De volgende eeuw van de middenklasse

Rijtjeshuizen, rebellen en files

In de twintigste eeuw ontstond de westerse middenklasse, gekenmerkt door democratie, ondernemingslust en welvaart. Wordt de huidige eeuw die van de mondiale middenklasse? ‘Die bestaat nog lang niet.’

Het woord van 2011 was niet Occupy of Arabische lente, bunga-bunga of dubbele dip. Althans, niet volgens de Oxford Dictionary, het belangrijkste woordenboek van de Engelse taal. Die maakte namelijk eind vorig jaar de winnaar bekend: ­‘squeezed middle’, het ‘uitgeknepen’ of ‘beknelde midden’. De term vat samen hoezeer de middenklasse onder druk staat door de wereldwijde economische crisis. De Oxford Dictionary verantwoordde zijn keuze door te wijzen op ‘de snelheid waarmee het gebruik van de term verspreid is geraakt en vanwege de waarschijnlijkheid dat zij in gebruik blijft nu de angsten zich verdiepen’.

De Oxford Dictionary had nog kunnen toevoegen dat squeezed middle zo’n belangrijke term wordt gevonden omdat de middenklasse een soort heilige totem is geworden voor een trits aan wereldleiders, politicologen en economen, die haar welbevinden een zaak van enorm belang vinden. De middenklasse wordt dan ook al zeker 150 jaar geassocieerd met allerhande positieve zaken, zoals democratie, maatschappelijke betrokkenheid, een stabiele samenleving, ondernemingslust en natuurlijk welvaart. En dan niet alleen welvaart van de middenklasse zelf maar van de hele wereld, omdat de westerse middenklasse de motor was van de wereldeconomie in de twintigste eeuw.

Daarom is het ook niet zo mooi dat de middenklasse in westerse landen slinkt en dat de leden ervan, getuige opinie-onderzoeken in verschillende landen, zich onder druk voelen staan. Om het tij te keren heeft de Amerikaanse president Obama zijn Middle Class Task Force, die ten doel heeft om Amerika’s middenklasse (‘de ruggengraat van dit land’) weer ‘terug op zijn voeten’ te krijgen. Want, zo stelt het Witte Huis: ‘Een sterke middenklasse is hetzelfde als een sterk Amerika. We kunnen niet het ene hebben zonder het andere.’

Terwijl westerse landen hun middenklassen nieuw leven proberen in te blazen, hebben economen hun hoop al elders gevestigd: op de middenklassen van China, India, Turkije, Brazilië, en al die andere landen die in de laatste twintig jaar hard aan het groeien zijn geslagen. In de woorden van de Wereldbank: ‘Er is een nieuwe economische motor nodig en wij zien een goede kandidaat in het nog grotendeels maagdelijke consumptiepotentieel van de snel groeiende middenklassen in opkomende landen.’

Als het om die groepen gaat, valt de term ‘mondiale middenklasse’ vaak: een groep mensen over de hele wereld die genoeg geld heeft om een huis of een auto te kopen en die de economie van de komende eeuw moet dragen. Maar is dat een reëel scenario? ‘We moeten goed in de gaten houden welke mensen de term mondiale middenklasse het meest in de mond nemen: mensen die een nieuwe doelgroep zoeken om auto’s aan te verkopen of bankrekeningen aan te slijten’, zegt econoom Abhajit Banerjee, een middenklasse-expert van de Amerikaanse universiteit mit. ‘In de woorden “mondiale middenklasse” zit een grote wensfactor.’

Zolang de mondiale middenklasse nog niet in werkelijkheid bestaat, blijft de twintigste eeuw de eeuw van de middenklasse: een eeuw waarin het middenklasse-ideaal in de Verenigde Staten ontstond en van daaruit de wereld veroverde met al zijn positieve en negatieve aspecten – van een comfortabele levensstandaard en hoge opleiding tot sitcoms en statusangst.

Als we historicus David Landes mogen geloven, was er al eerder een wereldrijk gesticht op het fortuin van de middenklasse. In zijn monumentale studie The Wealth and Poverty of Nations schreef Landes de Britse hegemonie in de negentiende eeuw toe aan ‘de grootse Britse middenklassen’, die met hun nijverheid de basis hadden gelegd voor het imperium waar de zon nooit onderging.

