Tien jaar na de moord: De radicalisering van Mohammed Bouyeri

‘Rijst op uit jullie slaap’

Nog maar kort voor zijn moord op Theo van Gogh probeerde Mohammed Bouyeri een ‘goede Marokkaan’ te worden. Hassan Bahara groeide net als hij op in Amsterdam-West, en herkent de gevoelens van wrok, frustratie en zelfhaat. Een voorpublicatie.

Medium mb2

Wie wil er nu een Marokkaan zijn? Als negentienjarige was ik in ieder geval liever iets anders geweest. In die tijd, 1998, werkte ik als conciërge in het stadsdeelkantoor van Slotervaart/Overtoomse Veld aan het August Allebéplein. Het was een ideaal baantje. Het lag op minder dan tien minuten fietsafstand van huis en het salaris was redelijk.

Op 23 april 1998 werk ik er ongeveer een half jaar. Die dag staat medetiener Mohammed Fenich naast een brandende prullenbak in de buurt van het August Allebéplein. Fenich heeft niets met het brandje in de prullenbak te maken, maar wordt er toch voor ingerekend. Er bemoeien zich een heleboel mensen tegen de arrestatie aan, uiteindelijk rond de tweehonderd man, Marokkaanse vaders en zonen. De politie roept de versterking in van de ME. De avond eindigt in vernielingen, arrestaties en gewonden.

‘Marokkanen contra Politie’, kopt De Telegraaf de volgende dag.

Een paar dagen later last de stadsdeelraad een extra vergadering in. Er is spreektijd gegeven aan een woordvoerder van de jongeren uit de buurt. Hij komt later aan dan ingepland. De woordvoerder draagt een korte sportbroek, gympen. Zijn bovenkleding bestaat uit een giletje. Daaronder draagt hij niets. In zijn blote bast loopt hij naar de microfoon en begint tekst van een papiertje te lezen. Het is een lange lijst klachten en eisen, samen te vatten met ‘jongeren worden niet gehoord, wij willen een buurthuis’. Daarna vouwt hij het papiertje op en zonder de reactie van de raadsleden af te wachten loopt hij het stadsdeelkantoor uit.

Dit is ‘de kloof’ in full effect, de onoverbrugbaar geachte afstand tussen politiek en burgers. Iedereen voelt zich ongemakkelijk bij de verschijning van de Marokkaanse jongerenwoordvoerder. De raadsleden – grotendeels wit, man, autochtoon – kijken hem met grote ogen aan. Maar ook de jongerenwoordvoerder lijkt zich ongemakkelijk te voelen. Hij ratelt zijn lijstje eisen en klachten zo snel mogelijk af. Hoe minder tijd hij kan doorbrengen in dit witte bolwerk, hoe beter.

Tussendoor bezorgt een groepje Marokkaanse jongens dat door een buurtwerker van straat is geplukt mij handenvol werk. Ze sluipen door het stadsdeelkantoor en verstoren de raadsvergadering met hun gejoel en baldadigheid.

‘Dat zijn hufters, klootzakken’ die ‘chronisch niet willen deugen’, zegt stadsdeelvoorzitter Henk Goettsch in 2002 in De Groene Amsterdammer over de Marokkaanse jongeren uit Slotervaart/Overtoomse Veld. ‘Die moeten keihard worden gearresteerd en naar heropvoedingsgestichten worden gestuurd. Als dat niet helpt sturen we ze terug naar Marokko. (…) Wat dat betreft ben ik helemaal into Fortuyn.’

