Richard Neville, 16 December 1941 – 4 September 2016

Plezier boven werk, dat was het ethos van de tegenbeweging van de jaren zestig. Als vertegenwoordiger van de underground press ondervond Richard Neville dat niet iedereen die overtuiging deelde.

Omdat machines steeds handiger worden, zal de mens worden ontslagen van de verplichting dag in, dag uit te werken. Met de industriële revolutie op stoom werd die voorspelling gedaan door onder anderen Oscar Wilde, die vond dat de tere mens niet was gemaakt voor fysieke arbeid, en de Franse intellectueel Paul Lafargue die in 1883 een pamflet schreef met als titel Het recht om lui te zijn. Een kleine vijftig jaar later – de mensen werkten zich nog steeds een slag in de rondte – voorspelde econoom John Maynard Keynes in The Economic Possibilities for Our Grandchildren een vrijetijdsutopie. Weer een halve eeuw verder, terwijl de burgerlijke samenleving keurig van negen tot vijf op kantoor zat, was het aan de hippies om te verkondigen dat niet werk maar ontspanning de belangrijkste dagbesteding van de mens moet zijn.

Prominent vertegenwoordiger van dat alternatieve ideaal was schrijver en journalist Richard Neville, die op 4 september overleed in Australië waar hij zich had teruggetrokken in een afgelegen berggebied. In de jaren zestig en zeventig was Neville kopstuk van de underground press, de verzamelnaam voor krantjes die de aanval openenden op de autoriteiten, de burgermoraal en de goede zeden. In 1970 schreef hij het boek Play Power, dat een manifest van de tegenbeweging werd. Neville speelde leentjebuur bij Johan Huizinga’s Homo ludens en betoogde dat pret maken, de zaken niet te serieus nemen en doelloos aanklooien politieke instrumenten zijn om een materialistische, op bezit en status gerichte samenleving te ontwrichten. Als machines het werk doen, kan de mens eindelijk toegeven aan zijn speelse natuur, hoopte Neville.

Neville bracht zijn overtuigingen vooral als bladenmaker in de praktijk. In 1963 begon hij het satirische tijdschrift OZ, een titel die verwees naar zowel het geboorteland van de oprichter als naar de sprookjeswereld waarin een jong meisje en haar hond, vergezeld door een vogelverschrikker, een blikken man en een angstige leeuw de yellow brick road af lopen. OZ was niet minder surreëel: een bonte mix van psychedelische tekeningen, absurde collages en fotografie. Soms met Neville zelf als onderwerp, zoals in 1964 toen hij een foto liet afdrukken waarop te zien was hoe hij samen met collega-redacteuren urineerde in een nieuwe fontein die het icoon moest worden van het moderne Sydney. De rechter legde hem openbare obsceniteiten ten laste.

Van Australië, dat zich benauwend toonde, week Neville uit naar swinging Londen, het kloppend hart van de sixties. De Engelse hippie-scene kende Neville’s tijdschrift en was verheugd dat de ‘Wizard of Oz’ nu de Britse burger de stuipen op het lijf kwam jagen. Dat gebeurde vooral toen OZ nummer 28 verscheen, in mei 1970. Neville en zijn redactie vonden dat ze zelf niet jong genoeg meer waren en nodigden scholieren uit om een nummer in elkaar te zetten. Het School Kids Issue bevatte de gebruikelijke mix van psychedelica, anti-autoritaire manifesten en scabreuze afbeeldingen. In combinatie met minderjarigen was dit explosief. Vooral de collage waarop Bruintje Beer, icoon van de brave Britse jeugdliteratuur, werd voorzien van een enorme penis bleek een steen des aanstoots.

Bruintje Beer met een enorme penis gaf aanstoot

De Britten hadden stevige wetten die de ‘publieke moraal’ moesten beschermen tegen ‘obscene publicaties’. Zo was onder meer Lawrence’s Lady Chatterley’s Lover tot 1960 verboden lectuur. Ook OZ werd door de openbaar aanklager als affront van de zedelijkheid bestempeld. Al was van meet af aan duidelijk dat de autoriteiten op de verkeerde joegen. Onder de toonbank en in donkere winkeltjes was lectuur te krijgen die vele malen vunziger was. Later bleek dat de porno-industrie de politie bakken smeergeld betaalde om met rust gelaten te worden. Maar Neville en zijn kompanen waren arme hippies en moesten dus voor de rechter verschijnen.

Op het moment dat de OZ-redactie in het beklaagdenbankje zat, bevond het blad zich op een hoogtepunt. De oplage was gestegen tot tachtigduizend en het blad had goede auteurs aan zich weten te binden. Germaine Greer begon haar carrière bij OZ met artikelen over de verkalkte seksuele mores van de Engelsen en de noodzaak van mode die de vrouwelijke boezem accentueert. Het blad drukte een artikel af waarin de universiteit van Oxford als een saai, seksloos oord werd afgeschilderd, geschreven door John Gray, thans bekend van felle kritiek op het vooruitgangsdenken.

De OZ-rechtszaak groeide uit tot een van de iconische juridische conflicten uit de Britse geschiedenis. Tijdens de zittingen werd er buiten de rechtszaal gedemonstreerd door boze vaders en moeders die vonden dat het langharig tuig een lesje moest krijgen. Neville zelf zag een unieke kans om de macht van het spel te laten gelden. De OZ-redactie verscheen gekleed in schooluniform in de rechtszaal, hun medestanders organiseerden ludieke manifestaties om aandacht te vestigen op de gevangenisstraf die een drietal jongemannen die een blaadje maakten boven het hoofd hing. Op die manier vocht Groot-Brittannië een cultuurstrijd uit die ging tussen de vrije moraal van de jaren zestig en de behoudzucht van daarvoor.

OZ werd in hoger beroep vrijgesproken, na maanden media-aandacht voor de zaak. Het was een victorie, en tevens het moment waarop het vuur van de tegenbeweging langzaam begon uit te doven. OZ had zijn emanciperende taak volbracht. Het had een platform geboden om het over seks, drugs en autoriteit te hebben. In 1973 zou het laatste exemplaar van de drukpers rollen. ‘Richard Neville Slams British Justice’ kopte de Evening Standard bij de vrijspraak. ‘Ik liep naar buiten als een vrij man’, schrijft Neville in zijn latere autobiografie Hippie Hippie Shake. ‘Over drie weken zou ik mijn dertigste verjaardag vieren, het einde van mijn jeugd. Misschien werd het tijd om te gaan settelen.’