een voorspelling, is geluk nog ongewoner geworden, want dan zal het aantal aanmeldingen met nog eens 40 procent zijn toegenomen.
Is Nederland gek geworden? Nu het beroep op de geestelijke gezondheidszorg zo blijft toenemen, klinkt deze vraag steeds vaker. Paradoxaal genoeg is de oprichting van de zo 'laagdrempelige’ Riaggs juist een van de oorzaken van die schrikbarende toename. Therapie is gedemocratiseerd, wat overigens niet wil zeggen dat het ook werkt.
Het leek zo'n goed idee, begin jaren tachtig. Een (gedwongen) fusie tussen vier geestelijke-zorginstanties, waarbij de sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen, de maatschappelijk werkenden, de psychologen en psychiaters nauw zouden samenwerken in 'interdisciplinair overleg’ en op democratische wijze besluiten zouden nemen. Met zoveel disciplines onder één dak zou de Riagg voor elk wat wils te bieden hebben.
VIJFTIEN JAAR bestaan de Riaggs nu en ze liggen al even lang onder vuur. Van begin af aan klonk de kritiek dat al die nobele doelen niet waar werden gemaakt. 'Riaggje pesten was een poosje erg in’, zegt Henk Verburg, woordvoerder van de NVAGG (Nederlandse Vereniging voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, de koepelorganisatie van de Riaggs). Maar nu is het allemaal anders, zegt hij. De Riagg staat met beide benen in de maatschappij, dichtbij degenen met psychisch leed. En zo gemakkelijk is dat niet, met al die werkdruk en wachtlijsten.
Maar de kritiek verstomt niet, integendeel. Stichting Pandora, de belangenorganisatie van cliënten in de geestelijke gezondheidszorg, kraakte in 1995 harde noten in het rapport Maatwerk? Eind 1996 brachten Vink en Van Haaster hun kritische verslag uit van een enquête onder cliënten van de Amsterdamse geestelijke gezondheidszorg. En vorige maand verscheen Niet storen: Een kritische beschouwing over de Riagg in woord en beeld van Saar Roelofs. Met haar boek wil zij een aanzet geven tot een 'broodnodige metamorfose in de geestelijke gezondheidszorg’. Roelofs - die jarenlang bij de Riagg Amsterdam Zuid-Oost werkte als psycholoog en afdelingshoofd - hekelt de bureaucratie: 'Dagelijks worden er stapels formulieren ingevuld, beleidsnota’s, concepten, pro-memories en prioriteitenlijsten opgesteld, verslagen en aantekeningen gemaakt en agenda’s samengesteld. Van iedere vergadering worden notulen gemaakt. En de Riagg-werknemer is verplicht om per tijdseenheid, soms zelfs per tien minuten, te registreren wat hij die dag gedaan heeft.’ Waar was de patiënt ook alweer gebleven? vroeg Roelofs zich te midden van de bergen papier vertwijfeld af. Ze verzette zich, werd ontslagen en hangt nu in haar boek uitvoerig de vuile was buiten.
De therapeuten vergaderen veel, hebben weinig belangstelling en aandacht voor de cliënt, en nog minder voor reflectie op hun werk. Ze hebben het ook veel te druk met elkaar vliegen afvangen. Roelofs citeert meedogenloos uit een intern rapport van een van de vele organisatieadviseurs, die de werksfeer binnen haar Riagg als volgt typeert: 'De dominante cultuur is er een van volstrekte individualisering, verregaande onaanspreekbaarheid op gedrag en kwaliteit, verbittering naar elkaar en naar het management, en ongeloof in enige mogelijkheid tot verbetering.’
Roelofs is al even kritisch over wat er gebeurt achter al die bordjes 'Niet storen’ op de dichte deuren van de therapeuten. De kwaliteit van de hulpverlening dus. Cliënten die daarover klagen, observeerde zij, krijgen als reactie van hun therapeut: 'Ja, maar dat begrijp ik heel goed. Dat is een deel van uw probleem.’
'Een erg emotionele benadering’, noemt Roelofs’ voormalig directeur Adèle Stuijfzand het boek, gevraagd naar een reactie. 'Voor cliënten is het al nooit prettig om naar een Riagg te moeten. En wanneer er dan ook nog zulke boeken verschijnen waarin allerlei zaken en anekdoten door elkaar worden gehaald, vind ik dat geen constructieve bijdrage aan een betere hulpverlening.’ En Verburg van de NVAGG meent dat het boek voortkomt uit 'rancune van iemand die ontslagen is’. Het is 'ongenuanceerd negatief’ en 'niet representatief’ voor de Riaggs in Nederland’.