In het stadsdeelkantoor staat een computer met internetaansluiting. Die is voor publiek gebruik. Op rustige uren kruip ik er zelf achter. Een van de sites die ik geregeld bezoek is degezonderoker.nl, van columnist en cineast Theo van Gogh. Hij is al vroeg actief op het internet. Zijn provocerende teksten werken als ramptoerisme: het biedt een vreselijke aanblik, maar uit nieuwsgierigheid kun je je ogen niet afwenden. ‘Ik ben van mening dat juist Marokkanen ons diepste wantrouwen verdienen’, schrijft Van Gogh in een column waarin hij refereert aan de rellen op het Allebéplein. Twee weken later gaat hij explicieter op de rellen in. ‘Rivieren van bloed zullen volgen’, concludeert hij, want ‘Marokkanen’ zijn een ‘agressieve minderheid’ met ‘onverdraagzame, niet tot aanpassing geneigde leden’.

Ik kan er niet om lachen. Dit leest als een rochel in mijn gezicht. Het is de achteloze minachting die mij treft. Tegelijkertijd denk ik: was ik niet een Marokkaan (in Amsterdam-West) geweest, dan was dit soort drek mij bespaard gebleven.

‘Het hele verhaal van dat ik mij beledigd zou voelen als Marokkaan of omdat hij mij geitenneuker zou hebben genoemd, dat is allemaal niet waar’, zegt Mohammed Bouyeri in 2005 in een Amsterdamse rechtszaal over zijn motieven voor het doden van Theo van Gogh. ‘Ik heb gehandeld uit geloof.’

‘Hij was timide en oplettend. Hij wilde carrière maken. Hij moest hard leren om zijn diploma te halen’

Inderdaad, Mohammed handelde uit geloof toen hij Van Gogh op 2 november 2004 doodde. Maar de daad en Mohammeds transformatie tot een gewelddadige extremist hebben een aanloop en die begint wel bij zijn Marokkaans-zijn, en de haat en zelfhaat die hieraan ontspringen. Het kan ook niet anders, hij is een Marokkaan uit Amsterdam-West.

Opgroeien in Nederland als Marokkaan houdt in dat je vroeg te horen krijgt dat je tot een problematische bevolkingsgroep behoort. Tegelijkertijd wordt nadrukkelijk de boodschap meegegeven de opdracht te voltooien die onze ouders naar Nederland heeft gebracht: slagen in het leven, hogerop komen. Het Marokkaanse kind dat daarvoor ontvankelijk is, knoopt de opdracht des te beter in zijn oren als het gevoelig is voor wat er in zijn omgeving gebeurt: Marokkaanse buurjongens die wegzakken in miezerige criminaliteit, vaders die massaal werkloos thuis zitten. Slagen in Nederland is dan niet alleen ter persoonlijke verheffing, het moet zin geven aan de migratie van al ons Marokkanen.

Mohammed wordt op 8 maart 1978 geboren in Amsterdam-Oost. Vanaf zijn zevende groeit hij op in Slotervaart/Overtoomse Veld. Mohammed wordt een havo-leerling op het Mondriaan Lyceum bij hem om de hoek. Op de havo terechtkomen is geen geringe prestatie in een milieu waar de meeste Marokkaanse jongeren doorstromen naar lagere beroepsopleidingen. ‘Hij was timide en oplettend’, zegt een leraar van het Mondriaan Lyceum in 2005 in NRC Handelsblad over Mohammed. ‘Hij wilde carrière maken. Hij moest hard leren om zijn diploma te halen.’

In het _NRC-_artikel wordt Mohammed geschetst als onderdeel van een groepje ambitieuze Marokkaanse jongens die minimaal een mbo-diploma op zak hebben. De plaatselijke politie kan het goed met ze vinden, ze zijn een dankbaar aanspreekpunt in het geval van overlastproblemen.

Ik, leeftijd- en buurtgenoot van Mohammed, en eveneens een havist, maak in die tijd ook deel uit van een groepje ambitieuze Marokkaanse jongens. We zitten op de havo, het vwo. Ons succes zal afstralen op andere Marokkanen. Een grote verantwoordelijkheid, maar een die we met trots dragen. Er is genoeg tegenslag – de constante problematisering van Marokkanen in politiek en media, ouders die niet in staat zijn ons te begeleiden, de verloedering en verpaupering van onze buurten en huizen – maar het is aan onze schoolprestaties en jeugdigheid te danken dat we ondanks alles kans op verbetering en progressie blijven zien.