Maar we hebben het dan over kleine kruideniers en hoedenmakers. De gangbare mening is toch dat de eerste middenklasse van enige omvang ontstond in de Verenigde Staten in de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de lopende band en andere innovaties zorgden voor een vloed aan goedkope producten en een groeiende groep mensen die die spullen ook kon kopen. Dat kopen werd mede mogelijk gemaakt door een baanbrekende noviteit – het consumentenkrediet – maar meer nog door hoge lonen die werkgevers betaalden. Henry Ford is het schoolvoorbeeld: de man die zijn automakers dubbel zo veel betaalde als het marktniveau en die zijn werknemers vervolgens aantrekkelijke regelingen aanbood om dat geld in nieuwe Ford Model T’s te steken. Door de groeiende, goed verdienende middenklasse ontstond een nieuw fenomeen in de geschiedenis: massaconsumptie, met als eye­catchers de auto, de filmindustrie en bioscoop­bezoek, muziekclubs en sportstadions.

De Grote Depressie zette een rem op de ontwikkeling, maar na de Tweede Wereldoorlog zou die in alle glorie doorzetten. De jaren vijftig, met hun levensstijl en sociale ideaal, zijn inmiddels the stuff of legend in de Verenigde Staten. In de woorden van president Obama, tijdens zijn State of the Union van afgelopen januari: ‘Toen een nieuwe generatie helden terugkeerde van de oorlog bouwden zij de sterkste economie en middenklasse die de wereld ooit heeft gekend.’ Het is pathetisch gezegd, maar wel waar. De Verenigde Staten – en in hun kielzog de wereld – kenden een ongekende, onafgebroken periode van economische groei, een kwart eeuw lang. Van 1947 tot 1973 groeide het reële inkomen van een Amerikaanse doorsneefamilie jaar na jaar, en verdubbelde het over die hele periode.

De impact daarvan ging ver voorbij mooie economische cijfers. De VS werden een middenklassenatie, een land dat werd gekenmerkt door het nieuwe sociale ideaal van het stabiele middenklassegezin. Amerikanen trokken vanuit hun vaak nog etnisch georganiseerde wijken naar massageproduceerde buitenwijken. Die suburbs werkten vervolgens als grote nationale smeltkroes. Licht verteerbare tv-shows onderwezen de nieuwe middenklasseburgers hoe alles moest: hoe moeder het huishouden bestierde, welke elektronische apparaten en bewaarbakjes daarbij nodig waren en hoe zij zich in haar moederrol schikte; hoe vader precies de steunpilaar van zijn familie, kerk en vaderland uithing. De overheid faciliteerde dit alles met de soldatenwet die miljoenen veteranen toegang gaf tot de universiteit en tot een hypotheek, en met snelwegen om de forensen van hun buitenwijk naar hun werk te krijgen.

Het was een ongekend succesverhaal. De Amerikaanse middenklasse stond voor voorspoed, geluk en succes. Als het voorbeeld voor de wereld.

West-Europa liep, aan de hand van de VS, versneld hetzelfde pad af. ‘Minder dan tien jaar nadat de Europeanen uit de puinhopen waren komen wankelen traden ze, met enige verbijstering, een tijd van overvloed binnen’, schreef Tony Judt in Na de oorlog. Het oude continent kende op zijn beurt een ongelooflijke economische groei, bekend onder namen als ‘Wirtschaftswunder’ en ‘Les trentes glorieuses’. Europeanen gingen in grote aantallen auto’s maken en kopen – Fiat 500’s, Kevers, 2CV’s – kleine, vierkante televisies, kinderspeelgoed, luiers en spelletjes voor de enorme golf aan baby’s, langspeelplaten en grammofoons.

Ook Europeanen kregen binnen enkele jaren zicht op een luxe die hun ouders zich niet voor hadden kunnen stellen, in huizen met koelkast, verwarming en wasmachine. Als de parkeermeterindex een ruwe indicatie is van het moment waarop een land een middenklasse­natie wordt – voor parkeermeters heb je immers veel auto’s nodig en dus veel welvaart die vrij gelijk verspreid is – dan kwam voor Nederland dat moment in 1963, met de eerste vijfhonderd meters in Amsterdam. Als we voor de file-index zouden kiezen, was Nederland al een middenklasseland sinds 1955.

In de jaren zeventig kwam het feest ten einde door olieschokken, handelsconflicten, Amerikaanse overheidstekorten en het einde van het vaste wisselkoerssysteem van Bretton Woods. Economie zou voortaan een vechtmarkt zijn. Westerse landen bleven economisch groeien en bleven rijk, maar de welvaartsgroei zou niet meer automatisch en voorspelbaar zijn, eerder wisselvallig en precair. De hoogtijdagen van de middenklassen waren voorbij.