Een rondgang door Riagg-land leert dat dat laatste toch wat anders ligt.
'ER IS VEEL op dat boek af te dingen’, zegt Ad Kaasenbrood. Hij is hoofd crisisdienst bij de Riagg Oost en Zuid-Oost in de hoofdstad, en wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam. 'Het is erg impressionistisch en Roelofs maakt slordig gebruik van allerlei bronnen. Daardoor is het vooral een statement. Maar de thema’s die zij aansnijdt herken ik wel, vooral de Riagg als een bureaucratische organisatie. Ik ga er binnenkort weg na vijf jaar, en een van de redenen is dat ik me teveel belast voel door alle formulieren die ik moet invullen en de onheldere besluitvormingsstructuren waarmee ik te maken heb.
Werken in een Riagg is voor mij als zand in je badpak. Het kriebelt, het irriteert, en wel de hele dag en op alle plaatsen. En dat maakt dat de motivatie laag is. Ik heb hiervóór op een psychiatrische polikliniek in een ziekenhuis gewerkt, en daar kon ik makkelijk twaalf patiënten op een ochtend behandelen. Bij de Riagg ben ik er in al die tijd één keer in geslaagd om vijftien patiënten op een hele dag te zien. De produktie ligt veel lager. Er is niets dat echt loopt. Als je een bandrecorder nodig hebt om een tekst in te spreken, doet-ie het niet. Als je een strippenkaart hebt voorgeschoten, moet je daar een heel formulier voor invullen. Wanneer je iedere dag een stuk of acht van dit soort procedures hebt, loopt het werk gewoon niet.
Werken bij een Riagg heeft voor een psychiater niet echt een hoge status. Uit die beroepsgroep krijg je dus niet de mensen die nu eens een blinkende, inhoudelijke carrière bij de Riagg gaan opbouwen. De hoofden die boven het maaiveld uitkomen, moeten eraf, dat ervaar ik zelf ook. Om het diplomatiek te zeggen: ik heb er met veel plezier gewerkt, maar het is nu op voor mij. Doorgroeimogelijkheden zijn er nauwelijks. Er is ook geen intellectuele traditie binnen de Riagg. Het debat over postmodernisme, of je de hulpverlening nu per wijk moet regelen of niet, dat vindt gewoon niet plaats binnen de Riagg. En de hele discussie over dwangbehandeling in de ambulante zorg komt van het ministerie. Vanuit de Riagg wordt geen impuls gegeven om die thema’s op de agenda te krijgen. Dat vind ik schokkend.’
PSYCHOTHERAPEUT Wietse Velthuys herinnert zich hoe het allemaal is begonnen. Een paar jaar geleden nam hij ontslag bij een van de hoofdstedelijke Riaggs en vestigde hij zich als zelfstandig therapeut, na zijn collega’s en superieuren jarenlang te hebben bestookt met protesten. Onlangs nog ontving hij een interessante brief. 'Je hebt waarschijnlijk nooit spijt gehad van je vertrek uit de Riagg’, schrijft een oud-collega hem. 'Dat wat jij jaren geleden aan de kaak stelde, is nog verder doorgeroest, met als resultaat op dit moment: twee directeuren op non-actief, een interim-directeur en handenvol geld uitgegeven aan allerlei adviseurs.’
Velthuys vouwt de brief dicht en zegt: 'Mijn collega’s en ik kregen meer en meer neventaken. We moesten op papier gaan meedenken over het beleid. Op de teamvergaderingen was een aanwezigheidsplicht, maar ik weigerde te komen en ging er raillerende stukjes over schrijven omdat ze nergens over gingen. Ja, over het functioneren van de bureaucratie - er werd zelfs een commissie opgericht voor het oprichten van commissies. Wat mij nog het meest verbijsterde was dat iedereen daarin meeging.’
Ook met de cliënt, zegt Velthuys die zich nog kwaad kan maken, werd steeds bureaucratischer omgegaan. 'Die viel daardoor weleens tussen wal en schip. Er zitten wel degelijk goede therapeuten bij de Riagg, maar om hun hachje te redden blijven zij meedraaien in die bureaucratische structuur, die niet ten goede komt aan de cliënt.’
