Rijmbehoefte

Als herfstbladeren dwarrelen de rouwkaarten op de deurmat. Ik weet het niet zo met metaforen en de dood overigens. Alsof het al niet erg genoeg is dat ze daar liggen, die rouwkaarten. Waarom dan nog die herfstbladeren erbij gehaald? Het zal wel te maken hebben met een onuitroeibaar verlangen de boel een beetje op te smukken. Zou dat ook de reden zijn dat nogal wat rouwkaarten een tekstje bevatten dat rijmt?
Een van mijn liefste ooms ging dood.
‘Timmerman en uit het goede hout gesneden,
is op 86-jarige leeftijd overleden.
Liefdevol omringd door al zijn dierbaren,
is hij van ons heengevaren.’
Zolang je het maar op elkaar kan laten rijmen, is het allemaal niet voor niets geweest. Zoiets moet achter die rijmbehoefte schuilgaan. Ongeveer hetzelfde geldt voor het gebruik van uitroeptekens op rouwkaarten. Pas dan is het echt erg. We zullen hem zo missen! Terwijl alles er alleen maar banaler en schreeuweriger op wordt. Oprecht verdriet en opzichtig rijm, ze vloeken in mijn ogen.
Terwijl, en dat is het gekke, ik van ‘echte poëzie’ vind dat ze moet rijmen. Sinds ik Joseph Brodsky dit jaren geleden hoorde zeggen tegen Ben Okri, in Wim Kayzers televisie-epos Vertrouwd en o zo vreemd, ben ik ook niet bang meer openlijk iets dergelijks te verlangen van een gedicht. Dat gezicht van Okri toen Brodsky hem kalmpjes uitlegde dat een gedicht alleen overlevingskans had als het rijmde! Alsof hij met een lul op zijn bek werd geslagen, om een van de favoriete metaforen van mijn oom zaliger er nog maar even bij te halen. Te meer daar Ben Okri net met veel pathos en eigenliefde had voorgedragen uit eigen werk, dat duidelijk een poëtische strekking had maar ten enenmale níet rijmde, wel een half uur lang. En dan die maar níet onder de indruk gerakende Joseph Brodsky ernaast.
Álles heb ik daarna van Brodsky gekocht en gelezen, al had dat ook weer te maken met een ander moment in diezelfde documentairereeks waarin Kayzer zich een soort meesterslager betoonde die met feilloze precisie zijn slachtoffers op de bank legde, op zoek naar hun pijnlijkste herinneringen. Brodsky was verbannen uit Rusland en had sporadisch telefonisch contact met zijn ouders. Het sneeuwde altijd en de verbinding was slecht, zoiets. En er werd afgeluisterd door de KGB, natuurlijk. In een van die moeizaam tot stand gekomen gesprekken met zijn vader vroeg Brodsky, en terwijl hij dit aan Kayzer vertelde was hij al wat vaker dan normaal over zijn kin aan het strijken, naar zijn moeder. Waarop het even stil werd aan de andere kant van de lijn, en het ook even stil werd op televisie. Weer die greep naar de kin, en toen herhaalde Brodsky met horten en stoten hetgeen hem door zijn vader werd medegedeeld: ‘Mama… is no more.’
Ik bedoel: ik hecht wel aan een zekere vormvastheid. Niet alleen omdat ik me anders al snel geflest voel – iedereen kan wel interessant doen met grote woorden en witregels – maar ook omdat dat nu juist de kunst is.
‘Waarom heb je voor deze vorm gekozen?’ vroeg uitgever Vic van de Reijt aan Theodor Holman bij de presentatie van diens nieuwe boek. Deze herdenkt zijn vijf jaar geleden vermoorde vriend Theo van Gogh in Theo, Theo met zo’n tweehonderd sonnetten.
‘Wil je een serieus antwoord?’ vroeg Holman. En hij vertelde het altijd mooi gevonden te hebben dat als er een grote gebeurtenis is er een gedicht over wordt gemaakt.
Een poëtischer antwoord is in de tekst zelf te vinden, de beginregel van het tiende sonnet: ‘In elke regel wil ik Theo kneden.’
Poëzie mag niet zwabberen, maar moet triomferen over willekeur en toeval. Alleen met een strikt rijmschema valt woede en verlies te bedwingen.
Mama is no more.
De moeder van een goede vriend ging dood. Zonder gedichtje op de rouwkaart – is er wel eens onderzoek gedaan naar het verband tussen rijmbehoefte en sociale klasse? – maar wel met een klinkende toespraak bij de begrafenis. Mijn vriend had er alles aan gedaan om de zaak in de hand te houden. Zijn jasje zat goed, zijn stropdas hing recht, en hij had een vel papier om zich aan vast te klampen. En wat bleek? Hij had echt een verhaal geschreven, met een kop en een staart, en zelfs een pointe waar om gelachen kon worden. We hoefden helemaal niet te huilen, dit was gewoon een goed verhaal. Om het nog erger te maken, werd hij daarmee na afloop gecomplimenteerd alsof hij net een zilveren bruidspaar had toegeklonken, of de jubilerende buurman.
‘Het gaat om de vorm’, zei een wederzijdse kennis ook nog, ervaren spreker, de kruimeltjes cake van zijn overhemd schuierend.
Ik dacht: het gaat om zijn moeder, en die is dood. Misschien moet je daar wel niet tegenop willen.