Rick van der ploeg

IN DE POLITIEK zou het niks worden met deze wetenschapper. Veel te eigenzinnig en onaangepast. Al op z'n negenentwintigste was hij hoogleraar in Tilburg. Daarvoor studeerde hij wis- en natuurkunde en economie aan de prestigieuze universiteit van Cambridge. Op verzoek van Felix Rottenberg stapte hij in 1994 niettemin met een half been in de Tweede Kamer. Parttime, voor drie dagen in de week. De andere twee dagen bleef hij werkzaam als hoogleraar aan de Economische Faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Maar zoals dat gaat: uiteindelijk bleef er maar één dag over voor het schrijven en doceren van macro-economische beschouwingen.

Met ingang van het komende collegejaar zal Rick van der Ploeg helemaal van het wetenschappelijk toneel verdwenen zijn. De getalenteerde econoom is tot ieders verrassing benoemd tot staatssecretaris van Cultuur in het tweede kabinet-Kok.
In Telgen van Tinbergen (1996), een bundel interviews met vooraanstaande Nederlandse economen, meldde Van der Ploeg nog na vier jaar kamerlidmaatschap terug naar z'n wetenschappelijke carrière te willen. Het liep anders voor de ‘economist op de wip’, die graag wetenschap én politiek zou willen combineren. De balans sloeg door ten faveure van een carrière in de politiek - en na een staatssecretarisschap is er geen retour meer, meent een van de Telgen-auteurs, Arjo Klamer, collega-hoogleraar van Van der Ploeg in Rotterdam. 'Terug naar de wereld van de wetenschap kan hij straks niet meer. Hij zakt nu al in de ranglijsten van economen.’
Van der Ploeg zit er kennelijk niet mee: 'Ben je dertig dan denk je: ik ga Nederland veranderen. Maar het blijft een feit dat wetenschap steeds een kwestie is van teleurstellingen verwerken. Het kan altijd beter.’
HIJ STAAT BEKEND als een kwajongen met kostschoolhumor. 'Niets is geiniger dan moppen over billen’, bekende hij eens tegenover de Volkskrant, zijn tijd in Cambridge memorerend. 'Een charmante zwabberkont’ is hij ook wel genoemd. Uit pure balorigheid wil hij nog wel eens een handstandje maken, wat hem de titel 'de pias onder de economen’ opleverde.
Als financieel woordvoerder van de PvdA-fractie in de Kamer stond hij als een 'neoliberaal’ te boek; sommigen zagen hem nog wel eens aan voor een VVD'er vanwege zijn pleidooien voor 'de markt’. In pogingen dat nogal rechtse imago van zich af te schudden, raakte hij keer op keer in polemieken verwikkeld. Zo verdedigde hij zich in april 1996 op de opiniepagina van Trouw tegen een aanval van voormalig fractievoorzitter Thijs Wöltgens op 'de jonge neo-liberale vleugel’ van de PvdA. Volgens Van der Ploeg ging het hier niet om neo-liberalen maar om sociaal-liberalen; hij distantieerde zich duidelijk van het VVD-liberalisme. Met dergelijke exercities tegen de 'ouderwetse’ liberalen strijkt hij regelmatig zijn evenknie in de VVD-fractie, Hans Hoogervorst, tegen de haren in.
Maar ook PvdA-fractieleider Jacques Wallage wist hij te ergeren. Samen met partijgenoten Duivesteijn en Oudkerk was Van der Ploeg begin dit jaar zo onhandig om vlak voor een partijcongres kritiek te leveren op de tamme houding van de fractie in de Tweede Kamer, daarmee indirect de fractievoorzitter afvallend. In allerijl werd het incident in de kiem gesmoord. Zo was het allemaal niet bedoeld.
Hij opereert met zijn rechtse verstand en linkse hart als een olifant in de porseleinkast, maar ziet zich zelf meer als 'een schaap in wolfskleren’, getuige de gelijknamige titel van zijn meest recente publicatie. Zijn omgeving ziet hem als een virtuoos die zich snel verveelt; als iemand die alleen naar een congres gaat als hij er zelf het woord voert. De individualist die uiteindelijk in het gareel van de partijdiscipline heeft leren lopen.
