Ridder van de droevige figuur

Leonardo Sciascia, De ridder en de dood. Uit het Italiaans vertaald door Frans Denissen en Hilde Rits, uitgeverij Goossens-Kritak, 102 blz., f27,50
De roman De ridder en de dood verscheen in 1988, kort voor Sciascia’s dood - net als zijn hoofdpersoon, kortweg ‘de Adjunct’ genoemd, was hij ten dode opgeschreven.
Kun je dan nog een gewone detective schrijven? Op die vraag geeft de roman geen antwoord, natuurlijk niet, al was het maar omdat Sciascia nooit een gewone detective heeft geschreven. Ongewoon is ook deze misdaadroman. Niet omdat de politieman een geletterd man is, die van beeldende kunst en literatuur houdt - wat heet, die een gravure van Durer koopt en Tolstoj, Gadda, Leopardi en Montaigne leest - maar omdat de misdaad werkelijk serieus wordt genomen in plaats van alleen maar een aanleiding te zijn voor een spannend verhaal.

De Adjunct zal niet de eerste politieman zijn die het slachtoffer van de misdaad wordt, maar het schot dat hem op het laatst velt, is tevens een genadeschot voor een man die letterlijk doodziek van de onwaardigheid van de wereld. Tot deze woordkeus komt hij op het moment dat de laatste zaak waaraan hij werkt te ingewikkeld wordt en hij voor twee maanden verlof vraagt ‘om weer beter te worden’.
Een advocaat is vermoord kort na het diner waarop de President (van de Verenigde Industrie) hem op een briefje heeft gegegeven dat hij hem van kant zal maken. Hoewel de Adjunct weet waar hij het zoeken moet - in Zuid-Italie wijzen alle wegen dezelfde kant op - kijkt de politie naar heel andere kringen uit. En als een terroristische organisatie niet bestaat, kan zij worden uitgevonden. Weldra wordt een vermeende aanhanger van De Zonen van Negenentachtig opgepakt. Een 'sotternie’ noemt de Adjunct het tegenover een oude kennis die alles van corruptie weet en daarvoor weldra zal moeten boeten. Sotternie is ook de ondertitel van de roman en is een wat hulpeloze benaming voor de strijd tussen verschillende soorten machten.
Sciascia heeft de misdaden van die verstrengelde machten waarvoor maffia het verzamelbegrip is, altijd heel serieus genomen. Daarin is zijn speurder regelrecht zijn spreekbuis. Hij is zelfs intelligent genoeg om zich af te vragen of zijn sombere kijk op de mens, die 'vindingrijke vijand van zichzelf’, niet wordt ingegeven door verbittering over de naderende dood en afgunst jegens hen die blijven. Afgunst gemengd met medelijden.
Al even genuanceerd oordeelt hij over zijn eigen motieven om misdadigers achter de vodden te zitten: 'Misschien omdat de misdaad in ons geworteld is, om er wat meer over te weten te komen.’ Waarop zijn gespreksgenote een zinnig weerwoord heeft: 'U hebt gelijk: de misdaad is in ons geworteld. Maar er zijn mensen die geworteld zijn in de misdaad.’
Zo je het boek al een misdaadroman kunt noemen, dan gaat het duidelijk om andere vragen dan wie het gedaan heeft. Dat komen we ook niet te weten; er wordt niet eens uit de doeken gedaan om wat voor misdaad het gaat. De roman gaat eerder over een afwezige, die ook in de titel niet voorkomt. De gravure die de Adjunct aanschaft, heeft namelijk als titel 'De ridder, de dood en de duivel’. De dood ziet eruit als een bedelaar. De duivel is al even vermoeid en ziet er te duivels uit om geloofwaardig te zijn, merkt de bezitter van de prent op. En de ridder? 'Dat was het leven dat zich veilig waande dank zij dat pantser, dank zij die wapens.’
Dat is in een zin de moraal van het verhaal en misschien wel van Sciascia’s hele werk. Maar de duivel ontbreekt, om de eenvoudige reden dat hij er in zijn moderne gedaante helemaal niet als een duivel uitziet - daar gaat het in het verhaal om. En de dood? Zo nabij tast hij alles aan, inclusief het verleden. Als de hoofdpersoon wordt gevolgd in zijn ongelijke strijd tegen de pijn, is dat vooral een strijd tegen de ontwaarding; de zieke schaamt zich voor zijn eigen dood.
Sciascia behandelt al deze thema’s explicieter dan in zijn andere boeken. De roman is duidelijk een afrekening geweest en hij mag dan wat onevenwichtig lijken, als laatste boek van Sciascia is het een noodzakelijke aanvulling op zijn werk. Uitgerekend op dat boek staat de naam van de auteur verkeerd gespeld; niet gezien of niet gecorrigeerd, hoe dan ook een bok.