OP ALLE HERMETISCH gesloten deuren in de lange gangen van de Riagg Hilversum hangen signaalrode bordjes met 'Niet storen’. Psycholoog Ad Beenackers onderzoekt wat er àchter die deuren gebeurt door de dossiers van de hulpverleners te bestuderen - iets dat zelfs de directie niet mag. En zijn conclusies zijn niet mals. 'Het beeld dat je krijgt als je op de dossiers afgaat is: de Riagg doet niets, en voorzover de Riagg iets doet leidt het tot niets’, schreef hij twee jaar geleden in het Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid. Sindsdien nemen sommige collega’s liever de trap als ze hem op de lift zien wachten.
'De bureaucratie’, zegt Beenackers, 'vind ik nog niet zo erg. Dat is een middel, en dat tref je in iedere organisatie. Mij gaat het om de cliënt: wat wordt die geboden?’
Een belangrijke aanwijzing daarvoor is te vinden in de dossiers. Daarin valt te lezen wat er zich afspeelt tussen therapeut en cliënt. Dossiers zijn onmisbaar voor een goede hulpverlening, zeker wanneer een therapeut ziek wordt en een ander het moet overnemen. Maar de meeste van de tientallen dossiers die Beenackers bij drie verschillende Riaggs onderzocht, waren nauwelijks leesbaar of begrijpelijk. Ze bestonden uit losse vellen en kladjes en bevatten bijna nooit een behandelplan. 'Dat betekent dat de hulpverlener zich niet afvraagt: wat wil ik met die cliënt bereiken, hoe en op welke termijn? Dat vind ik niet professioneel. Want wat er dan nog overblijft is: ik doe maar wat en zie wel of het ergens toe leidt. En dat is regel; ik heb bij zes Riaggs gewerkt en globaal is dit de stijl van hulpverlenen. Als een behandeling mislukt, wordt dat niet toegegeven - dat hoeft ook niet want er zijn geen doelen gesteld - en er wordt al helemaal geen lering uit getrokken. De sector maakt geen vooruitgang.’
Slechts in een op de zeven dossiers trof hij een - meestal magere - evaluatie van de behandeling aan. 'Dan wist men bijvoorbeeld na drie jaar slechts te melden dat er “steunende contacten” waren geweest. Of dat het met de cliënt weer een beetje beter ging. Maar als iemand komt met pleinvrees, dan mag je als therapeut aan het eind van de behandeling alleen tevreden zijn met: “Geen pleinvrees meer”, of: “Minder pleinvrees”. En niet, zoals nu vaak gebeurt, met: “Cliënt is een stuk rustiger”.
Niemand binnen de Riagg bestreed de resultaten van zijn onderzoek; de directie noemde zijn bevindingen 'niet onverwacht maar toch onthutsend’. En huurde hem nog wat langer in om richtlijnen voor verbetering op te stellen. Nu, stelt Beenackers voorzichtig, ziet hij bij ongeveer de helft van de hulpverleners verbetering.
'Ik vrees dat Beenackers gelijk heeft, en dat het nog steeds zo is’, zegt Paul Anzion van Pandora, de belangenorganisatie van cliënten. 'Wij horen vaak van mensen dat ze hun dossier niet mogen inzien, maar dan denk ik: er is helemaal geen dossier. Je pleegt geen goede zorg als je niet bijhoudt wat er gebeurt, maar ik kan me wel voorstellen dat het zo gaat. De druk op de voordeur van de Riaggs is zo groot geworden dat ze wel móeten sjoemelen.’
In het rapport Maatwerk? schrijft Pandora dat mensen vaak onvoldoende informatie krijgen over het behandelplan en dat de Riagg ondoorzichtig is: 'Doel, aard en duur van de behandeling zijn vaak niet duidelijk’.
'Het grote probleem is dat je als patiënt maar moet afwachten bij wie je terecht komt’, zegt Beenackers. 'De huisarts verwijst naar een instituut. Daar krijgt de patiënt een of twee gesprekken; vervolgens wordt in het team vastgesteld wat hij of zij mankeert en welke therapie daarvoor nodig is. De patiënt kan niet meedenken over de diagnose en heeft ook niets te zeggen over wie de hulpverlener wordt en of die hem een beetje ligt.’