Arjo Klamer is van mening dat Van der Ploeg als kamerlid veel bedaarder is geworden. 'Aanvankelijk, bij de discussie over de hypotheekrente, heeft hij geprobeerd tegen de discipline van het ambt aan te schoppen. Zijn inventiviteit, enthousiasme en enorme verbeeldingskracht hebben hem gebracht waar hij nu is, maar het zijn dezelfde kwaliteiten die hem niet erg betrouwbaar maken. Omdat hij zo weinig rust in z'n gat heeft, dreigt het gevaar dat hij dingen niet grondig genoeg aanpakt, of niet afmaakt. Een echte spring-in-’t-veld. Ik weet niet of dat voor een bestuurder nou zo goed is.’
IEMAND DIE Van der Ploeg van dichtbij als bestuurder meemaakte is Marcel Musters, artistiek leider van toneelgroep Mug met de Gouden Tand. De Mug vroeg Van der Ploeg financieel adviseur van de groep te worden en die bleek direct enthousiast. Musters: 'Ik zou Rick een idealistische realist willen noemen. Hij wist de dingen een verrassende draai te geven waardoor je ze vanuit een andere invalshoek ging bekijken. Dat leverde stof tot nadenken. Tegelijkertijd was hij heel reëel over hoe wij de dingen moesten aanpakken.
Na afloop van een vergadering hadden we wel eens gesprekken. Hij vertelde over de politiek, ik over het theater. Hij verbaasde zich over de manier waarop wij georganiseerd waren: heel informeel, iedereen doet waar-ie het beste in is. Hij heeft daarvan opgestoken dat het wel een zootje kan lijken, maar dat de dingen tóch duidelijk geregeld kunnen zijn. De politiek is daarentegen heel strikt georganseerd.’
Naast Van der Ploegs inspanningen voor de Mug vormt zijn lidmaatschap van de redactieraad van het culturele tijdschrift Nexus zijn andere ervaring op cultureel gebied. Hoofdredacteur Rob Riemen van Nexus weet te melden dat de prille staatssecretaris zeker een enorme 'belangstelling’ heeft voor culturele zaken. 'En hij is een vrij fanatiek operaganger. Hij weet wat de essentie van cultuur is en wat de maatschappelijke implicaties van nieuwe ontwikkelingen kunnen zijn. Hij weet kwaliteit van gebakken lucht te onderscheiden. En hij is niet bang uitgevallen.’
Een paar keer heeft Van der Ploeg min of meer per ongeluk een economische beschouwing gewijd aan de 'zachte sectoren’, waaronder kunst en cultuur. Van twee boeken over kunst (én economie) heeft hij in elk geval kennis genomen. Hij noemt ze in zijn essaybundel Een schaap in wolfskleren, waarin hij opnieuw zijn stokpaardjes berijdt: 'De breedste schouders moeten de zwaarste lasten dragen’ en 'Een sterke markt vereist een sterke overheid’. Nee, hij is niet een klassieke neo-liberaal: zelfverrijking en monopolieposities zijn uit den boze. Notarissen, apothekers, beurs- en boekhandelaren moesten het daarom in het verleden regelmatig ontgelden. Het Nederlandse kunstbeleid zou volgens Van der Ploeg bovendien te protectionistisch zijn.
EEN BLOEMLEZING uit Van der Ploegs ideeën over kunst en cultuur leert ons wat er in de komende kabinetsperiode van hem te verwachten valt. 'Subsidies zijn weliswaar wezenlijk, maar een kunstenaar moet in beginsel zichzelf kunnen bedruipen.’ Hier spreekt duidelijk de sociaal-liberale vrije-markteconoom. 'Cultuurvouchers voor de lage inkomens zouden er voor moeten zorgen dat kunst bij brede lagen van de bevolking ingang vindt.’ Dat is de sociaal-democraat. 'Ook helpen nieuwe creatieve wegen van communicatie (videoclips, enzovoorts) een groter publiek voor de podiumkunsten aan te boren.’ De innovator. 'Er zou beter kunstonderwijs op middelbare scholen moeten komen, want goede smaak moet men cultiveren.’ De gelijkekansenschepper.
Het moge duidelijk zijn dat Rick van der Ploeg nog altijd heen en weer wipt tussen de economie en de politiek. Het is de econoom in hem die de mogelijkheden blootlegt, maar het is de politicus die zal moeten kiezen.