Naar Brits voorbeeld

Rijksportrettengalerij

Ontruim de Aziatische kunst uit de Zuidvleugel van het Rijksmuseum en vestig hier een Rijksportrettengalerij. Naar voorbeeld van de Londense National Portrait Gallery, die deze zomer weer een succesvolle BP-Award-tentoonstelling heeft.

Hoeveel olifantendrollen kan een mens verdragen? Zo luidt al jaren de meest prangende vraag in de moderne kunst. Puur op lichaamskracht moet het menselijk lichaam toch wel een behoorlijk aantal kilo’s kunnen verwerken. Zo was in 1998 de lucht op de tentoonstelling van de Turner Prijs goed te harden, ook al had dat jaar de winnaar van deze belangrijkste Britse prijs voor moderne kunst zijn schilderijen van olifantenpoep vervaardigd. Ook later opduikende olifantenpoep, onder andere een olifantendrol als de (rechter-)borst van de Madonna, vormde geen noemenswaardige fysieke problemen. En van de slang van olifantenstront en rubber, die momenteel te Watou pronkt, genoot ook de Groene-recensent met volle teugen.

Nee, het bombardement op het reuk orgaan was de afgelopen jaren niet mis: veel rottend fruit en vlees, strontvliegen, oud bloed en nog meer poep. De moderne kunst vroeg bijzonder veel van het inlevingsvermogen van de toeschouwer. Het beslapen en vooral bevuilde bed van Tracy Emin, de Auschwitz-kunst en de poppen met penissen als neus en anussen in plaats van monden van de gebroeders Jake en Dinos Chapman; het werd kortom wachten op een herwaardering van de meer figuratieve kunst. En als de jury van de Turner Prijs nog even doorgaat met het bekronen van onzin als een aan- en uitgaand zaallicht (winnaar Martin Creed) slaat de tegentrend straks zo hard door dat elk niet op de werkelijkheid gelijkend kunstwerk ogenblikkelijk verdacht is.

Daarom was het pleidooi van de Nederlandse roepende gek in de woestijn Diederick Kraaijpoel sympathiek. Hij zette niet zozeer een aanval in tegen abstracte en conceptuele werken, maar beklaagde zich over de agressieve wijze waarop een hele traditie van schilderen opzij is geschoven.

Een van de belangrijkste onderdelen van de traditie die onder het geweld van agressief modernisme werd bedolven is de portretkunst. Portretten van andere mensen, dus niet de door het zelf geobsedeerde kunst van egomaniakken die hun materiaal van, rond en in het eigen lijf vinden. In Nederland gaat een aantal kunstenaars als Sam Drukker, Marthe Röling en Peter Klashorst weliswaar een eigen richting op, maar is een groot deel van de portrettraditie inmiddels in de hobbykamer beland. Het portret dat Sam Drukker van Koningin Beatrix mocht maken werd overigens afgekeurd, zo werd de schilder niet door de koningin maar door haar Rijksvoorlichtingsdienst te verstaan gegeven.

In Engeland is er de door veel BritArt-kunstenaars minachtend als een soort van Madame Tussaud bekeken National Portrait Gallery. Maar het tij keert, zeker sinds in 1994 Charles Saumarez Smith directeur werd van die National Portrait Gallery — inmiddels is hij benoemd als directeur van de National Gallery.

In acht jaar tijd verdubbelde hij het bezoekersaantal. Om te laten zien dat portretteren niet iets is dat na de zeventiende eeuw nooit verder is ontwikkeld, verzorgde hij de een na de andere succesvolle tentoonstelling. Onder het motto «wat de Turner Prize kan met conceptuele kunst, kan ik met portretkunst», richtte hij een tentoonstelling in met foto’s van modefotograaf Mario Testino (tienduizend bezoekers per dag! Dezelfde tentoonstelling was overigens ook te zien in het Amsterdamse fotomuseum FOAM) en gaf hij kunstenaar Marc Quinn opdracht een portret te maken van de geleerde Sir John Sulston nadat deze de Nobelprijs had gewonnen voor zijn bijdrage aan het Human Genome Project. Sir John Sulston, de beroerdste niet, stond onder meer een dosis sperma af opdat de kunstenaar een zo nauwkeurig mogelijk gelijkend DNA-profiel kon vervaardigen. Het resultaat lijkt in de verste verte niet op de menselijke gestalte die wij kennen, maar is op zijn eigen manier juist wel een exact portret van een mens. Waarmee Saumarez Smith maar had aangetoond dat portretkunst niet synoniem is aan figuratieve kunst en welzeker een mate van abstractie kan vertonen.