Daar was niet iedereen rouwig om, want de middenklassecultuur had altijd haar critici gehad, buitenbeentjes die zich afzetten tegen de verstikkende uniformiteit en saaiheid die de keerzijde waren van de geborgenheid. Zoals Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye, de Beatniks, Elvis, James Dean, de Rebel without a Cause, of Europese tegenhangers zoals Johnny Hallyday en Frits van Egters. Maar die buitenbeentjes werden door de leden van de middenklasse altijd op dezelfde manier onschadelijk gemaakt: door ze te omarmen en op die manier het veilige middenklasseleven te combineren met de symbolen van verzet, van Bob Dylan tot Jan Cremer.

Soms is er fundamentelere kritiek, zoals Fear of Falling van Barbara Ehrenreich uit 1989, over de statusangst die veel middenklassers in zijn greep houdt. Of Bowling Alone (1995), waarin socioloog Robert Putnam met een dik pak cijfers en feiten probeerde aan te tonen hoe het middenklasseleven vaak materialistisch en egocentrisch is, obsessief op consumptie gericht, met ontbrekende en oppervlakkige menselijke contacten als prijs. En daar is dan brede instemming over.

Terug naar de economische kant. Westerse landen hebben elk hun eigen verhaal, maar om bij de toonaangevende natie te blijven, de Verenigde Staten: daar bleken de decennia van de Tweede Wereldoorlog tot halverwege de jaren zeventig zowel de hoogtijdagen van de middenklasse als het hoogtepunt van sociale gelijkheid en mobiliteit. Wie een grafiek van inkomensongelijkheid in de VS bekijkt van de twintigste eeuw ziet een soort glimlach, ‘Amerika’s grote economische boog’, om met econoom Paul Krugman te spreken. In het midden, van eind jaren veertig tot in de jaren tachtig, is de inkomens­ongelijkheid in de VS laag. Aan weerskanten van die periode loopt de ongelijkheid omhoog. Aan de linkerkant staat 1900, de tijd van de tycoons en robber barons die in de VS wordt gezien als periode van uitbuiting en oneerlijkheid bij uitstek. Aan de rechterkant staat nu, de tijd van de Wall Street bonuses en de squeezed middle. De inkomensongelijkheid is precies zo hoog is als een eeuw geleden.

Dat de inkomensgroei van middenklassen in verschillende landen stil kwam te liggen in de jaren tachtig, en dat die in veel landen is omgekeerd in een neergang, is onderwerp van intens economisch en politiek debat. In de VS vallen de perioden van grootste groei in ongelijkheid samen met Reagan en George Bush jr. en hun miljonairvriendelijke regeringen. Amerikaanse progressieven spreken daarom vol bitterheid over de ‘war on the middle class’ die door deze presidenten is gevoerd. Maar zo simpel blijkt het toch niet te liggen. Serieuze economen willen wel accepteren dat het beleid van Reagan en Bush jr. de groeiende ongelijkheid versterkte, maar niet dat het de fundamentele reden is. Die zoeken zij doorgaans in de veranderende aard van de westerse economieën – van industrieel naar postindustrieel – en in de dynamiek van de wereldeconomie.

Dat de groeiende druk op de middenklasse niet ligt aan deze of die Amerikaanse president, blijkt ook simpelweg uit het feit dat in Europa in grote lijnen hetzelfde gebeurde. Zo luidde het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung de noodklok over Duitslands Schrumpfende Mittelschicht, die tussen 2000 en 2007 (onder de sociaal-democraat Schröder dus) was gekrompen van 62 naar 54 procent van de bevolking.

Dat klinkt heel verontrustend, maar wie een helder beeld probeert te krijgen over het probleem stuit al snel op een web van verschillende definities en cijfers over wat de middenklasse eigenlijk is. Er is om te beginnen een school die meent dat ‘middenklasse’ een term is die staat voor mensen die gelijke waarden en opvattingen hebben, zoals het belang van goed onderwijs, van een stabiele carrière, enzovoort. De meeste wetenschappers definiëren ‘middenklasse’ liever als iets dat te maken heeft met inkomen, maar dan is weer niet duidelijk wat dan een goede maatstaf is die voor verschillende landen, en over verschillende tijdperken kan worden gebruikt. Hierbinnen zijn grofweg twee stromingen: een die een bepaalde absolute inkomensgrens wil aanhouden, omgerekend naar dollars, en een die het zoekt in welk aandeel van zijn inkomen iemand vrij kan besteden. Een vaak gebruikte definitie is bijvoorbeeld dat iedereen ‘middenklasse’ is die tussen tien en honderd dollar per dag verdient, zowel in rijke als in arme landen. Een econoom die met die standaard aan het rekenen sloeg, de Indiër Surjit Bhalla, kwam tot de conclusie dat het aandeel van de middenklasse in de wereldbevolking van 1990 tot 2006 steeg van eenderde tot 57 procent, met een grotere middenklasse in Azië dan in het Westen. De meest gebruikte ‘relatieve’ grens is dat iedereen tot de middenklasse wordt gerekend die eenderde of meer van zijn inkomen vrij kan besteden. Ook volgens die definitie is nu meer dan de helft van de wereldbevolking ‘middenklasse’. Op het omslagpunt, 2009, wijdde The Economist er een triomfantelijk omslagartikel aan.

