Sport

Rielwennen

Wielrenner Tom Boonen is weer betrapt op cocaïnegebruik. De wereld valt over hem heen. Ook al is cocaïne geen prestatiebevorderend middel, een wielrenner mag het niet gebruiken. Een schande voor de sport, is het, mopperen ploegleiders en collega-renners.
Boonens ploeg Quick Step gaat hem helpen. Een laatste waarschuwing, een fikse geldboete en, tadaa! strikte begeleiding. Het ‘vrije leven’ is voorbij. ‘Zijn ploeg verliest Boonen voortaan geen seconde uit het oog.’
Boonen gaat behandeld worden door een gespecialiseerde psycholoog of psychiater, ‘een persoon die houvast aanreikt om herhaling te voorkomen’. De begeleiding zal strikt zijn, ‘omdat het gedrag van de betrokkene zijn impact heeft op zijn onmiddellijke naasten zelf, maar ook implicaties heeft op een hele groep van collega’s, medewerkers en op het maatschappelijk leven in zijn totaliteit’.
Boonen ontregelt met dat gesnuif van hem het maatschappelijk leven in zijn totaliteit! Dan is het maar goed dat hij strikt begeleid gaat worden door een persoon die houvast aanreikt om herhaling te voorkomen.
Elke twee weken wordt een urinetest afgenomen en een haaranalyse gemaakt. Een poepkweekje. Huidtesten. Sperma-evaluatie. Tranen. Spuug. Zweet. Alles wordt geanalyseerd. Als bodyguards schaduwen ze hem: de therapeuten. De begeleiders. En ze vragen de hele tijd: ‘Wil je erover praten, Tom?’
Hier kan maar één antwoord op worden gegeven. Uit solidariteit met Tom Boonen besluit het complete wielerpeloton om in de Tour de France gedrogeerd te starten, stijf van de niet-prestatiebevorderende middelen. Om te laten zien: wij beslissen. Als onze prestaties er niet door worden bevorderd, mogen we slikken wat we willen. En snuiven. En spuiten.
Stoned als een langoustine en high als een vlieger rijden de mannen hun etappes. Bij de Garmin-ploeg roken ze joints met de beste Nederwiet. CSC gaat op de lsd. Rabobank op de ecstasy, vooral voor de ploegentijdrit, voor de onderlinge chemie.
We gaan wietrennen. Dat wordt de leukste Tour aller tijden. Er golft een slappe lach door het peloton. ‘Hé, ContactLance Armstrong! Je armen zijn dun. Je heet eigenlijk Legstrong.’ Petacchi proest het uit. Laurens ten Dam zit met pupillen als kleiduiven rechtop op zijn fiets en staart Denis Mentsjov aan: ‘Wauw, Denis, wat heb je toch een mooie ogen. Ik heb ‘t nooit durven zeggen maar ikvinjelief.’
Mentsjov kijkt met waterige ogen naar Laurens en zucht: ‘Ik ook van jou…’
Overal groepjes schaterende renners. Levi Leipheimer gaat op de schouders: ‘Leipie Leefheimer bedankt! Eigen heimer eerst!’
Team High Road slikt peyote. Cavendish roept dat hij de sjamaan is, iedereen gelooft hem. Astana eet paddestoelen. Ze gaan niet heel hard, maar dat gaat niemand.
‘Heb jij het idee dat je prestatie wordt bevorderd?’ ‘Nee, maar wel verleukt.’ ‘Mooi hè, wietrennen?’ ‘Fantastische sport, rielwennen.’ Freire valt bijna van zijn fiets van het lachen.
‘Als je het met je hele hart doet heb je zielrennen!’
‘Kijk ‘s wat ik kan? Knielrennen!’ Stijn Devolder voegt acrobatisch de daad bij het woord.
‘Da’s meer debielrennen.’
De mannen van Silence-Lotto (ketamine) bewonderen het waanzinnige draaien van hun wielen. En de lsd van CSC moet van superkwaliteit zijn, want Carlos Sastre roept dat hij de maan is en verliefd is op de zon. Kijk, daar zweeft Ramses Shaffy, met Liesbeth List op zijn schouders! Wat zijn ze mooi. Hé, nu zijn ze een olifant. Tuut. Met zijn dikke snuit blaast hij de sluier van het wereldraadsel weg en Sastre ziet in de lucht de oplossing van alle Grote Vraagstukken. De matrix van de schepping ziet hij, en hij huilt van geluk. Zijn tranen veranderen in rode vogeltjes, honderd rode vogeltjes, die hem optillen en hemelwaarts gaan. ‘Kijk, ik kan vliegen!’ roept Sastre en verdomd, hij vliegt, zonder handen.
En midden in het peloton, tussen alle ziedende niet-prestatiebevorderende vreugde, zit, als een koning op zijn troon, Tom Boonen. Zijn rug is recht, zijn kop is scherp, zijn benen zijn beter dan ooit. Om hem heen fietsen allemaal personen die hem houvast aanreiken om herhaling te voorkomen. ‘O Tommeke…’, zegt Laurens. Zegt ook Lance. En Damiano. En Marzio. Eigenlijk zeggen ze het allemaal, met glimmende, glanzende reuzenpupillerige ogen, die wateriger en wateriger worden. Het tempo daalt, maar Tommeke straalt. En Carlos Sastre wordt weer terug op zijn fiets gezet, door tweehonderd blauwe vogeltjes.