Ridder van de droevige figuur

De Middeleeuwen spelen in het historisch besef van Nederland nauwelijks een rol. Gelukkig heeft Frits van Oostrom de edele Jan van Brederode nu uit de vergetelheid gehaald.

Het hoogtepunt van Shakespeare’s Henry V is de Slag bij Azincourt, waar in oktober 1415 het expeditieleger van de Engelse koning een Franse overmacht versloeg. Bij Shakespeare is de overwinning kolossaal. Aan Henry wordt gemeld dat er tienduizend Fransen zijn gesneuveld, waarvan 126 prinsen, daarnaast nog 8400 ‘barons, lords, knights, squires/ and gentlemen of blood and quality’. Daaronder was, blijkt nu, ook ene Jan, Heer van Brederode, een lid van de Hollandse hoge adel die als huurling sneuvelde in dienst van de Fransen. Zijn lijk werd nooit gevonden.

Aan deze Jan van Brederode wijdt Frits van Oostrom een lijvige en levendige biografie. Dat hij dat aandurfde is op zichzelf uitzonderlijk, omdat gegevens uit die late veertiende en vroege vijftiende eeuw notoir schaars zijn. Van het geslacht Van Brederode is echter relatief veel archiefmateriaal bewaard gebleven, waaronder allerlei contracten en grafelijke beschikkingen, waaruit Van Oostrom niet alleen een vrij precieze chronologie kon samenstellen maar ook kon destilleren wat er achter de ambtelijke taal zoal aan menselijke reuring moet hebben gezeten. Nog bijzonderder is dat deze Van Brederode eigenhandig een Franse adellijke handleiding, Somme le roi, naar het Middelnederlands vertaalde en daar veel persoonlijke observaties aan toevoegde, waardoor de biograaf een hoogst zeldzaam inzicht kreeg in de denkwereld van zijn hoofdpersoon.

Jan van Brederode (ca. 1372-1415) was de zevende heer van het goed Brederode bij Santpoort, en hij behoorde tot het rijkste en machtigste contingent edelen in Holland. Zijn leven en dat van zijn broers werd bepaald door de machtsverhoudingen van de feodale maatschappij. De Brederodes zaten dicht op het hof van de landsheer in Den Haag en vervulden hoge ambten; Jan was een loyaal dienaar van zijn heer in diens ‘heervaarten’ tegen de Friezen. Op zijn beurt eiste de Heer van Brederode loyaliteit van zijn eigen onderdanen, die tot op de laatste penning werden belast en uitgeknepen. In de duinen bij Santpoort mocht nog geen konijn gevangen worden, voor sprokkelhout moest worden betaald.

De hertog van Bourgondië laat tachtig man onthoofden door één beul in één uur, ‘wat nog flink doorpakken moet zijn geweest’

Jan trouwde de dochter van de zeer aanzienlijke Willem van Abcoude, Johanna, maar zij kregen geen kinderen. Om daarin te voorzien ondernam hij een pelgrimstocht naar het lugubere Lough Dergh in Ierland, waar de bezoeker, na vijftien dagen vasten op water en brood, naakt een nacht in een donkere grot doorbracht. Veel nijpender waren Jans geldzorgen, die zo groot werden dat hij in 1402 tot een dramatische uitvlucht besloot: hij schoor zijn schedel en trad toe tot het kartuizerklooster van Zelem, bij Diest in België. Ook zijn vrouw werd non. Daarmee was Jan van Brederode formeel in één klap van zijn schulden af, maar de problemen bleven; zijn jongere broer Walraven werd bij het Beleg van Gorkum krijgsgevangen gemaakt en zadelde de familie op met een absurd hoog losgeld.

In zijn ascetische kluis in Zelem zette Jan – een ‘gekooide tijger’, aldus Van Oostrom – zich aan het vertalen van Somme le roi. Het werk kwam niet af, omdat in 1407 zijn schoonvader overleed en Jan aanspraak kon gaan maken op de kolossale erfenis. Dat werd een debacle. Het vertrek uit het klooster werd hem zwaar aangerekend. De bisschop van Utrecht had bovendien al besloten dat het jonge neefje Jacob van Gaasbeek de enige rechtmatige erfgenaam van Abcoude was. Tot zijn verbijstering besloot ook zijn eigen heer – graaf Willem VI – de claim van Van Gaasbeek te steunen. Een hoog beroep bij de hoge theologische autoriteit in Parijs, Jean Gerson, liep ook op niets uit. Daarna liepen de zaken uit de hand. Met het zwaard in de vuist probeerde Jan zijn vrouw uit haar klooster bij Wijk bij Duurstede te halen, waarna hij zelf door de bisschop gevangen werd gezet. Twee jaar later was hij terug in Santpoort, berooid en kinderloos, het zwarte schaap van de familie. De enige respectabele optie die nog openstond was dat hij zich met een klein peloton mannen in het buitenland als huurling aanbood. Zo vond hij in 1415 een einde in Azincourt.