Wel sluimeren de zelfhaat, de frustratie en wrok al onderhuids. Thuis en op straat vangen we de theorieën op die de achtergestelde positie van Marokkanen verklaren: Nederlanders zijn fundamenteel racistisch en werken ons tegen; wij – Marokkanen – moeten gewoon erkennen dat we niet willen deugen; onze achtergrond is niet verenigbaar met de westerse cultuur; we worden te veel gepamperd; we worden te veel aan ons lot overgelaten, aldus ouders en Nederlanders. Het creëert zowel een gerechtvaardigd als een ongerechtvaardigd gevoel van slachtofferschap. Erg veel consequenties heeft dit nog niet. Onze carrière op de middelbare school verloopt voorspoedig.

We beginnen pas te wankelen als onze wereld groter wordt dan Slotervaart/Overtoomse Veld en eind jaren negentig de problematisering van Marokkanen een tandje wordt opgevoerd.

In 1997 gaat Mohammed studeren aan de Hogeschool Holland in Diemen. Hij zal uiteindelijk vijf jaar doorbrengen op de school en verschillende opleidingen volgen maar hij zal er niet een voltooien. In de jaren negentig is de uitval van allochtone leerlingen op het hbo en op universiteiten relatief hoog. Onderwijsachterstanden spelen daarbij een rol, maar ook culturele aanpassingsproblemen zorgen ervoor dat allochtone studenten vroegtijdig de opleiding staken.

Ik schrijf mij eind 1998 in op de Hogeschool Holland voor de opleiding tekstschrijven. Het aantal Marokkaanse leerlingen op Hogeschool Holland is minimaal. Ik kom terecht in een klas die voor meer dan 95 procent wit en autochtoon is. Ze zijn niet alleen getalsmatig overweldigend, maar ook in karakter en overtuigingen. Het is een mondig slag mensen, ze noemen docenten bij hun voornaam, en hebben geen moeite de lesstof openlijk te bediscussiëren en te bekritiseren. De Marokkanen en andere allochtonen op Hogeschool Holland voelen zich niet op hun plek. We snappen de humor van onze Nederlandse klasgenoten niet, hun brutaliteit niet, hun vroegwijsheid niet. We zijn serviel, gericht op het braaf stampen van lesstof, niet op onbelemmerde zelfexpressie in de klas.

De meeste Marokkanen op Hogeschool Holland komen net als ik uit Amsterdam-West. Het contact met elkaar is snel gelegd. We zoeken elkaar op om de eenzaamheid te verlichten. Onderling is het mogelijk vrijuit te schelden op onze Nederlandse klasgenoten en docenten. Het lucht even op om anderen te treffen die met dezelfde aanpassingsproblemen te maken hebben. Maar dat voorkomt niet dat de aansluiting bij de klas en de opleiding voor sommigen van ons met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker wordt. De achterstand groeit, de cijfers kelderen. We blijven steeds vaker weg van de lessen. De frustratie hierover neemt toe. We zijn de ‘goede Marokkanen’ die hard hebben gewerkt om een middelbareschooldiploma te halen. Op het hbo komen we plotseling niet meer mee. We voelen ons gedwarsboomd door een ondoordringbare Nederlandse wereld. Wat we altijd gehoord hebben begint meer waarheid te worden: Nederlanders moeten ons niet, hoe goed we onze best ook doen.

‘Wij Marokkanen zijn goed genoeg om als contactpersoon gebruikt te worden, zolang we geen initiatieven nemen’

‘Studeren is niet weggelegd voor ons soort mensen’, zegt Karim, een Marokkaanse jongen met wie ik op de middelbare school zat en die na enkele voortijdig gestaakte hbo-opleidingen gaat werken. Karim reageert nog gelaten. Andere studerende Marokkaanse jongens die ik ken reageren verbaal agressiever op het gevoel van uitsluiting.

