Rijke slavernij

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse kroniek kan bespreken. Vandaag: de grote slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum is uitgesteld, maar een documentaire over de totstandkoming van het project wordt wel uitgezonden. ‘De tentoonstelling is een vorm van erkenning.’

O, dat bedrieglijk en slijtend geheugen. In de vroege jaren tachtig zag ik Avonturen aan de wilde kust, een NOS-serie over de Surinaamse geschiedenis van Jan Bosdriesz, gebaseerd op het gelijknamig boek van Albert Helman. Eindelijk gerechtigheid. Ik herinner me de opening: een antropoloog over de oorspronkelijke bewoners (Caraïben, Arowakken, Akoerio, Trio, Wayana – Indianen, om met Columbus te spreken). Hij vertelde dat nog altijd een heel dorp ziek werd als een verkouden buitenstaander op bezoek kwam. Die dorpelingen mochten, cynisch gesproken, nog van geluk spreken als je weet dat miljoenen op hun continent stierven aan infectieziekten sinds ze werden ‘ontdekt’ door Spanjaarden. Dat zij bovendien niet bestand bleken tegen plantagearbeid werd dan weer mede oorzaak van Trans-Atlantische slavenhandel. In de geschiedenis hangt veel ‘prachtig’ samen, als je het wil zien. Maar dan: ik herinner me ook dat in een later deel plots een fluitconcert van Mozart klonk. Die speelde als joch wel op het orgel van de Haarlemse Bavokerk, maar bij mijn weten nooit in Paramaribo. Het ging dan ook om een ander verband: Wolfgang had het stuk geschreven in opdracht van een Zeeuwse koopman. Wiens geld afkomstig was van slavenhandel en/of plantage-economie. Ik kan dat nergens terugvinden, of het zou om dr. Ferdinand Dejean moeten gaan, afkomstig uit Bonn, chirurgijn op schepen van de VOC, getrouwd met een rijke Engels-Indiase weduwe, woonachtig op Java, later in Amsterdam en besteller van meerdere fluitconcerten en -kwartetten bij Mozart, broeder in de Vrijmetselarij. Maar waar blijven slavenhandel en Zeeland?

Correct of niet, deze herinnering, schone kunsten verdiend met bloedgeld door slavernij en/of uitbuiting van arbeiders – ik vrees dat het kenmerk van een groot deel van de mensheidgeschiedenis is, van piramiden tot voetbalstadions in Qatar (als die mooi zouden zijn). Wat de specifieke vorm van slavenhandel en plantageslavernij ten koste van Afrikanen geen spat minder weerzinwekkend en gruwelijk maakt. Als bovendien voorouders van de witte Nederlanden daarin een belangrijk aandeel hadden, zowel in handel als in veld- en huisarbeid, dan rechtvaardigt dat veel groter aandacht dan er tot voor kort aan gegeven werd. Aandacht die het Rijksmuseum geeft in een tentoonstelling over slavernij die donderdag had zullen openen. Een documentaire over de voorbereiding gaat maandag 15 februari wel door. Ik ben benieuwd hoe de tentoonstelling door recensenten en publiek ontvangen zal worden. De Zuid-Afrika-expositie van 2017 leidde tot nogal wat kritiek als zijnde te weinig vaderlandkritisch. De bijbehorende tv-serie Goede Hoop (NTR) werd door criticasters meer gewaardeerd.

Mozarts fluitconcert vindt in de nieuwe tentoonstelling zijn equivalent in de samen met Frankrijk vijf jaar geleden aangekochte Rembrandt-portretten van Oopjen Coppit en Marten Soolmans. Met jubel en gemengde gevoelens binnengesleept (‘genaaid door de Fransen’), pontificaal gepresenteerd (president Hollande, Wim Pijbes: ‘gouder dan goudst’ – toen mocht dat nog gezegd) en artistiek de hemel in geprezen. Pas na die aankoop leerde uitgebreide research (en dat is op zichzelf al nieuw) dat de rijkdom van Martens vader kwam van een Amsterdamse raffinaderij van suiker uit de Caraïben – en wij weten wie daar gedwongen plantten en oogstten. Onder meer Martens schitterende (en schitterend geschilderde) schoenrozetten waren met hun arbeid en lijden betaald. Ook bleek dat Oopjens tweede man lang actief was in Nederlands Brazilië, waar bedienden gekocht werden, van wie ene Francesca door deze tweede Marten verkracht werd, waardoor een dochter werd geboren. Je kunt zeggen dat tienduizenden schilderijen in kunstmusea wereldwijd zulke schrijnende verhalen opleveren (over totstandkoming, betaling, al dan niet afgebeelde personages) maar als je, als Rijksmuseum met een historische opdracht die de kunstgeschiedenis overstijgt, een verhaal over slavernij wil vertellen (en dat ziet men in tijden van Black Lives Matter en het Zwarte Piet-debat als morele plicht), dan blijken er veel meer objecten in de collectie te zitten die op enige manier met slavernij verbonden zijn dan iemand had gedacht. Alle conservatoren, van welke kleur ook, zijn, vaak pijnlijk, verrast. Dat betekent dan wel dat je, waar die band niet direct zichtbaar of begrijpelijk is, met teksten naast de objecten moet werken. Die teksten zijn voor tachtig gekozen objecten gemaakt en blijven voorlopig ernaast hangen, ook als de thematentoonstelling is afgelopen. En dan maar hopen dat ze gelezen worden. Ik geloof niet dat de harde boreale-cultuur-minnende kern van Forum voor Democratie bekeerd wordt door zoiets – eerder dat die schande zal spreken van zulke schoonheidbezoedeling – maar een zichzelf respecterende beschaving legt rekenschap af, hoe laat ook. Een vorm van Bewältigung der Vergangenheit die kán bijdragen aan begrip voor de pijn die erfgenamen van de slavernij meedragen en te vaak nog zelf moeten ervaren. Dat dat tegelijkertijd juist woede over ‘Gutmenschen’ en ‘weg-met-onzers’ opwekt is onvermijdelijk.