En daarover wordt veel geklaagd door patiënten. Terecht, vindt Jac Hoevenaars, opleider in de psychotherapie en tot vorig jaar werkzaam bij de Riagg Rotterdam. 'Therapeutgericht en niet patiëntgericht’, noemt hij die manier van werken. 'De patiënt die past in het specialisme van de hulpverlener heeft geluk. Dat verandert wel, maar je ziet het nog te vaak. Tot voor kort telde de wens van de patiënt helemaal niet; als die een bepaalde therapie wenste, werd dat geduid, dan was dat een “dominant persoon”.’
Met een vlot gestelde 'Riagnose’, schrijft Roelofs, wordt de cliënt het hulpverleningscircuit ingestuurd. En dat is in haar boek een soort doolhof met op iedere hoek weer een ander die de weg wijst naar geestelijke gezondheid. 'De route die patiënten afleggen als ze binnenkomen in een Riagg, is door Roelofs redelijk goed beschreven’, zegt Kaasenbrood. 'Als je een beetje pech hebt, kom je bij de crisisdienst binnen en zie je daar al een stuk of drie hulpverleners. Dan krijg je bij een vierde een intake-gesprek, en omdat er een behoorlijk verloop is binnen de Riagg, heb je ook nog kans dat je twee verschillende behandelaren krijgt.’ En als je dan geen goed dossier hebt, bevestigt hij, heb je een probleem.
WAT WAS OOK alweer de bedoeling? De Riagg zou geen doolhof worden, noch een van die 'totale instituties’ in de psychiatrie, maar een laagdrempelige (en gratis) hulppost. Minder mensen zouden opgenomen hoeven worden omdat de Riagg-hulpverleners als het ware bij ieder om de hoek zitten, slagvaardig en gewend aan het verlenen van eerste hulp bij zielepijn. Maar hoe ambulant ('wandelend’) is de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg?
'Uit ons onderzoek is naar voren gekomen dat mensen in crisis behoorlijk slecht af zijn in de hulpverlening’, schrijven Vink en Van Haaster. 'In het algemeen vinden de hulpverleners dat de cliënten bij hen langs moeten komen. Ze trekken er niet snel zelf op uit.’
'Je kunt van bijvoorbeeld een psychoanalyticus ook niet verwachten dat hij er opeens op uittrekt’, zegt Wouter van Ewijk. Hij is nu directeur van psychiatrisch ziekenhuis Vogelenzang; daarvoor was hij directeur van de Centrale Riaggdienst in Amsterdam. Van Ewijk was in die tijd erg ontstemd dat de - succesvolle - 'rijdende psychiater’ werd opgeheven en zonder enige overdracht werd overgenomen door Riagg-medewerkers 'die nog nooit ’s nachts hun bed uit waren geweest’. Maar het moest van de politiek, dat hoorde opeens tot hun 'hulpaanbod’.
Nog altijd is het heel moeilijk om ’s avonds of ’s nachts hulp te krijgen, aldus Vink en Van Haaster. 'De 24-uursdienst van de Riagg heeft dit niet noemenswaardig verbeterd.’ In 33 procent van de noodgevallen, zo blijkt uit hun onderzoek, is de Riagg overdag niet goed bereikbaar. En ’s nachts geldt dat voor 67 procent van de acute crises.
Maar niet alleen bij acute, ook bij chronische psychiatrische klachten kan men naar de Riagg. Een 27-jarige cliënte van de Riagg in Hilversum, die anoniem wil blijven, stond met haar borderline-persoonlijkheidsstoornis zes maanden op de wachtlijst. Na dat half jaar heeft ze drie intake-gesprekken en zeker vier hulpverleners gehad. 'De een werd ziek, de ander nam het weer over’, vertelt ze. 'Als er iemand weggaat, krijg je een vervanger, en als die weggaat, staat het op losse schroeven. En dat gebeurt niet alleen bij mij - ik werk bij een klachtenlijn en hoor dat zeer frequent.’
Een behandelplan was er niet, en toen ze om een psychiater vroeg, bleken die 'op’. 'De Riagg in Hilversum heeft een enorm tekort aan psychiaters; er worden veel sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen ingezet.’