Ik kan mij Mohammed op Hogeschool Holland niet herinneren, maar onze paden moeten elkaar in die kleine Marokkaanse biotoop vast gekruist hebben. Hij verruilt zijn studie accountancy aan de Hogeschool Holland al gauw voor een studie bedrijfsinformatica maar volgt de opleiding halfslachtig. Hij begint als prille twintiger steeds sterker het gedrag te vertonen dat volgt op het gevoel van uitsluiting. ‘Hij kon heetgebakerd zijn, als hij het idee had dat hij gediscrimineerd werd’, zegt een vriend van Mohammed over hem in de NRC van 2005. ‘Dan kon hij tekeergaan.’

Medium mb1

Tussen 1997 en 2004 begint Mohammed ook op een gewelddadige manier te ontsporen. Het loopt synchroon met zijn mislukkende schoolcarrière. Hij begint steeds minder de trots van de Marokkaanse gemeenschap te worden. In de zomer van 2000 begaat Mohammed een van zijn eerste symbolische geweldsdaden. Met enkele andere jongens bestormt hij op een avond café De Kooi, dat onderdeel is van de Hogeschool Holland, en raakt in gevecht met andere bezoekers.

Ik ben hooguit drie keer in De Kooi geweest. Het is een ‘kroeg’ met donkerbruin interieur. Er wordt bier geschonken, in grote hoeveelheden. Ik heb geen problemen met alcohol. Ik heb wel problemen mijn aanwezigheid in De Kooi net zo vanzelfsprekend te vinden als mijn Nederlandse klasgenoten. Andere Marokkaanse leerlingen praten met meer wrevel over De Kooi omdat het zo duidelijk een Nederlands bastion is met subtiele uitsluitingsmechanismen. Ik ontmoet in 2005 een Marokkaanse jongen die ook op de Hogeschool Holland zat en betrokken was bij de vechtpartij in De Kooi. Hij vertelt hoe hij en anderen – waaronder Mohammed – De Kooi binnengingen en doelbewust de confrontatie zochten met de aanwezige Nederlanders. Ze tarten op hun terrein, waar ze zich heer en meester wanen. Het is een kleine wraakneming waar de jongen vijf jaar later nog steeds van kan genieten.

Mohammed wordt na de vechtpartij in De Kooi alleen maar agressiever. In 2001 raakt hij in het Vondelpark in gevecht met ene Abdul A., een Marokkaanse jongen die een relatie heeft met een van Mohammeds zusjes. Mohammed – een eergevoelige jongen – wil Abdul een lesje leren. Als de politie arriveert, houdt Mohammed een mes vast. Hij probeert in te steken op een agent en gooit daarna het mes naar het hoofd van de agent. Voor dit laatste geweldsdelict moet Mohammed een gevangenisstraf uitzitten in het huis van bewaring in Almere.

Als hij vrijkomt – eind 2001 – probeert Mohammed nog een keer ‘goede Marokkaan’ te worden. Het valt samen met een periode waarin zijn moeder overlijdt en de aanslag op de Twin Towers plaatsvindt in New York. En in Mohammeds wijk in Slotervaart/Overtoomse Veld sluimert de onvrede na de rellen in 1998 op het August Allebéplein nog altijd. Deze persoonlijke en maatschappelijke trauma’s lijken aanvankelijk de scherpe kantjes weg te halen bij Mohammed. Volgens vrienden uit die tijd wordt Mohammed ‘serieus’, Marokkaanse codetaal voor de transformatie van jongeren in ‘goede Marokkanen’ die zowel werk maken van hun religiositeit als hun maatschappelijke carrière.