Overigens, ik kan hier wel reuze ‘woke’ zitten doen: Zwarte Piet was lang een warme vanzelfsprekendheid in mijn, ons leven, tot de knecht dankzij activisten zijn vermeende onschuld verloor. Velen van hen zijn van kleur en spreken uit eigen pijnlijke ervaring. Maar wat me ook de ogen opende was een scène in Zwart als roet van Sunny Bergman, waarin ze met Sint en Piet een Londens park binnen ging. De ontzetting van het witte publiek wakkerde die van mezelf aan. Nee, natuurlijk gaf dat niet de doorslag: ik was al bekeerd. Maar nuttig was het wel om te zien dat wij hier kennelijk toch een gigantische blinde vlek hadden.

Het team conservatoren dat de tentoonstelling voorbereidde is etnisch gemengd, wat op zichzelf al een stap vooruit is. En wat vooral leerzaam bleek voor het witte deel, dat zich regelmatig bewust werd van een ‘white gaze’. Of een blinde vlek. Met nogal wat schuldgevoel ten gevolge. IJzersterk voorbeeld daarvan, en een van de zwaartepunten van expositie en film, ligt besloten in het enorme groepsportret van de schutterij van de Amsterdamse Wijk VIII door Bartholomeus van der Helst (1639). Schandalig genoeg zie ik eigenlijk op de televisie beter dan in de zaal, waar het terzijde van de Nachtwacht (1642) hangt, hoe knap dat schilderij is. Kunsthistorisch zal het niet bijzonder zijn en wellicht moet je de maker meer artisan dan artist noemen, maar wat een vakman dan toch. Als ik een groepsportret van mijn voetbalclubje zou laten maken, zou ik eerder bij Van der Helst dan bij Van Rijn langs gaan: dan wist ik zeker dat iedereen waar voor zijn geld kreeg qua herkenbaarheid, uitlichting, kledingkeus, haar en snor. Maar veel schandaliger is dat één personage op dat enorme doek me nooit echt opgevallen was, terwijl hij in het midden op de voorgrond staat. En dat blijk ik gemeen te hebben met de meeste witte kijkers, zelfs als die museumprofessional zijn. Niet zo gek, zult u zeggen als u schilderij en personage kent: als enige niet uitgelicht, donker van huid en tamelijk klein. Zeker, maar hoe komt het dat de meeste zwarte bezoekers hem meteen zien? Het oog is meer geconditioneerd dan we denken. En ja, het zwarte ventje is de enige zonder naam en geschiedenis. Zelfs zijn nette kloffie verdwijnt onder de rode mantel die hij voor zijn heer moet dragen. Hij is er, maar tegelijkertijd ook niet. Een ijzersterke metafoor dus. En voor zover hij er is, is dat als teken van welstand van zijn eigenaar. Black Lives Matter, museum en filmmaker zetten nu wel de schijnwerper op hem, figuurlijk. ‘Moriaantje’, zegt kunstenaar Felix de Rooy als hij met conservator Stephanie Archangel voor het schilderij staat. ‘Een object dat je kunt bekijken zonder dat je terug bekeken wordt’, want inderdaad is hij de enige die niet naar de toeschouwer of een van de anderen in het gezelschap kijkt. Stephanie kent het woord ‘Moriaantje’ niet. Daarvoor is ze waarschijnlijk te jong en misschien is dat vooruitgang te noemen: zij heeft het ‘zwart als roet’ kennelijk niet leren zingen. Wat ze met haar bewustzijn van nu verwerpelijk had gevonden. Zij is het ook die in een vergadering waar de titel van de komende tentoonstelling besproken wordt lachend ‘Slavernij, Marten en Oopjen’ suggereert. Tot algemene gegeneerde hilariteit, maar toch ook serieus.

