In een vertaling van Sophocles’ Antigone heeft Pé Hawinkels ooit Kreons gebod radicaal gemoderniseerd door hem Polyneices’ lijk te laten overgeven aan verrotting ‘buiten de bebouwde kom’. Dat was een geniale vondst die een archaïsche tragedie plots even nabij bracht als het verkeersreglement en de toen nog alomtegenwoordige klaar-overtjes. Alom werden in die tijd binnen het Nederlands toneel de oude stukken grondig afgestoft. Door hun canonieke status eerder verdacht geworden dan geholpen, kregen zij een betekenis die hen alsnog aanvaardbaar maakte. Griekse tragedies werden bij voorkeur opgevoerd in nazi-uniformen.

Juist dat maakt dergelijke producties inmiddels zo dateerbaar. De actualiteit gaf ze de schittering van het nieuwe, net zo briljant herleefd als kort daarvoor gebeurd was in de ‘authentieke’ uitvoeringen van Bachs passies. Tegelijk parasiteerde die nieuwheid onbeschaamd op haar klassieke status. Het publiek dat de Antigone kwam zien, kwam allereerst om Sophocles, wiens stuk het was – en bleef.

Wellicht is het die wisselwerking tussen eeuwigheid en ogenblik waarom klassiekers om de zoveel decennia opnieuw moeten worden vertaald. In de gloednieuwe uitgave van Walter Scotts Ivanhoe (Athenaeum-Polak & Van Gennep) toont zich daarnaast nog een tweede golfbeweging. Harm Damsma en Niek Miedema zeggen zich als vertalers niet te hebben laten leiden door een zo groot mogelijke moderniseringswil. Ze zoeken, haaks op Hawinkels juist naar een half-archaïsch Nederlands dat de schijn van de authentieke ridderroman zo dicht mogelijk benadert.

Dat is een zin vol contradicties, maar ze sporen haarfijn met Scotts eigen dubbelzinnigheid. In het begin van de negentiende eeuw een ridderepos schrijven vereiste iets anders dan de taal van Gawain of de Ronde Tafel. Wie leesbaar wilde zijn, moest iets moderns brengen met de suggestie van het oude: niet meer, niet minder. Hedendaagse vertalers hebben daaraan een prachtpuzzel: een quasi-middeleeuws verhaal vertellen in vroeg-negentiende-eeuwse taal die tóen al archaïsch wilde zijn en nú het midden moet houden tussen oude schijn en nieuwe frisheid.

Scotts eigen opzet legitimeert zo deze anti-Hawinkels-vertaling. Maar ze is ook in een breder opzicht symptomatisch. Het afnemende belang van actualisering loopt parallel aan de hernieuwde status die de literaire canon heeft gekregen. Het oude is er niet alleen meer om er de band mee door te snijden – wel integendeel.

Ironisch genoeg is in de uitgave van teksten uit het eigen taalgebied het omgekeerde aan de gang. ‘In ons land zal niemand op de gedachte komen Max Havelaar (…) door 21ste-eeuwse neerlandici te laten hertalen’, schrijven Damsma en Miedema. Ze werden onmiddellijk gelogenstraft door een Multatuli-vertaling volgens precies deze principes, niet van Max Havelaar maar van Woutertje Pieterse. Ivo de Wijs, die ervoor tekende, maakte daarmee niet iedereen gelukkig. Ook Pieter Steinz, die in NRC Handelsblad vond dat ‘hertalen moet, we zijn het zelfs aan de klassieken uit de Nederlandse letterkunde verplicht’, miste in de nieuwe uitgave wel wat dierbare kwinkslagen en passages.

Die prijs is even onvermijdelijk als de discussie oeverloos. Ze raakt al snel verstrikt in haar eigen tegenspraak, zoals ook rond de muzikale authenticiteit gebeurd is. Hoe moet je je beroepen op Bachs wil het zó-en-zó te doen, als hij zelf zo’n historicisme nooit zou hebben begrepen? Verkorten, bewerken, herschrijven was in de muziek net zo gebruikelijk als in de letteren. Het aantal verminkte Ivanhoe-_vertalingen is (al dan niet _ad usum delphini) in Nederland nauwelijks meer te becijferen. Niemand bekommerde zich erom.

Zo brengt de nieuwe liefde voor de canon haar eigen contradicties voort – en doen vertalers het dus zelden goed. Een nieuwe uitgave van Don Quichot, in de vertaling van Barber van de Pol, maakte de hoofdpersoon tot een ‘ridder van het trieste gelaat’. Verdwenen de ‘figuur’ – wat in het Spaans (en Frans) inderdaad ‘gelaat’ kan zijn. Maar even slikken is het wel: ‘ridder van de trieste figuur’ klinkt veel te dierbaar en te mooi om zomaar los te laten. Wat is hier nu juist: de woordkeus van Cervantes of de macht van de gewoonte? De canonieke strengheid zegt het eerste; een postmoderner traditionalisme weet het niet zo zeker.

Een ingezonden-briefschrijfster in NRC Handelsblad wist het wel zeker. Van de Pol moest het ontgelden vanwege die ‘figuur’, die zij nog altijd in haar vertaling meent te lezen – ook al schittert zijn afwezigheid op elke bladzijde. Zo sleept elk boek de spoken van zijn afkomst mee. Onzekerheid houdt fout en goed in evenwicht. Bach hoeft niet per se meer op klavecimbel. Polyneices ligt al lang weer buiten de poorten van de stad.