Mohammed begint een opleiding sociaal pedagogische hulpverlening aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij gaat zich bij buurtcentrum Eigenwijks inzetten voor de jongeren van Slotervaart/Overtoomse Veld. Aanvankelijk is hij van goede wil. Hij wil de stem van de jongeren in de buurt vertolken en doet dat met overgave. In de loop van 2002 begint hij ook actie te voeren voor een eigen honk voor de jongeren. Hij schrijft een plan voor Mondriaans Doenia. Het idee is jongeren uit de buurt een plek in het Mondriaan Lyceum te geven waar ze hun huiswerk kunnen doen en kunnen ontspannen.

Maar zijn streven een ‘serieuze’ en ‘goede Marokkaan’ te worden voorkomt niet dat veel van zijn ondernemingen opnieuw mislukken. Zijn ambitieuze plannen voor Mondriaans Doenia worden niet gehonoreerd door de autoriteiten. Het geloof dat de Nederlandse samenleving samenspant tegen Marokkanen wordt sterker. Wim Knol, eigenaar van buurtcentrum Eigenwijks, herinnert zich in de NRC in 2005 de woorden van een teleurgestelde Mohammed. ‘Ik heb het eigenlijk wel allemaal gehad met de instituties’, zou hij gezegd hebben. De instituties nemen hem en de zijnen niet serieus. ‘Wij Marokkanen zijn goed genoeg om als contactpersoon gebruikt te worden, zolang we maar geen initiatieven nemen.’

In de loop van 2002 en 2003 begint hij met medevrijwilligers van Eigenwijks in conflict te komen vanwege zijn toegenomen religiositeit. Hij is een bezoeker van de salafistische moskee El Tawheed in Oud-West. Zijn geloofsijver blijkt als hij een mederedactielid van wijkblad Over ’t Veld beledigt door haar interpretatie van de koran terzijde te schuiven omdat zij slechts een vrouw is. Mohammed laat zich in die tijd ook steeds meer in met gelijkgestemden, zoals met de Syriër Abu Khaled, een jihadistische prediker die hem verder bekendmaakt met antiwesters gedachtegoed. Eind 2002 staakt Mohammed zijn opleiding sociaal pedagogische hulpverlening. Het is de derde opleiding die hij niet weet af te ronden. Zijn eigen falen, de tegenwerking die hij ervaart van autoriteiten, de tegenwerking die volgens hem Marokkanen en moslims in het algemeen ervaren, verpulveren de hoop die hij nog had een ‘goede Marokkaan’ te worden, een succesverhaal van de Marokkaanse migratie.

Hun radicalisering is ook een keuze die gemaakt wordt uit het verlangen Marokkaan noch Nederlander te zijn

Mohammed maakt zichzelf bij Eigenwijks onmogelijk door verregaande eisen te stellen. Hij wil dat in het buurtcentrum niet langer meer alcohol wordt geschonken. Vrouwelijke en mannelijke bezoekers moeten voortaan van elkaar gescheiden worden. In maart 2003 schrijft Mohammed een artikel voor wijkblad Over ’t Veld waarin hij uitlegt waarom hij niet met vrouwen wil samenwerken in het buurtcentrum: ‘Dat deze soms tegenstrijdig zijn met de algemeen heersende opvattingen betekent niet dat ik op enigerwijze van de “mijne” zou moeten afstappen.’

Als tijdens een buurtbijeenkomst in Eigenwijks weer eens een kritische noot wordt gekraakt over de Marokkaanse buurtbewoners laat Mohammed iedereen schrikken door luidkeels Allah aan te roepen. Hij laat een baardje staan. Hij begint religieuze kleren te dragen – een djellaba, een broek tot boven de enkels, een mutsje. Na de zomer van 2003 raakt hij uit zicht bij buurtbewoners in Slotervaart/Overtoomse Veld en bij betrokkenen van buurtcentrum Eigenwijks. Hij wordt radicaal een ander. Ook in naam. Niet langer meer is hij Mohammed. Hij neemt een kunya aan, een islamitisch pseudoniem. Abu Zubair. De Superieure.

