Rijk maar onbevredigend

IN 1659 WERD een zekere Catharina Frans gearresteerd. Ze was ongehuwd en schuldig aan ‘vleselijke conversatie’. De bewijsvoering was eenvoudig: Catharina was vlak voor de arrestatie bevallen van haar kind. Tijdens het verhoor zei Catharina dat ze tot de komst van het kind helemaal niet wist dat ze zwanger was. Bij een later verhoor bleek dat ze door haar zus was betrapt met haar echtgenoot.

Catharina werd veroordeeld tot vijftig jaar verbanning. Zulke zware straffen werden nooit voor voorhuwelijkse seks gegeven, maar in de zeventiende-eeuwse opvatting had ze ook bloedschande gepleegd - een veel zwaarder delict.
Het voorbeeld komt uit Huwelijk in Holland, waarin Manon van der Heijde de rechtspraak en kerkelijke tucht onderzocht in Delft en Rotterdam over de periode 1550-1700. Seks was in deze tijd een verboden handeling met slechts één vorm van dispensatie: trouwen. Voor een huwelijk kon plaatsvinden, moesten de gelieven in ondertrouw en werd nog drie weken van tevoren elke zondag de voorgenomen verbintenis vanaf de kansel bekendgemaakt. Het kon altijd voorkomen dat een van de partners ineens met iemand anders getrouwd bleek, schulden had, een slechte reputatie genoot of anderszins op bezwaren stuitte.
De wereldlijke overheid in de persoon van de schout bewaakte het echtelijke leven van de burgers. Aan het einde van de zestiende eeuw drong het calvinisme in Nederland door en ontstond er een tweede instantie die zich met het huwelijksleven van de burgers bezighield: de kerk.
Na 1570 ontstonden in veel steden de kerkenraden, die zich verregaand met het persoonlijke leven van hun lidmaten bemoeiden. Deze bemoeienis werd nog intensiever in de zogenoemde ‘Nadere Reformatie’, toen met het verontwaardigde geschrijf van lieden als Voetius en Wittewrongel de aanval werd geopend op dansen, drinken en lachen.
De wereldlijke en de kerkelijke strafmaat verschilden hemelsbreed: de schout veroordeelde echtbrekers en schuinsmarcheerders gemakkelijk tot stevige boetes en verbanningen van twaalf tot vijftig jaar. De kerk ontbeerde dergelijke bevoegdheden; zij sloot lidmaten uit van kerkbezoek en het avondmaal.
De predikanten waren onverbeterlijke terriërs en bleven mannen en vrouwen die zich niet naar behoren gedroegen, lastigvallen met bezoekjes - vaak jarenlang, totdat verbetering optrad. De kerkenraadsnotulen, merkt Van der Heijde dan ook op, vertonen een opmerkelijke liefde voor het detail. Niets, denkt de lezer van de inleiding, staat vanaf nu een schitterend boek in de weg over het gescharrel en de hinderlagen op het liefdespad in het vroeg-moderne Holland.
Maar tussen de fleurige kaft van Huwelijk in Holland gaat niet de opzet schuil van een schilderachtig boek. Van der Heijde promoveerde, en dit boek is haar proefschrift. Dat betekent dat ze verplicht was een bijdrage aan het wetenschappelijke discours te plengen, en telkens van haar promotor hoorde zich aan haar probleemstelling of zoiets te houden.
Het een en ander heeft dramatische gevolgen gehad voor de leesbaarheid. De juridische invalshoek heeft geleid tot een zelf opgelegde bewustzijnsvernauwing bij de auteur die de lezer iedere bladzijde opnieuw plaagt: eerst alle rechterlijke ontwikkelingen en bepalingen van de gereformeerde kerk en dan, aan de hand van 'praktijkgevallen’ en met eindeloos geduld alle categorieën: bigamie, bloedschande, ongehuwd samenwonen, 'vleselijke conversatie’, mishandeling, verbreking van de trouwgelofte, overspel en verlating.
Vele personen passeren de revue, maar krijgen niet meer dan enkele regels en slechts voor zover ze dienstbaar zijn aan juridische argumentaties. De zondaars staan zich op iedere bladzijde te verdringen, maar blijven flets en anoniem.
Straffen vallen, de opperste verontwaardiging sleept kerkenraad en schouten mee, maar het zal de lezer een zorg wezen. Hij weet dan al dat de meeste aangiften werden gedaan door buren en/of familieleden. Bij hen begint het recht en de tucht. Probleemstelling of niet, de onophoudelijke aandacht voor argumentaties en uitzonderingen komt na honderdvijftig bladzijden op zijn zachtst gezegd over als kunstmatig.
Heel even, haast ondanks zichzelf, plaatst Van der Heijde het huwelijksrecht en de kerkelijke tucht in hun zeventiende-eeuwse omgeving als ze de vrijage van Paul van Rhee en Marij Kramers beschrijft. De hospita lichtte een diender in over het ontuchtige gedrag van het stel. 'Marij probeerde haar arrestatie te voorkomen omdat ze naer boven toegeloopen is, gaen leggen op een bedde daer twee oude luijden op gelegen hadde, de deken over haer hooft heeft gehaelt ende de diender haer daer van daen heeft gehaelt.’
Even zie je die zeventiende-eeuwers voor je, in hun houten huisjes, waar alles kraakte en het kleinste gerucht hoorbaar was. Even zie je ook het verliefde stel waarvan de hele buurt de gezichten kent. Maar daar is weer de priemende blik van de promotor, en schielijk gaat de paragraaf voort over 'verklikking’ als belangrijkste bron voor justitie en kerkenraad.
Aan het einde van een lange tocht door de kerkenraadsnotulen en rechtbankfolianten brengt de auteur de normen en waarden van die tijd ter sprake. Het gedrag van buren en familieleden moet volgens Van der Heijde vooral worden gezien als behorend in de 'schaamtecultuur’ van die tijd: 'De publieke reputatie bepaalde in grote mate het zelfbeeld, waardoor eigen verantwoording en persoonlijk schuldbesef van ondergeschikt belang werden geacht.’ De kerkenraad en rechtbank boden aan veel burgers een welkome mogelijkheid de reputatie van hun buurt of familie te beschermen. De schout en geestelijke op hun beurt gebruikten de vrees voor schande en afgang als een wapen om de openbare orde te handhaven.
Hier sluit de auteur aan bij het huidige wetenschappelijke debat over 'schaamtecultuur’ en 'schuldcultuur’. Schaamte is schade van eer en reputatie, schuld zou iets diepers zijn, individueler en oprecht ondergaan. Daar blijft het verder bij. Zo wordt nog haastig met wat antropologische streekjes een mens geschetst die zijn zingeving overlaat aan een soort marktje van reputatie en krediet. Ondanks het feit dat de Reformatie Europa op zijn grondvesten heeft laten schudden, is deze zestiende-eeuwer iedere godsvrucht vreemd. Het proefschrift is proefschrift gebleven. Huwelijk in Holland is taai, schatrijk en onbevredigend. Een goudmijn waar je doodmoe en met lege handen uitkomt.