De National Portrait Gallery vertoont in haar permanente tentoonstelling een indrukwekkende collectie beroemde en minder beroemde Britten. Zo ongeveer het eerste wat we als baby herkennen is het menselijke gelaat, en de directe wijze waarop onze hersenen worden bereikt wanneer we kijken naar een gezicht maakt dat de geschiedenis zich door middel van portretten op een aangename manier ontrolt. Een aantal laat-negentiende-eeuwse schrijvers bij elkaar, politici uit het midden van die eeuw, of journalisten uit het begin van de vorige eeuw — met de gezichten die de geschiedenis hebben gemaakt wordt die geschiedenis menselijker en levendiger. Saumarez Smith heeft er wel voor gezorgd dat de collectie al is aangevuld met David Beckham, Stephen Fry en Lady Di. En in de kelder loopt momenteel een kleine tentoonstelling met portretten van deejays, die trouwens behoorlijk saai zijn gefotografeerd.

En er is de BP-Award, (hoofdprijs: 25.000 Britse ponden plus een portretopdracht). Voor deze prijs, elk jaar toegekend aan een schilder onder de veertig, staan in de regel niet-bekende mensen model. De kijker moet het doen met niets dan het schilderij. Zonder dat de jury het model in levende lijve of op een foto gezien heeft, moet — en hier komt de jury aan het woord: «de specifieke karakteristiek van de uitgekozen persoon, en iets van hun persoonlijkheid en psychologie» — worden blootgelegd.

Want portretten zijn er niet zomaar voor het mooie schilderij. Er zijn portretten van mensen die we kennen, van Wim Kok die we op televisie zagen, van Winston Churchill die we van foto’s kennen of van Karel de Vijfde die we slechts van schilderijen, prenten en geschreven portretten kennen. Alle zijn ze spannend omdat ze een visie op de geportretteerde brengen. Vaak in uren durende sessies hebben model en schilder zich afgezonderd. Wekenlang heeft de schilder gestudeerd op de zijns inziens karakteristieken van zijn model. Een geslaagd portret is er een waarin een overtuigende visie wordt gegeven die liefst onthullend is en de blik op de geportretteerde persoon blijvend verandert.

In het geval van een onbekend model bereikt de maker dezelfde intimiteit met zijn model, maar legt nu iets bloot dat appelleert aan ons idee van wat menselijkheid is. In haar essay uit de minicatalogus van de BP-Awards schrijft A.S. Byatt onder meer over het verschil tussen fotografie en portretschilderen. Dat is een typisch voorbeeld van een saaie theoretische en wellicht ook enigszins overbodige discussie. Om die nog ingewikkelder te maken, bevindt zich tussen de twee disciplines een grensgebied waarin Gerhard Richter is getreden toen hij uiterst precies foto’s naschilderde.

Hoe dan ook, in Byatts betoog over de verschillen staat een prachtige zin die misschien niet absoluut waar is, maar waarin iets over de aantrekkingskracht van het bekende dan wel anonieme portret wordt verwoord. Ze schrijft: «The soul of a photographed person is his of her own, even if sneaked upon, or surprised. The soul of a painted person is what the painter has made of what he or she has seen.»

Een geslaagd portret legt iets van de menselijke ziel bloot. In een tijd waarin de beelden je om de oren vliegen, waarin je niet op straat kunt lopen zonder dat de van onder tot boven geretoucheerde reclamefoto’s, maar ook mooie affiches je blikveld binnendringen, is het aan de portretschilder om in uren durende sessies een persoon te ontleden en in een originele interpretatie te vangen, die — nogmaals — dus helemaal niet keurig figuratief hoeft te zijn. Geen kapsel, kleding, lip-gloss of siliconen vermag de goede portretschilder om de tuin te leiden. Niet iemands uiterlijke verschijning wordt afgebeeld, maar dat wat aan die uiterlijke verschijning ten grondslag ligt, wordt nauwgezet weergegeven.

De BP-Award kent dit jaar ongeveer evenveel mooie als lelijke portretten. Een indrukwekkend aantal portretten is zo simpel en afgezaagd dat het in elk willekeurig Goois of Aerdenhouts trappenhuis had kunnen hangen. En het kan haast niet of verschillende zijn niet in modelsessies tot stand gekomen maar nageschilderd van foto’s.

Maar er zitten ook juwelen bij de inzenders. Het portret van Sarah Pilmer door Josie McCoy, waarin de kleuren werken als op een overbelichte foto. De bejaarde man die van onderaf geschilderd met zijn grasmaaier in de hand toch God is in eigen tuin. En de man die op een kijk-mij-nou-manier met schuin gezicht en zelfverzekerd de kijker aanstaart. De 21-jarige studente Charlotte Harris is de niet onterechte winnaar met het portret van haar grootmoeder, aan wier doorleefde gezicht de dood al trekt, zichtbaar gemaakt doordat de huid is geschilderd als was het die van een wassenbeeld.