Ik maak in mijn omgeving twee van zulke radicale transformaties mee. Ze hangen samen met de frustratie een Marokkaan in Nederland te zijn. L. is een twee jaar oudere buurjongen. Ook hij zit op het Mondriaan Lyceum en schopt het tot de tweede klas van de havo. Maar hij kan zich niet handhaven. Zijn gedrag wordt problematisch. Zijn vader denkt hem te kunnen corrigeren met slaag. L. wordt uiteindelijk van school getrapt en belandt in de criminaliteit. Hij wordt de zoveelste schandvlek op het blazoen van de Marokkaanse gemeenschap, het zoveelste object van minachting voor de Nederlandse samenleving.

Op zijn zeventiende verandert hij langzaam maar gestaag in een strenggelovige moslim. Het is niet alleen een shortcut naar het herwinnen van maatschappelijk aanzien, het is ook een manier om boven het problematische Marokkaan-zijn uit te stijgen. Hij leert zichzelf klassiek Arabisch. Met zijn Marokkaanse buurjongens wil hij niets meer te maken hebben. Op de cultureel bepaalde geloofsopvattingen van zijn vader kijkt hij neer. Zijn vader is volgens L. een simpele boer, hij leeft nog in jahillya, het goddeloze tijdperk dat aan de islam voorafging.

L. is eerst en vooral moslim, zichzelf met het Marokkaan-zijn vereenzelvigen zou een teken van verderfelijk nationalisme zijn. Met zijn nieuwe islamitische identiteit kan hij ook boven het Nederlander-zijn uittorenen. Hij kan zich superieur wanen aan Nederlanders. Zij kennen dan wel materiële welstand, democratie, maar L. maakt deel uit van een eeuwenoude religieuze traditie. Hij hoeft het Nederlander-zijn niet meer te ambiëren omdat hij daar als moslim per definitie boven staat.

Het tweede geval dat ik meemaak is H. Door persoonlijke omstandigheden redt hij het niet op het vwo. Hij glijdt ook weg en wordt een treurig geval dat de Marokkaanse gemeenschap teleurstelt en Nederlanders met afgrijzen vervult. Na het roken van een te sterke joint raakt hij in een psychose. Hij klimt uit dit persoonlijke dieptepunt door radicaal te breken met wie hij tot dan toe is geweest. De eerstvolgende keer dat ik hem tegenkom draagt hij een djellaba, een lange baard en doorspekt hij zijn taal met religieuze termen. Het is evengoed een blijk van diepe overtuigingen als een pose. Met zijn vrome voorkomen wil hij respect afdwingen. En iedereen behandelt hem ook met eerbied. Niemand spreekt hem tegen als hij zuur spreekt over de Marokkaanse gemeenschap die de weg kwijt is. Hij kijkt ook neer op het verderfelijke Nederland, Nederlanders hebben geen enkel recht zich beter te wanen. Hij is beter dan ons allemaal, Marokkanen en Nederlanders.

‘Jongens als Mohammed leven in extremen’, zegt een Marokkaanse welzijnwerkster die Mohammed kent in NRC. ‘Ze doen het zogenoemd goed en voelen zich onder druk gezet door de omgeving. Wat opleiding betreft grijpen ze te hoog en falen. Gefrustreerd dat ze de verwachting niet kunnen waarmaken, willen ze op een andere manier aanzien verwerven bij ouders en omgeving. En dat willen ze met de islam doen.’

Het geval van Mohammed, het geval van L. en H., de talloze andere (nabije) gevallen waarover ik gehoord en gelezen heb, laten zien dat hun radicalisering om meer draait dan alleen aanzien verwerven bij hun naasten. Het is ook een keuze die gemaakt wordt uit het verlangen Marokkaan noch Nederlander te zijn.