Medium archery schlacht von azincourt
De Slag bij Azincourt in 1415, waarbij ridder Jan van Brederode sneuvelde © Musée de l’armée, Parijs

Dat fascinerende verhaal is goeddeels onbekend, en dat wijst toch op flinke bloedarmoede in de beleving van onze vaderlandse geschiedenis. Wij hebben wat stoffige helden in Floris, Fulco de minstreel en de Gijsbrecht, maar de kleurrijke en felle Middeleeuwen spelen in het historisch besef een volstrekte bijrol, om van de literatuur en de cinema maar te zwijgen: de geschiedenis van Jan van Brederode heeft dezelfde dramatische kracht als die van Richard III of William Wallace, maar niemand die zich er ooit aan gezet heeft. Van Oostrom is echter een onderzoeker die graag over de schutting naar andere disciplines kijkt, en bovendien ziet hij het belang en de kracht van het voorstellings- en inlevingsvermogen van de historisch letterkundige. Een zorgvuldige en afgewogen presentatie van droge feiten kan al een wereld van emoties oproepen – en dat gebeurt hier, met verve.

Nobel streven is eigenlijk twee boeken. Het ene bestaat uit die wervelende biografie, opgebouwd uit met engelengeduld bijeengesprokkeld materiaal, het andere is het verhaal van het nobel streven van de mediëvistiek zelf, een discipline waarbij ‘de gaten vaak groter zijn dan de kaas’. Van Oostrom maakt openhartig melding van zijn beperkingen, de bronnen die zouden moeten bestaan maar nog niet gevonden zijn, de boeken die bestonden maar zijn verbrand; hij haalt in de tekst voortdurend geleerde en gewaardeerde voorgangers aan, op wier werk hij voortbouwt. Hij vermeit zich in sappige terzijdes, die soms de kern van complete boeken lijken te zijn, zoals de onderhandelingen over de waterhuishouding in de Alblasserwaard als voorbeeld van het poldermodel 650 jaar geleden en de achtergronden van de oorlog tegen de Friezen. Uit alles blijkt liefde voor de periode en het vak, gedragen door een bijna uitbundig gevoel voor humor. De hertog van Bourgondië laat tachtig man onthoofden door één beul in één uur, ‘wat nog flink doorpakken moet zijn geweest’. Werkelijk enthousiast wordt hij in de analyse van de vertaling van Somme le roi, Des coninx summe, waar Jan van Brederode in een vitaal en kruidig Middelnederlands eigen gedachten aan toevoegde. Hij gebruikt daarbij, zegt Van Oostrom, uitdrukkingen en woorden die hij aan het roerig straatleven moet hebben ontleend en die hier voor het eerst werden neergeschreven, woorden als pylaernbiter (pilaarbijter), balhorich (hoorndol), moutvlieg (dronkelap), quacksole (gokhuis) en stoelrover (kruimeldief).

Nobel streven geeft verder een helder beeld van de politieke en geografische verhoudingen in de Nederlanden aan de vooravond van de Bourgondische heerschappij. Wat ook zichtbaar wordt is het geleidelijk verroesten van het feodaal systeem, met zijn wirwar van rechten, plichten, belastingen en privileges die door vererving en huwelijken volkomen onoverzichtelijk worden. De landsheer is eigenlijk vooral bezig met het arbitreren in de conflicten tussen zijn onderdanen. Geweld tussen clans raakt daarbij langzamerhand uit de mode; de formele (juridische) bureaucratie neemt toe, en daarbinnen gaan niet-adellijke figuren een steeds machtiger rol spelen. Het is nog niet het herfsttij van de Middeleeuwen, maar het is frappant hoe die feodale structuur Jan verstrikt en hoe snel zijn reputatie verbleekt, om te eindigen in de modder van Azincourt.

‘Those that leave their valiant bones in France, dying like men, (…) they shall be famed’, zegt koning Henry, maar Jan van Brederode heeft er 602 jaar op moeten wachten.