Vorige maand werd het portret van prins Philip, de man van koningin Elizabeth II, opgeleverd. Het portret is prachtig en veelzeggend. Stuart Pearson Wright heeft de proporties van het hoofd van prins Philip in zijn portret net iets veranderd, de nek is iets te lang en alles iets uitgerekt. De laatdunkende blik, de stijve mond en strakke nek — alles aan de prins ademt uit dat hij dit, zeg maar: mensen, ofwel lager geklasseerden in het algemeen, maar niks vindt.

Een eerste versie werd, en het gebeurt echt niet vaak dat iemand zich zo laat kennen, afgekeurd door de beledigde prins. En ook over de gelijkenis van de tweede versie was hij niet bijzonder blij gestemd. Volgens Wright antwoordde de prins desgevraagd: «I bloody well hope not.» De teleurgestelde Wright, die de opdracht had gekregen als BP-Award-winnaar, vertelde dat hij bij zijn tweede poging slechts vier sessies van een uur had gekregen en verder van foto’s had moeten werken. Belachelijk, zo vond hij. «The whole point of painting portraits is that it’s an interaction between two people.»

De rijke Engelse portrettraditie bestaat naast de even rijke Angelsaksische biografische traditie. Maar van historische biografieën is in Nederland de afgelopen tien jaar het aanbod spectaculair toegenomen. De belangstelling voor de mannen en vrouwen die de vaderlandse geschiedenis maakten gaat hand in hand met een hernieuwde belangstelling naar de Nederlandse identiteit. Bij gebrek aan sterk gezag, gerecht en geloof zoekt men aanwijzingen in het verleden. Wat leert ons de traditie? Waren er vroeger bij die wel wisten hoe het moest?

Regionale notabelen, zeehelden — ze keren de laatste tijd steeds vaker terug op tentoonstellingen. Het is tijd kortom dat Nederland zijn eigen volwassen portrettengalerij krijgt. En wel in de Zuidvleugel van het Rijksmuseum, alwaar de collectie Aziatische kunst is te zien. Wie van al die buitenlandse en binnenlandse toeristen komt er naar het Rijksmuseum om Aziatische kunst te zien? Een Japanner? Zonder ook maar iets af te doen aan de waarde van die collectie. Integendeel: om haar als afzonderlijke en zeer belangrijke collectie juist apart, in een eigen context, voor het voetlicht te brengen, zou ze veel beter af zijn in het Tropen museum of in het Scheepvaartmuseum — dan wel om te dopen tot Koloniaal Museum.

Met een eigen hoofdingang in de met veel meer beelden te bezetten tuin aan de Jan Luykenstraat zou Nederland er een prachtige kunstattractie bij hebben, die in ieder geval een veelvoud zou trekken van het aantal bezoekers dat nu, verdwaald op weg naar de Nachtwacht, per ongeluk de Zuidvleugel binnenstapt. De vaderlandse geschiedenis zou op een wijze kunnen worden gepresenteerd die nieuwe inzichten brengt.

Nederland kent al collecties van tienduizenden portretprenten en –schilderijen waaruit kan worden geput. En, even belangrijk: de traditie, pardon, de kunst van het portretschilderen zou een geweldige stimulans krijgen. Om de hedendaagse geschiedenis te bestrijken zou de Rijksportrettengalerij opdrachten aan belangrijke kunstenaars van nu kunnen verstrekken en tentoonstellingen van hedendaags werk kunnen inrichten.

Prachtige kortlopende tentoonstellingen zou het Museumplein te Amsterdam kunnen verkrijgen. En zonder een algemene keuze te maken tussen het zwaartepunt op de schilderstraditie of op de maatschappelijke relevantie. Organiseer een tentoonstelling over hoe de Vlaamse primitieven de gezagdragers hun statigheid toeschilderden. Of over de kinnebak van Karel de Vijfde. Die vorst had zo’n vooruitgeschoven kin dat hem het netjes eten onmogelijk was; van bovenaf stortte hij het voedsel naar beneden en langs zijn centenbak droop het omlaag. Elke portretschilder bracht hij de handen in het haar. De een portretteerde hem als een denker met de hand voor de kin, de ander vermeed het zijaanzicht. Er is een prachtige reeks te maken van de verschillende oplossingen die zijn bedacht (en niet alleen voor Karel want al die Habsburgers hadden zo’n kin).

Maar wie ook niet mag ontbreken is Pim Fortuyn. Hoe zagen hij en zijn volgelingen hem? Raakt de hem toegeschilderde grandeur die van de oud-Hollandse statieportretten, juist van de vroege Italianen, of vinden we hier reminiscenties aan religieuze kunst? Dat is geen buigen voor de massa, maar een uiterst interessant deel van de hedendaagse geschiedenis. Nochtans is Pim Fortuyn alleen te zien bij Madame Tussaud.