Mohammed neemt in 2003 steeds meer afstand tot de Marokkaanse jongens uit Slotervaart/Overtoomse Veld. Hij moet niets meer hebben van hun zinloos gehang op straat, hun gebruik van softdrugs en alcohol. Ook van zijn familie vervreemdt hij. Hij probeert hen aanvankelijk nog mee te krijgen in zijn idee van een ware islam, maar als hem dat niet lukt wordt het alsof er ‘een muur’ tussen hen in staat. Hij breekt ook met de plaatselijke Marokkaanse moskee El Ouma op het August Allebéplein. Daar bidt Mohammeds vader nog elke vrijdag, samen met talloze andere Marokkaanse vaders en zonen. Mohammed leest de imam die aan de moskee verbonden is de les over de ware islam. ‘U vertelt de waarheid niet.’

Mohammed woont dan in een klein appartement op de Marianne Philipsstraat in Geuzenveld/Slotermeer. De woning ligt op twee minuten loopafstand van de Marokkaanse moskee El Hijra. Het is de moskee waar ik en andere jongens wel eens komen om voor weinig geld een knipbeurt te krijgen. Het is de vaste bidplek van mijn vader. Het is een typisch Marokkaanse moskee, soms meer clubhuis dan gebedshuis, een sociale ontmoetingsplek voor Marokkanen. De diepreligieuze Mohammed laat zich er nooit zien. In het document Millat dat Mohammed in oktober 2004 schrijft, formuleert hij waarom hij zijn Marokkaanse achtergrond is ontstegen: ‘De sterkste band is dus de geloofsband. Deze band overstijgt de domme nationalistische en chauvinistische gevoelens, alsmede relaties die gebaseerd zijn op het bloedverwantschap.’

Nu hij zijn Marokkaans-zijn achter zich heeft gelaten, maakt hij er werk van superioriteit over Nederlanders te verwerven. In de teksten die hij vanaf zomer 2003 begint te schrijven laat hij zich steeds negatiever uit over westerse verworvenheden als democratie en seculiere rechtspraak. Het zijn inferieure systemen. Alleen Allah’s woord telt. Allah’s voortreffelijkheid, waar hij zo vurig in gelooft, geeft Mohammed het recht zich beter te wanen dan Nederlanders. ‘Wij moslims krijgen vaak te horen dat we ons moeten integreren zonder maar ooit een duidelijk concept van deze schreeuwlelijkerds te krijgen. (…) Kom met een integratieconcept dat maar enigszins tipt aan de islamitische. En als jullie dit niet kunnen, integreer dan met de rest van het universum en onderwerp je aan de islam.’ In een andere tekst schrijft hij: ‘Autoriteit van kuffaar (ongelovigen – hb) over moslims is ongeldig.’

Mohammeds radicale breuk met Marokkanen en Nederlanders is tot dan toe alleen retoriek en uiterlijk vertoon. Het is de gewelddadige jihadistische takfiri-ideologie die hem de legitimatie geeft daden aan deze breuk te verbinden. ‘Bevrijdt jezelf!’ spoort hij moslimjongeren aan in een van zijn geschriften. ‘Kom uit die koffieshop, kom uit die bar, kom uit die hoek. Geef gehoor aan de oproep van LA ILAHA ILLA ALLAH. Sluit je aan bij de karavaan van de Martelaren. Rijst op uit jullie diepe slaap, rijst op en schudt het stof van de vernedering van je af. Rijst op en geef gehoor aan de roep HAJJA AL JIHAD.’

Op 2 november belanden de haat en zelfhaat bij een onontkoombaar eindpunt. Mohammed trekt er gewapend op uit. Hij wil een symbool van het ongelovige Nederland vernietigen, en hij wil zichzelf vernietigen, door het verkrijgen van het martelaarschap.


Dit is een bewerkt fragment uit het boek Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen van Hassan Bahara dat in 2015 uitkomt