Even terug naar dr. Dejean. Opeens in de documentaire verschijnt Reggie Baay, die niets met Suriname maar alles met Indonesië c.q. Indië van doen heeft. Die onder meer het indrukwekkende boek De njai schreef over het concubinaat van Indonesische vrouwen met Europese mannen, de voorouders van veel Indische Nederlanders zoals hij. Je verwacht hem daar niet, maar slavernij in ‘de Oost’ is veel minder bekend dan die in ‘de West’, terwijl het om nog veel meer mensen gaat. We zijn met hem in het stadhuis van Dokkum waar, verdomd, een schilderij hangt met in een wit gezelschap ook drie overduidelijk uit Indonesië afkomstige personages: slaafgemaakt. Meegenomen door een rijke dame. Zou de fluitspelende Dejean ook slaven gehad hebben? Bijzonder aan het schilderij is niet alleen dat de drie er op staan, maar dat ook bekend is hoe ze heetten (Rosette, Philander en Martha – typisch Aziatische namen, zeg dat wel) en hoe het hun is vergaan. En je voelt iets van Baay’s ontroering door herkenning en door de erkenning van een verzwegen onderdeel van de geschiedenis, waar hij door eigen wortels in de verte mee verbonden is.

Leedvergelijking is even onterecht als onvermijdelijk. De historicus Jürgen Kuczynski schrijft in zijn Het ontstaan van de arbeidersklasse dat de enige vrijheid die Engelse industriearbeiders in de achttiende en negentiende eeuw wel en slaven niet hadden, het recht was om dood te gaan van de honger. Hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum, Valika Smeulders, zegt dat ze zich in musea altijd bewust is dat de Martens en Oopjens die daar hangen hun rijkdom (en portretten) mede dankten aan een koloniaal systeem en slavernij. Ik, als product van generaties witte armoelijders, ben dát specifieke inzicht pas later gaan krijgen in een toen nog vanzelfsprekend witte wereld. Wel zag ik de tentoonstelling Arm in de Gouden Eeuw in 1966 (niet van het deftige Rijks, maar van het Amsterdams Historisch Museum) als daad van gerechtigheid. Maar de emotionele betrokkenheid die afstammelingen van kolonialisme en slavernij bij ‘historisch onrecht’ hebben is groter dan die van erfgenamen van witte ‘loonslaven’ inzake onrecht hun voorouders aangedaan. Dat laatste in veel gevallen ook door sociale stijging: het was een genot op het gymnasium deelgenoot aan de westerse cultuur te worden en je al die schoonheid en wijsheid toe te eigenen. En daarmee ‘bourgeois’ te worden, zij het links stemmend. Dat ‘bourgeois’ zal ook gelden voor Stephanie en Valika, wier familiegeschiedenis trouwens al eerder sociaal stijgend kan zijn geweest dan de mijne. Maar ‘kleur’ is en blijft iets anders, diepers, door geschiedenis en actualiteit nog pijnlijkers en blijvenders. En zichtbaar. Miskenning daarvan maakt de pijn nog groter. De tentoonstelling is een vorm van erkenning.

In de expositie, naast Marten en Oopjen, halsbanden die zowel voor hond als mens konden dienen. Kralenkettingen en hun betekenis, en waarom die op Sint Eustatius in 1863 door bevrijde slaven onder gezang van ‘We Don’t Give a Damn What the Master Says’ in zee werden gegooid – nu nog spoelen ze soms aan. In de expositie een gruwelijk loodzwaar houtblok met gaten waarin meerdere gestrafte slaven liggend vastgezet konden. In de expositie rijstaren die in vrouwenhaar waren gevlochten voor de vlucht van de plantage naar het oerwoud waar de trotse marrons hun eigen gemeenschappen opbouwden. (Trots en als ‘wilden’ geminacht door stadse afstammelingen van de slavernij, want discriminatie is geen exclusief wit voorrecht.) In de film een paar gedramatiseerde scènes, waarin bij voorbeeld het jochie van Van der Helst tot leven komt en transformeert tot eigentijds Mokummertje. In de film wit geworstel met de materie en wit schuldgevoel. Schuld is niet erfelijk, juridisch noch rationeel, maar de verantwoordelijkheid om het verleden onder ogen te zien is er altijd. En dat vooral met oog op hier en nu. Want toenemende tweedeling heeft een kleur.


Ida Does, Nieuw licht: Het Rijksmuseum en de slavernij, NTR, maandag 15 februari, NPO 2, 20.25 uur