Maar het gegoochel met cijfers wekt de spotlust van critici, die met genoegen wijzen op alle elkaar tegensprekende definities die er van die bezongen middenklasse in omloop zijn. Op de verworvenheden van de middenklassen blijkt vervolgens ook veel af te dingen. Middenklassen zijn vaak verbonden met de opkomst van democratie, maar sommige studies wijzen op een zwakke of zelfs negatieve link tussen de toename van democratieën en economische groei. Democratie blijkt ook geen ‘middenklassewaarde’ te zijn: zo vindt tachtig procent van de Afrikanen democratie de beste staatsvorm, tegen veel minder Russen. Middenklassen zijn ook vaak verbonden aan ‘ondernemingslust’ of ‘innovatie’, terwijl studies vervolgens uitwijzen dat middenklassen vaak bijzonder risico­mijdend zijn en kleine ondernemingen opvallend behoudend. Een van de grootste studies die ooit naar middenklassen over de hele wereld gedaan is, door mit-economen Abhajit Banerjee en Esther Duflo, was getiteld What Is Middle Class about the Middle Classes around the World? Hun antwoord: een vaste baan. Een andere verbindende factor lijkt er niet te zijn.

Wat in ieder geval geen nut heeft, is mensen zelf vragen in welke klasse ze zichzelf inschatten. In India blijkt de helft van de bevolking zich tot de middenklasse te scharen – zeker tien keer zo veel als bijvoorbeeld de Wereldbank inschat – en in de VS schaart meer dan negen op de tien mensen zich daarbij. ‘Als president Obama een Middle Class Task Force opricht, of praat over de “neergang van de middenklasse”, dan is dat dus gewoon een politiek codewoord om kiezers aan te spreken – blanke kiezers die bang zijn voor verlies van hun baan’, zegt mit-econoom Abhajit Banerjee in een telefonisch gesprek. ‘Er is in de VS nu eenmaal geen trotse arbeidersklasse­traditie zoals in Engeland, dus middenklasse is een veilig woord.’

De twintigste eeuw was voor westerse landen de ‘eeuw van de middenklasse’, beaamt Banerjee. ‘In de VS komt begin twintigste eeuw de middenklasse op en in Europa wordt door de Eerste Wereldoorlog de macht van het gevestigde geld gebroken. Westerse burgers beginnen dan tijdens hun leven vooral welvaart te vergaren, in plaats van te erven. Je ziet een substantiële reductie in ongelijkheid van de jaren twintig tot in de jaren tachtig en een grotere sociale mobiliteit. Beide nemen daarna af. We hebben het trouwens wel over relatieve zaken: de elite en de onderklasse blijven ook in westerse ­landen tijdens de hele twintigste eeuw bestaan.’

Banerjee twijfelt of de opkomende mondiale middenklasse de mondiale economie kan gaan dragen. ‘De westerse middenklasse deed veel dingen tegelijk. In economisch opzicht waren het belangrijkste het zo hoog mogelijk opleiden van hun kinderen en zo veel mogelijk consumeren. Chinezen doen het eerste, het tweede begint nu te komen. Als China zo doorgaat, kan de Chinese middenklasse inderdaad de rol van de Amerikaanse overnemen. Maar dat is dan vooral omdat China zo’n ongelooflijk groot land is, niet omdat de koopkracht per Chinees al hoog genoeg is. Er wordt namelijk wel geschreven over een mondiale middenklasse, maar de welvaartsverschillen zijn nog enorm. Er wordt hoopvol gesproken over de “enorme” Indiase middenklasse, die al een kwart miljard mensen zou tellen. Maar die mensen hebben twee tot vier dollar per dag te besteden en kunnen qua koopkracht dus nooit de rol van de VS overnemen.’

Banerjee vervolgt: ‘Mensen houden ervan om dat soort mensen in opkomende landen mondiale middenklasse te noemen, maar de verschillen tussen landen zijn enorm. De Chinese middenklasse is al weer twee tot drie keer zo rijk als de Indiase, de Braziliaanse is tien keer rijker. En gaan die mensen straks allemaal zo leven en consumeren als de Amerikanen? Voorlopig zie ik eerder dat de aspiraties van veel mensen in deze groep erg bescheiden zijn. De mondiale middenklasse bestaat nog lang niet.’