Ridders te brooklyn ‘donnie brasco’ voldoet in zoverre aan de eisen van de klassieke ridderroman dat het goede wint - alleen is het niet de held die wint

Geen villa’s, geen smokings, geen grandioze witwasoperaties. De maffia die in ‘Donnie Brasco’ opdraaft, bestaat uit tot elkaar veroordeelde kleine mannen. Maar sympathiek zijn ze wel. Sympathieker tenminste dan de klootzakken van de FBI.
SINDS VAN DE KRITIEK zelfs in het kinderboek het Goede niet meer zomaar het Boze mag overwinnen (een critica vroeg zich naar aanleiding van de goede afloop in een jeugdboek van mijn hand eens af of moderne kinderen dat nog wel zouden geloven, dat alles goed kwam; arme kinderen), is de detectiveroman het enige genre waarin de traditie van de ridderroman nog wordt voortgezet. (Afgezien misschien van de science fiction, maar daar weet ik zo goed als niets van.)

In de ridderroman moet de dienstdoende ridder vele verschrikkelijke gevaren en wrede vijanden overwinnen om een edel doel te bereiken. Zo belooft ridder Walewein aan het begin van de gelijknamige middeleeuwse roman dat hij voor koning Arthur het zwevende schaakbord zal bemachtigen: ‘Vindict in enich lant, Ic saelt leveren in uwe hand.’ De middeleeuwse lezer was natuurlijk niet gekker dan de moderne, hij wist ook best dat helden dun gezaaid waren en dat het een wrede wereld was, maar dat weerhield hem er kennelijk niet van voor de duur van het verhaal graag in de goede afloop te geloven. In de detectiveroman moet de held ook gruwelijke gevaren overwinnen om de wereld voor even tot een iets betere plaats te maken. In de woorden van Raymond Chandler, de grootmeester van het genre: 'Down these mean streets a man must go who is himself not mean.’ Sterker nog: 'He is the hero; he is everything. He must be a complete man and a common man and yet an unusual man.’ Ja, dat mag natuurlijk niet in een serieus literair produkt. Niet in Nederland althans.
IN DE NEDERLANDSE literatuur is de canon lang van een gereformeerde strengheid geweest: literatuur hield zich vooral bezig met het innerlijk en het hogere en opereerde liefst met de rug naar de vulgariteit van de straat, en schrijvers die verhalen vertelden heetten neerbuigend 'vertellers’ om ze te onderscheiden van echte schrijvers.
De laatste jaren lijken de grenzen behoedzaam verlegd te worden: schrijvers van het betere kinderboek krijgen wel eens een echte literaire prijs en we hebben zowaar een heuse professor die onder pseudoniem misdaadromans schrijft. 'Echte’ schrijvers schreven bij ons geen misdaad- of detectiveromans. Een schrijver als Leonardo Sciascia, die in Italië het genre gebruikte om commentaar op de samenleving te geven in indrukwekkende romans als A ciascuno il suo en Todo modo is bij ons ondenkbaar, en iemand als Eco, die met elementen van de detectiveroman speelt in De naam van de roos, hebben we al evenmin. In Amerika kon E.L. Doctorow met Billy Bathgate een lyrische gangsterroman schrijven die algemeen als een literaire gebeurtenis werd beschouwd - maar dat is dan ook doenlijker in een land waar Hammett en Chandler al tot de literatuur behoren dan bij ons.
Omdat de detectiveroman als genre serieus genomen wordt, kan er in een literatuur als de Amerikaanse (en kennelijk ook in de Italiaanse) op worden gevarieerd. Billy Bathgate is niet een echte misdaadroman. Het is een roman waarin Doctorow een periode uit de geschiedenis van de Bronx (de wijk waar hij zelf is geboren en opgegroeid) herschrijft, gezien door de ogen van de kleine joodse jongen Billy, voor wie de grote gangsters de koningen van de moderne tijd zijn en hun handlangers de ridders. Zij rijden in de grote auto’s, zij dragen de prachtige pakken en hoeden, zij eten met de mooiste meiden in de duurste restaurants, zij hebben de macht en zetten politiechefs, senatoren en burgemeesters naar hun hand.
Een van die gangsters is de legendarische Dutch Schultz, die tijdens de drooglegging de riolen van de Bronx gebruikte om alcohol te transporteren, en Billy ziet kans binnen te dringen in zijn hofhouding. Want als een hofhouding, een soort tafelronde, beschrijft Doctorow de wereld van de gangsters in de jaren dertig, en hij doordringt je ervan dat voor de armsten in de nieuwe Newyorkse immigrantenwijken de misdaad vaak de meest voor de hand liggende manier was om aan de armoede te ontsnappen. Billy Bathgate is de omkering van de klassieke Amerikaanse misdaadroman. Het rijk van het Boze wordt er als zeer glamorous en begerenswaardig in voorgesteld, en pas als Dutch Schultz tegen het einde roemloos ten onder gaat, blijkt dat Billy slimmer is geweest dan de gangsters waar hij schijnbaar een tijdlang toe heeft behoord: hij heeft de schat van Schultz in veiligheid gebracht, en is eigenlijk het hele verhaal door een soort undercover-agent geweest, alleen niet ten dienste van de politie maar ook om zichzelf en zijn oude moeder van de armoede te bevrijden.