'IN DE RIAGG’, bevestigt Van Ewijk, 'worden patiënten vaak door verpleegkundigen gezien zonder dat er een psychiater aan te pas komt. Ik heb dat altijd nogal wonderlijk gevonden. In de chirurgie zou dat ondenkbaar zijn: de verpleegster die de operatie wel even zal doen. Maar er zijn te weinig psychiaters en te veel klanten. De grote vraag gaat ten koste van de kwaliteit van de hulp.’
De enorme toeloop en de bijbehorende wachtlijsten hebben de Riaggs voor een deel aan zichzelf te wijten, vindt Van Ewijk. 'Ze profileerden zich lange tijd als instellingen die op alles een pasklaar antwoord hebben, en de politiek verwacht dat ook. Terwijl dat natuurlijk niet zo is.’
'Iedereen in Nederland’, zegt Anzion van Pandora, 'lijdt aan torenhoge verwachtingen van de geestelijke gezondheidszorg, ook de mensen die er werken. Die denken dat ze iedereen de helpende hand kunnen bieden. Dat is natuurlijk flauwekul, het is een vak dat nog in de kinderschoenen staat en therapeuten zijn geen tovenaars. Maar dat zullen ze zelf nooit hardop zeggen. Ze zouden gewoon moeten toegeven dat je de meeste dingen niet kunt oplossen. Dus: wij weten het ook niet, en als er een crisis is dan hebben we maar twee noodgrepen: platspuiten of meenemen.’
'Inderdaad’, zegt Hoevenaars, 'wij weten het heel vaak niet, maar dat is niet bespreekbaar. Therapeuten menen dat hun vak gebaseerd is op feiten in plaats van op theorieën. Mij valt op dat in bijna alle behandelverslagen wordt beweerd dat de behandeling “gelukt” is. Maar er zijn geen gouden bergen aan het einde van een therapie.’
In Rotterdam waren kort geleden nog grote billboards te zien met daarop een stadsplattegrond en een grote pijl naar de plaatselijke Riagg. Voor een ieder die 'de weg kwijt’ was… Wie iedereen een persoonlijke weg naar geestelijk welzijn wil wijzen, moet echter heel wat expertise in huis hebben. Maar de meeste hulpverleners zitten vast aan hun eigen vak en specialisme - gedragstherapie bijvoorbeeld, of juist psychoanalyse - en kunnen maar een of twee soorten klachten verhelpen. Depressies bijvoorbeeld, of fobieën. Juist om alle verschillende hulpvragen te kunnen beantwoorden, moest de Riagg 'interdisciplinair’ zijn. Wist de een het niet, dan kon de cliënt een deur verderop door de ander geholpen worden. Dat vergde van het begin af aan veel overleg tussen hulpverleners die een zelfstandige beroepsuitoefening waren gewend. Het is dan ook niet gelukt, zegt Ad Kaasenbrood.
Hij ziet op zijn werk vele mensen rondlopen die allemaal hoofd zijn van hun eigen kleine koninkrijkje. 'De Riagg heeft het hooguit tot een multidisciplinaire organisatie gebracht. De gedachte dat je over ernstig zieke patiënten indringend van gedachten wisselt en vanuit verschillende disciplines bedenkt hoe een behandeling eruit zou moeten zien: het is er niet van gekomen.’
Wouter van Ewijk vergelijkt de Riagg met het CDA, vanwege de nog altijd overduidelijk verschillende bloedgroepen. 'Totaal verschillende loten aan een stam die nooit een eenheid zullen vormen’, zegt hij. Kaasenbrood: 'Ja, er zitten allerlei soorten hulpverleners met verschillende overtuigingen bij elkaar, die nog moeten communiceren ook. En als je nu maar een soort Lubbers hebt, dan werkt dat nog wel. Maar dat is niet het geval. Het probleem van de diversiteit is nog steeds niet opgelost.’
'DE INSPECTIE’, analyseert Beenackers, 'moet toezien op de kwaliteit van de gezondheidszorg maar laat die taak versloffen. Hoe kan het anders dat hier zulke slechte dossiers in de kast hangen? Dan is er de cliënt: die ziet nooit een rekening voor zijn bezoek aan de Riagg en blijft gewoon weg als hij niet krijgt wat-ie wil in plaats van terug te komen om een beter produkt te eisen. En de directie heeft nauwelijks invloed doordat de hulpverlener zo autonoom is. Die bepaalt zelf wat hij doet.’
