Rients Dijkstra en de amechtige avant-garde

Na de Eerste Wereldoorlog ging grote belangstelling voor vernieuwing in de cultuur dikwijls gepaard met uitgesproken linkse politieke opvattingen. R.H. (Rients) Dijkstra (1902-1970) was daar een goed voorbeeld van. Deze jurist had niet alleen een advocatenpraktijk, maar was tevens een tijdlang journalist van De Telegraaf. Als advocaat specialiseerde hij zich in het vennootschapsrecht en speelde hij bovendien een rol in het Tuschinski-concern. Daarnaast was hij juridisch adviseur van de Russische handelsmissie in Amsterdam. In 1935 werd hij mede-eigenaar van De Groene. Een jaar later trad hij toe tot de redactie en aan het einde van de jaren dertig was hij de officieuze hoofdredacteur geworden, al had hij op dat moment geen aandelen meer in NV Weekblad De Groene Amsterdammer. Onmiddellijk na de bevrijding startte hij, samen met Theo Moussault, opnieuw met de uitgave van De Groene, die sinds oktober 1940 niet meer was verschenen. Na enkele jaren werd hij de enige eigenaar van het blad, zij het dat De Groene in 1950 officieel het eigendom werd van de abonnees. Maar tot aan zijn dood in 1970 wás Dijkstra De Groene.

Behalve jurist, zakenman en journalist was Dijkstra ook een groot cultuurliefhebber. Tijdens zijn studie was hij bevriend met Menno ter Braak en Victor van Vriesland. Voor zijn huis in Amsterdam liet hij zijn vriend Wim Schuhmacher, die vooral bekendheid genoot als schilder, het interieur en ameublement ontwerpen. In Groet liet hij architect Ben Merkelbach een hypermodern buitenhuis bouwen, waarvan de nog jonge Eva Besnyö enkele beroemde foto’s maakte.

Zeer bevriend was Dijkstra met de in het nabijgelegen Bergen wonende Adriaan Roland Holst, Charley Toorop en Pyke Koch, terwijl hij de Amsterdamse kunsthandelaar Carel van Lier met raad en daad terzijde stond. Voor De Vrije Bladen schreef hij in 1934 een essay over Wim Schuhmacher, die in die jaren werd beschouwd als een van de belangrijkste moderne schilders in Nederland. Toen Dijkstra op het eind van de oorlog de grafisch ontwerper Jan van Keulen betrok bij de plannen om opnieuw De Groene uit te geven, viel het deze op dat er bij Dijkstra thuis niet alleen een groot portret van diens vrouw door Schuhmacher aan de wand hing, maar ook een ets van Picasso.

Als zo veel mensen bleef Dijkstra trouw aan de kunst die hij in zijn jeugd had ontdekt en had leren waarderen. Dat was dus de avant-garde van de jaren twintig, waarvan nogal wat schilders aan het eind van dat decennium voor de figuratieve kunst kozen. Het waren kunstenaars die pas op de plaats maakten en waarvan sommigen zich zelfs weer op het verleden richtten en grote belangstelling aan de dag legden voor de schilderkunst uit de late Middeleeuwen en de vroege Renaissance. Bij sommigen uitte zich dat in het streven de techniek van Jan van Eyck in de vingers te krijgen, anderen zochten bewust naar een vorm van primitivisme, waarbij vooral eenvoudige, nog niet door de civilisatie verpeste mensen werden afgebeeld. Hoewel deze schilders in de ogen van het grote publiek uiterst ‘modern’ waren, en dus nauwelijks werden gewaardeerd, behoorden ze niet echt meer tot de voorhoede. Het was een wat amechtige avant-garde geworden.

Dijkstra zou deze kunstenaars altijd trouw blijven. Heel sterk bleek dat in de eerste maanden na de Duitse inval, toen De Groene nog wel verscheen maar met geen woord meer kon reppen over politiek of de catastrofale internationale ontwikkelingen. Om de pagina’s toch vol te krijgen werd eindeloos veel aandacht aan cultuur besteed. Zo verscheen een reeks reportages – met foto’s van Eva Besnyö – waarbij ‘in de keuken’ van een aantal kunstschilders werd gekeken. Voor een groot deel waren dat vrienden of kennissen van Dijkstra: Piet Wiegman, Jan van Herwijnen, Charley Toorop, Germ de Jong, Jan Sluijters en uiteraard Wim Schuhmacher. Na de oorlog zou deze voorkeur soms voor conflicten zorgen, aangezien Jan van Keulen, die waakte over het beeldende aspect van het cultuurkatern, enorm de pest had aan deze schilders. Het waren stuk voor stuk kunstenaars die de aansluiting bij de toenmalige modernisten hadden gemist. Maar ja, elke voorhoede wordt vroeg of laat ingehaald en ook de ‘modernen’ uit de jaren vijftig zijn inmiddels behoorlijk gedateerd.