NAAR DE FILM Donnie Brasco ging ik natuurlijk kijken omdat ik uit de kritieken had begrepen hoeveel parallellen er waren met Doctorows roman. En misschien ook wel omdat die zo teleurstellend slecht was verfilmd dat ik hoopte dat deze film daar iets van goed zou maken.
Niet alleen de titel Donnie Brasco suggereert een verwantschap met Billy Bathgate. Ook in Mike Newells film gaat het om een jongeman die onder valse voorwendsels binnendringt in een misdaadorganisatie, in dit geval wèl in dienst van een politieorganisatie: FBI-agent Pistone (Johnny Depp) maakt in een café als Donnie Brasco oftewel Don de Diamantair contact met een wise guy van een maffiaorganisatie in Brooklyn, Lefty (Al Pacino). De organisatie is door een serie moorden juist in handen gekomen van een nieuwe baas, de gewelddadige maar niet al te slimme Sonny Black. Als deze boss de koning Arthur van de wijk is, dan is een wise guy als Lefty een soort vazal, een Walewein die om boodschappen wordt gestuurd, maar die wel zó tot de inner circle behoort dat Donnie op zijn gezag wordt toegelaten. 'You’re mine now’, zegt Lefty als hij Donnie de regels van de organisatie uitlegt, en hij maakt hem duidelijk dat het hem, Lefty, de kop zal kosten als Donnie een verrader zal blijken te zijn. Wat volgt is eigenlijk een lange reeks initiatieriten waarbij 'Donnie’ zijn betrouwbaarheid moet bewijzen: hier moet een moord worden gepleegd, daar moet een hele concurrerende gang worden afgeslacht.
Het knappe van de film is dat zulk geweld heel terloops wordt getoond, uit de ooghoek gezien als het ware. In het centrum van de aandacht bevindt zich het gedrag van de hofhouding: hoe de wise guys, verzameld op een straathoek, reageren op de aankomst van de boss; wie innig op de wang wordt gezoend en wie niet, wie in het café het woord tot de baas mag richten en wie zijn mond moet houden, welke subgroepen zich vormen.
Je ziet de langzame opmars van Donnie Brasco door de gelederen naar een plek dicht bij de top, bij de absolute macht van Sonny Black, maar steeds gecoacht door Lefty. Lefty leert hem de regels van de hofhouding, en de taal. Als iemand is geliquideerd, mag zijn naam niet meer worden uitgesproken. De uitdrukking 'Forget about it’ heeft een reeks verschillende betekenissen, afhankelijk van de context waarin zij wordt gebruikt. Als iemand als onomstotelijke waarheid poneert dat een Chevrolet een sjiekere auto is dan een Mercedes, voegt hij eraan toe: 'Forget about it.’ Als iets absoluut onmogelijk is: 'Forget about it.’ Als iets onvermijdelijk is: 'Forget about it.’ Hoezeer Donnie langzaam maar zeker deel gaat uitmaken van de wereld van Lefty, blijkt als hij bij een geheime ontmoeting met enkele FBI-collega’s vruchteloos probeert hun deze nuances uit te leggen: een scène die zonder het uit te spreken duidelijk maakt dat hij een grens is overgestoken naar een gebied met een andere taal.
WANT DAAR GAAT Donnie Brasco over: hoe iemand te ver kan gaan, zich zo ver in vijandelijk gebied kan begeven dat hij er thuis gaat horen en niet meer terug kan naar zijn eigen kant. Onze held wordt daarbij gedreven door twee passies: de wil om de beste infiltrant aller tijden te zijn, samen te vallen met het object dat hij moet bestrijden; èn een verwarrende genegenheid voor Lefty, aan wie hij dieper emotioneel gebonden raakt dan aan zijn politiematen, zelfs dieper dan aan zijn eigen vrouw en kinderen. In zijn huis in de provincie komt Pistone alleen nog om kleren en een wapen te halen. Zijn vrouw ziet hem reddeloos wegdrijven en een vreemdeling worden; ze verwijt hem zijn slaafse binding aan de FBI, en pas als het veel te laat is begrijpt ze dat het niet die binding is die hem van haar vervreemdt, maar die aan de gangsterwereld.
