Rijke vrouw

Geen rood, zei mijn dochter. Dan ben je zo'n loser in red.
Geen goud, zei mijn vriend. Je hebt van jezelf al zo'n uitzinnig hoofd.
Geen zwart, zei mijn zoon. Dan is het alsof je een afspraak met de lesbische liga hebt.

Zeker geen zwart, riep mijn dochter me nog eens na toen ik op missie ging. Je bent altijd al in het zwart.
Radeloos loop ik tussen de kledingrekken. Alles is rood, zwart, goud, zwart dat er blinkt. Ooit had ik zo'n trefzekere smaak. Ik trok wat aan, ik scheurde er wat vanaf, plaatste net een knoop anders, en hoppa.
‘Karen Millen!’ riep een vriendin, werkzaam in de journalistiek. 'Daar betrekt Barbara Beukering al haar jurkjes van.’
De laatste keer dat ik Barbara Beukering zag was op een zomerse borrel, in een hoofdstedelijke tuin. Ze lachte heel hard,
vooral om Theodor Holman. Nu moet ik ook altijd heel hard om Theodor Holman lachen, dus dat schept een band. Wat had ze ook alweer aan? Bij zo'n lach wordt de rest al gauw bijzaak. Iets bloots, iets korts.
Op weg naar Karen Millen kom ik langs de schappen met Ted Baker. Ook uit Londen. Ik voel de adem van m'n dochter in m'n nek als ik een zwart jurkje uit het rek pak. Deze heeft een heel bijzondere voorplecht, hoor ik mezelf soebatten. Een mooi ruitje is uitgesneden, net boven het decolleté. Ik pas ’m toch even. Alleen maar voor de zekerheid. Hele gesprekken ben ik al met m'n thuisfront aan het voeren.
Hm, ruitje valt net ín het decolleté. Als ik nu hier een beetje trek, dan valt het misschien nog mee…
Ik draai en keur en talm en denk opeens vol angstzweet aan de gelegenheid waarvoor ik deze jurk nodig heb. Na de eerste gang van het diner ben ik vergeten dat ik dat ruitje een beetje weg moet trekken en is mijn decolleté out there, in the open. Uit, weg ermee.
Hugo Boss heeft prachtige jurken. Zwart en knalroze. Oké, weg bij dat zwart. Maar roze? Of ben ik dan straks een loser in roze? Waarom denkt iedereen toch dat ik überhaupt ga verliezen?
Ik zie Karen Millen opdoemen. Veel tweed, ruitjes. Meer voor een kinky zakendiner, en niet voor een serieus feest. Rood rood rood. Best wel tarty allemaal. Drukknoopjes zus, ruche zo. Hier, iets langers. Zwart aan de zijkant, goud in het midden. Zwart én goud. Ik hoor de protesten in m'n oor aanzwellen. Maar heft het een (veilig zwart) het ander (uitzinnig goud) niet op, of is het juist taboe in het kwadraat?
En dan te bedenken dat ik gewoon zo van rood hou.
Opeens heb ik een witte jurk te pakken. Wit. Is dat niet heel decent? Of is dat belachelijk? Een loser in wit, is dat niet het állerergste? Dat je dan zelf ook nog aan jezelf gaat denken in termen van losers en winners, dat is nog wel het allerállerergste. Récht die schouders.
Toch maar die zwart-gouden proberen. Niet eens best wel tarty, ultiem tarty, om niet te zeggen ordinair. En dat voor dat geld! Opeens komt ook m'n moeder binnen. Het wordt te druk in dit hok.
Terug loop ik weer via Ted Baker. Ander zwart jurkje, stevige stof, soort glanzend damast. Beautiful outside and inside, lees ik op het etiket. Dat spreekt me aan. Inderdaad, de voering is fabulous, met een dessin van kroonluchters. Zou ik daarmee thuis kunnen komen, een jurk die ik binnenstebuiten ga dragen? Ik kijk op m'n horloge en besluit van yes.
Eenmaal thuis is het trap op trap af. Kijk, deze jurk kan zo… Zwart. Beleefde instemming alom. Mooi, maar zwart. En dan de verrassing: kroonluchters. Aarzeling op ’t gezicht van m'n dochter. Murw na een dag pashokken zeg ik dat ze eerlijk moet zijn.
Die voering doet niet zoveel voor je, klinkt het dan.
Sinds argeloze burgers op televisie worden uit- en aangekleed door stilisten stáán de dingen je niet eenvoudigweg meer, maar dóen ze niks voor je.
Vertwijfeld kijk ik naar mijn kledingrek, kromgebogen van al het zwart. Eén teerhartig jurkje piept er tussenuit. Glanzend maar niet goud. Twintig jaar geleden gekocht in een tweedehandswinkel. Vintage cocktail dress. Niet bloot, wel kort. Als ik snel ben, kan ik nog net naar de Gouden Schaar.
De Chinese kleermaker kent me langer dan vandaag.
'Langer maken?’ roept hij blijmoedig als ik alleen nog maar de deur laat klingelen.
Ik knik en haal de jurk te voorschijn. 'Ik heb ’m alleen straks al nodig.’
Het zweet staat op m'n voorhoofd. 'Ik betaal u het dubbele.’
Hij grijnst. 'Jij bent slim.’
Ik knik stom.
'Ik hoorde je op de radio. Over je boek.’
'Echt?’
'Jij hoeft hier straks niet meer te komen’, zegt hij. 'Morgen ben je een rijke vrouw.’
Eindelijk iemand die erin gelooft.