'De boel moet opengegooid’, zegt Hoevenaars. 'Dat geheimzinnige gedoe in die kamertjes achter al die gesloten deuren - niemand weet wat daar nu eigenlijk gebeurt. Ik pleit ervoor om videocamera’s op te hangen, en daarna met elkaar te discussiëren. Maar therapeuten zijn daar veel te bang voor.’
In Riagg-land is men niet dol op discussies over de eigen professie. Zoals het boek van Saar Roelofs volgens de koepelorganisatie NVAGG 'niet representatief’ en 'ongenuanceerd negatief’ is, zo werd Pandora verweten in het rapport Maatwerk? een 'te algemeen beeld te schetsen’ en werd Ad Beenackers beschuldigd van een 'kromme redenering en gebrek aan kennis’ op basis waarvan hij probeerde 'de hele Riagg-sector onderuit te halen’.
Kaasenbrood: 'Afdekken is de stijl van de NVAGG. Dat is heel jammer, want sociale psychiatrie is een van de mooiste produkten die we in Nederland hebben, toegankelijk voor alle lagen van de bevolking. Daarover moet je de discussie aangaan. Maar de Riagg is een gesloten instituut dat weinig doet met kritiek. Uiteindelijk werkt dat in hun nadeel.’
De cultuur binnen de Riagg ervaren de hulpverleners als 'weinig veranderings- en vernieuwingsgezind’, bleek een paar weken geleden nog uit een onderzoek dat de NVAGG zelve liet uitvoeren. Maar in politiek Den Haag wordt des te harder nagedacht over een herstructurering van de hele geestelijke gezondheidszorg: minister Borst komt volgende maand met een notitie.
De Riaggs zouden hun langste tijd weleens gehad kunnen hebben, ook al omdat ze gewoon uit hun voegen barsten. Van Ewijk vindt dat de Riaggs in deze vorm beter opgeheven kunnen worden. 'De functie van luis in de pels die de Riagg begin jaren tachtig vervulde, is niet meer nodig. En iedereen is ervan overtuigd dat er niet zoveel schotten in de hulpverlening moeten zijn.’ Ze kunnen beter samenwerken met de psychiatrische instellingen, vindt hij, en Vogelenzang en de Riagg Amstelveen geven hieraan op het ogenblik gevolg door te fuseren.
Kaasenbrood: 'De Riagg Zuid-Oost schuift tegen het Academisch Medisch Centrum aan, nu de minister wil dat er intensiever wordt samengewerkt. De organisatie met de meest heldere structuur en de grootste slagvaardigheid gaat in zo'n geval bepalen wat er gebeurt. En ik denk niet dat dat de Riagg zal zijn.’
Hulpgoederen
Wij zijn met z'n allen ontzaglijk principieel. Als wij als democratie vinden dat ergens de mensenrechten niet behoorlijk worden nageleefd, breken we met zo'n land. Martelen? Breken. Geen eerlijke processen of helemaal geen rechtsgang maar wel in de gevangenis? Breken. Als pogingen om een beetje democratie te krijgen neergeslagen worden? Breken.
Sterker nog: meer Europese landen hebben ongeveer dezelfde instelling en ook de Verenigde Staten mogen nog wel eens laten merken dat ze voorstander zijn van een beperkte hoeveelheid rechten van de mens.
De maatregelen die genomen worden door de zogenaamd democratische landen, zijn dikwijls van economische aard, een boycot bijvoorbeeld van im- of export. Ook nemen we soms een handjevol mensen op die zich tegen de machthebbers in hun eigen land gekeerd hebben, omdat ze anders vermoord dreigen te worden.
We zijn keurig en volgens een heleboel mensen hebben we daarom schone handen.
Al die gewone criteria vallen weg bij een ramp. Geef onmiddellijk hulpgoederen, geld, dekens zijn we goed in, voedsel en oude vieze kleren. Dat de mensen die die zaken ontvangen vaak ook in hun gewone dagelijkse leven behoefte hebben aan dezelfde goederen ook al is er geen aardbeving, doet niks terzake. Een ramp is een ramp en geen ramp is politiek.
Mensen die gewond zijn geraakt door puin zijn zielig en krijgen hulp. Mensen die kapotgeslagen of kapotgeschoten of kapotgebombardeerd zijn, eigen schuld dikke bult.