'Donnie’ speelt zijn rol zo volmaakt, dat hij (in opdracht van zijn FBI-bazen) boss Sonny Black ervan kan overtuigen dat die zijn werkterrein moet verplaatsen naar Florida, waar het grote geld te halen is. Daar benoemt Sonny Black hem tot zijn adjudant, zodat hij Lefty in de hiërarchie passeert. Maar zijn genegenheid voor zijn gangstervader is inmiddels zo groot dat hij de code doorbreekt door Lefty zijn trouw te betuigen, en zelfs te proberen deze te overreden te breken met de organisatie. Als de FBI vervolgens in een enorme operatie de hele bende oprolt, daartoe in staat gesteld door Donnie’s informatie, is het Lefty die als eerste doorheeft dat er een verrader in de eigen gelederen is, en dat dat alleen Donnie kan zijn, die hij zelf heeft binnengehaald. Hij weet dat daarmee zijn eigen doodvonnis getekend is, maar zijn liefde voor 'Donnie’ is te groot om hem te verraden.
De bazen van de FBI hebben inmiddels ook in de gaten dat hun steragent de grens naar de andere kant heeft overschreden. Ze proberen hem de terugkeer onmogelijk te maken door in het café waar Sonny Black zijn hoofdkwartier heeft, foto’s te laten zien van FBI-agent Pistone op de politieacademie en tijdens zijn beëdiging. 'Als we Donnie niet zo goed kenden’, zegt Lefty, 'zou je het bijna geloven.’ Maar als hij vervolgens midden in de nacht wordt ontboden door de boss, weet hij dat het afgelopen is. Hij zegt tegen zijn vrouw dat ze maar vast naar bed moet gaan en dat ze Donnie de groeten moet doen als die belt, stopt zijn geld, horloge en sieraden in laa*…latje…tjes waar zijn vrouw ze na zijn dood kan vinden, en vertrekt.
Het doek is donker als het schot valt, en als het weer licht wordt zien we een zaal waar FBI-agent Pistone door een groepje hoogwaardigheidsbekleders wordt onderscheiden voor zijn verdiensten, met als enige publiek zijn keurig aangeklede en stralende vrouw en kinderen. Maar de blik waarmee Pistone/Donnie Brasco ons allen aankijkt is die van een verloren man die op deze wereld niets meer te zoeken heeft.
DONNIE BRASCO voldoet in zoverre aan de eisen van de ridderroman en de klassieke misdaadroman of misdaadfilm dat het Goede wint - alleen is het niet de held die wint. De held is reddeloos verloren geraakt in het rijk van het Boze, en als kijker blijf je uiteindelijk met lege handen achter omdat je ervan doordrongen bent dat in dat rijk - tegen alle regels in - de ware trouw bestond, en dat de vertegenwoordigers van het Goede zonder uitzondering cynische klootzakken zijn.
Dat dit besef je zo diep raakt, heeft natuurlijk alles te maken met Newells manier van filmen. Hij breekt het beeld van het maffiarijk zoals we dat kennen uit The Godfather tot de grond toe af. De film begint met zwartwit-stills die natuurlijk door de politie gemaakte foto’s zijn van gangsters die uit een gebouw komen of die op het trottoir wachten op de limousine van de boss - maar de verwachting die de foto’s oproepen wordt beschaamd door wat volgt: de genadeloze observatie van een groep tot elkaar veroordeelde kleine mannen; niks enorme villa’s in Italiaanse stijl met huisknechts en parkachtige tuinen; de wereld van Newells Brooklyn-maffia is er een van smoezelige café-achterzaaltjes, burgerlijke overladen huiskamers, verkeerde pakken, en geld dat niet wordt verdiend met enorme witwasoperaties maar met het leegjatten van parkeermeters en winkelkassa’s. Dat maakt de emotionele verwarring van agent Pistone alleen maar overtuigender: als je zo ingesponnen kunt raken in zo'n netwerk, dan moet de vriendschap met wise guy Lefty wel een heel bijzondere zijn.
Die bijna onuitgesproken relatie wordt adembenemend gespeeld door Johnny Depp en Al Pacino. Wie de laatste wil zien in wat volgens mij de beste rol van zijn loopbaan is, haaste zich naar Donnie Brasco. In de slotscène die ik hierboven beschreef, waarin hij voordat hij de nacht in gaat door zijn lege flat zwerft en dingen uit zijn zakken haalt en in laatjes stopt, is hij van een bijna Buster Keaton-achtige in-zichzelf-gekeerdheid en schoonheid.
E.L. DOCTOROW gebruikt in Billy Bathgate de gangsterwereld als spiegel van een periode; hij laat zijn jonge held als corrupte doch vrolijke winnaar te voorschijn komen uit het domein van het Boze, zodat zijn verhaal over de gruwelwereld van de misdaad verandert in een sprookje. In Donnie Brasco wint niemand behalve de FBI die je dat niet gunt, omdat die een establishment verdedigt waar weinig van deugt.
De wereld is ouder en lelijker geworden. De enige troost is, dat je een glimp hebt gezien van wat vriendschap en trouw zelfs in de meest onmogelijke omstandigheden kunnen betekenen.
Misschien is Lefty trouwens toch wel de winnaar, hoe ongerijmd het ook lijkt: iemand die glimlachend de nacht in gaat omdat hij tot het bittere einde heeft geleefd naar zijn eigen regels, al lijken die nog zo absurd.